Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Harry Mulisch 1927-2010 De stralende zegetocht van een olympiër

Harry Mulisch stond te boek als de best gekapte en ijdelste schrijver van Nederland. Dankzij bestsellers als ‘De aanslag’ en ‘De ontdekking van de hemel’ werd hij een van de meest gelezen Nederlandse auteurs en niet te vergeten de meest gefêteerde.

 

Zelf twijfelde hij niet aan zijn grootheid. Vroeg in zijn carrière zei hij al zonder een zweem van twijfel: ,,Ik ben een groot schrijver, daar helpt geen moedertje lief aan.”

Harry Mulisch was een ‘on-Hollandse Hollandse schrijver’ die met zijn on-Nederlandse gedrag en uitspraken menigeen op de kast joeg. ,,Nederlanders hebben de neiging alles klein te maken”, zei hij. ,,Tot en met de zon. Het zonnetje. Dat bestaat in geen andere taal ter wereld.” Maar ontevreden in Nederland was de in Haarlem geboren schrijver beslist niet. ,,Ik heb veel aan de Nederlanders te danken’’, zei hij als een buitenstaander die zich gast waande in eigen land.

Het is de Mulisch zoals menigeen hem zal herinneren: hautain, soms grenzeloos hooghartig, een arrogant type. De schrijver zelf haalde er zijn schouders over op of gooide nog eens olie op het vuur. Zo staat op de omslag van zijn kleine roman ‘De pupil’ (1987) een foto van Mulisch in zwembroek, terwijl hij uitkijkt op de beroemdste vulkaan ter wereld. Het ironische onderschrift luidt: ‘Van links naar rechts: de Vesuvius, Harry Mulisch.’ Nee, het woord bescheidenheid kwam niet in zijn vocabulaire voor.

Er was ook geen schrijver die zoveel vijanden had. Verstokte Mulisch-haters zijn er altijd geweest. Tegelijkertijd werd hij door velen in binnen- en buitenland bewonderd, zij het dat zijn fans in tegenstelling tot die van Hermans en Reve geen genootschap vormden dat naast de verafgode auteur geen andere schrijvers duldde.

Toch kon hij wel een potje breken. Wie zijn boeken kent en waardeert weet dat het een pose was, waarvan Mulisch zelf nog het meest genoot. Hij speelde een spel met schijn en werkelijkheid, met de buitenwereld en met zichzelf, want zelfspot was hem niet vreemd. Neem zijn roman ‘Siegfried, een zwarte komedie’ (2001), waarin hij Hitler, de verpersoonlijking van het Kwaad, in de netten van zijn verbeelding probeerde te vangen. Daarin valt de hoofdpersoon, een succesvolle schrijver, samen met zijn schepper. Mulisch schrijft: ‘Steunend en klagend dat hij geen schrijver was geworden om onsterfelijke meesterwerken te scheppen, maar uitsluitend om te kunnen uitslapen, kwam Herter de volgende ochtend om acht uur uit bed.’

Harry Kurt Victor Mulisch zag op 29 juli 1927 het licht. Hij had een Duits-Oostenrijkse vader die later Tsjech werd, in de Eerste Wereldoorlog vocht en in de Tweede collaborateur zou worden. Tijdens de bezetting was hij directeur van de ‘Duitse roofbank’ Lippmann Rosenthal & Co. Mulisch’ vader trouwde met een Duits-joodse vrouw wier familie na de Eerste Wereldoorlog verdreven werd uit Antwerpen en die hij in de Tweede behoedde voor de gaskamers door een beroep te doen op zijn foute connecties.

Met zo’n achtergrond was het niet vreemd dat hun enige zoon Harry een beroemd schrijver zou worden met een obsessie voor de Tweede Wereldoorlog. De oorlog zat hem ‘in het bloed’ omdat deze samenviel met zijn volwassenwording. Het verklaart zijn beroemde, zij het bizarre uitspraak: ,,Ik bén de Tweede Wereldoorlog.’’

Zijn ‘geboorte’ als schrijver in 1951 was niet minder krachtig. Mulisch, net 24 jaar oud, liep met het manuscript van zijn roman ‘Archibald Strohalm’ onder zijn arm over een donkere Amsterdamse gracht. Het was vijf minuten voordat de inschrijvingstermijn sloot van de Reina Prinsen Geerligsprijs, een prestigieuze debuutprijs. Boven Amsterdam barstte een noodweer los. De secretaris verscheen in pyjama aan de deur en zei wijzend op het hemelvuur terwijl dit hen verlichtte: ,,Het kan niet anders of dit boek wint de prijs.”

En zo geschiedde. Het past bij de mythe van Mulisch bij wie niets op toeval berustte. Hij kreeg de prijs en een jaar later lag het boek over een gewone man die tot het kunstenaarschap wordt geroepen in de winkel. Vanaf dat moment ving zijn ‘stralende zegetocht door het publieke leven’ aan. Mulisch sloot zich aan bij de Haarlemse kunstenaarssociëteit Teisterbant, raakte bevriend met Godfried Bomans en Anton Heyboer.

In 1958, een jaar nadat zijn vader was gestorven, en in hetzelfde jaar dat zijn kleine, Haarlemse roman ‘Het zwarte licht’ verscheen, vertrok Mulisch naar Amsterdam waar je de charmeur kon zien flaneren. Hij ontmoette Hein Donner, telg uit een familie van politici en professioneel schaker. Het was het begin van een bijzondere vriendschap tussen ‘de Neus en de Reus’, waaruit Mulisch uitvoerig putte voor zijn ‘totaalroman’ ‘De ontdekking van de hemel’ uit 1992. Mulisch publiceerde in die tijd de mythische roman ‘Het stenen bruidsbed’ (1959), waarin een Amerikaanse piloot terugkeert naar Dresden dat hij in de oorlog hielp verwoesten. Mulisch vierde dat jaar op Ibiza zijn allereerste vakantie en ontmoette hier zijn schrijversvrienden Hugo Claus en Cees Nooteboom, met wie hij feestte, ruziede en luierde.

De jaren zestig vormden een cruciale periode in de ontwikkeling van Mulisch’ schrijverschap. Hij volgde het proces tegen Adolf Eichmann in Jeruzalem, en schreef daarover in ‘De zaak 40/61’ (1962). Hij beleefde de provotijd van nabij en roerde zich in het politieke debat. Gerard Reve noemde hem in die tijd ‘een gemotoriseerde relletjesvoyeur’, die in zijn olijfgroene Triumph, met opengewerkte handschoenen aan het houten stuur, de blits maakte. Hij hield vlammende toespraken tijdens demonstraties tegen de oorlog in Vietnam en bezocht in Cuba zijn communistische held Fidel Castro. Hij legde daarover getuigenis af in ‘Het woord bij de daad’. Mulisch’ sympathie voor Castro is hem zijn leven lang nagedragen, maar hij weigerde er afstand van te nemen.

Literair gezien was die periode minder vruchtbaar.

Wel publiceerde hij in 1961 ‘Voer voor psychologen’, een semi-autobiografie vol bravoure waarin Mulisch al zijn thema’s samenbalde. Minder groots, maar niet minder opvallend was het boek dat Mulisch ‘in een drie weken durende woede- en lachaanval’ schreef: ‘Bericht aan de rattenkoning’ (1966), over Amsterdam in de roerige jaren zestig.

Nadat het stof van de jaren zestig in de hoofdstad enigszins was neergedaald keerde Mulisch terug naar zijn studeerkamer. Hij trouwde (‘trouwen is voor meisjes’, had hij eerder verklaard), werd vader van Anna en Frieda, schreef toneel en publiceerde dichtbundels als ‘De wijn is drinkbaar dank zij het glas’ (1976) en ‘Egyptisch’ (1983): verheven en tegelijk nuchtere poëzie.

Er brak een creatieve periode aan. De eerste vrucht daarvan was ‘Twee vrouwen’ (1975) over de liefde tussen twee vrouwen. Mulisch haalde zich met deze klassiek opgezette roman de woede op de hals van feministen, die vonden dat een man van zo’n onderwerp af moest blijven. Mulisch’ ster rees almaar hoger. Hij ontving in 1977 zowel de Constantijn Huygensprijs als de P.C. Hooftprijs. In 1995 kwam daar de Prijs der Nederlandse Letteren bij, de hoogste literaire onderscheiding van ons taalgebied.

De schrijver verraste in 1980 met een vuistdik en voor velen ondoordringbare filosofische turf met de typische Mulisch-titel ‘De compositie van de wereld’. Mulisch wilde immers niet alleen als schrijver maar ook als denker de geschiedenis in. Geen raadsel of wijsheid was hem te groot of te diep. De reacties op het megalomane project waren op z’n zachtst gezegd gemengd. Mulisch trok zich van alle kritiek uiteraard niets aan. In 2002 haalde hij zijn gram door voor een college van tien hoogleraren op zijn filosofische hoofdwerk te promoveren.

In de jaren tachtig, toen hij darmkanker te boven kwam, brak Mulisch door naar het grote publiek met ‘De aanslag’ (1982), een enerverende oorlogsroman over een man die 35 jaar doet over het ontraadselen van de ramp die zijn gezin treft tijdens de Duitse bezetting. Het boek verscheen in meer dan dertig talen. De verfilming door Fons Rademakers, kreeg in 1987 een Oscar voor de beste buitenlandse film.

Maar het werk dat hem écht wereldberoemd maakte, was ‘De ontdekking van de hemel’, een aanklacht tegen de ontgoddelijking van de wereld door de techniek. Het was Mulisch’ antwoord op zijn lievelingsboek ‘De ongelofelijke avonturen van Bram Vingerling’ van Leonard Roggeveen dat hem er als twaalfjarige toe aanzette schrijver te worden. De turf van 900 bladzijden dat tot de moderne Nederlandse klassieken behoort, verscheen in het jaar dat Mulisch 65 werd én vader van zijn zoon Menzo. Het boek – in 2001 door Jeroen Krabbé verfilmd als ‘The discovery of heaven’ – is een klassieke ontwikkelingsroman, een boek over vriendschap én over Nederland in de jaren zestig en zeventig.

Het zag er aanvankelijk niet naar uit dat het boek zo’n daverend succes zou worden. Stilistisch is het ook beslist niet Mulisch’ beste boek. In het buitenland, vooral in Duitsland en de Verenigde Staten, dachten ze daar anders over en waren de kritieken overwegend juichend. Mulisch veroverde met dit overweldigende jongensboek voor volwassenen een groot publiek aan wie complexe romans als ‘Het stenen bruidsbed’ en ‘De elementen’ (1988) niet besteed waren.

Mulisch liet het hier niet bij. De literaire Olympiër, die in zijn boeken graag strooide met speelse verwijzingen naar de Griekse mythologie, was allerminst van zins om op zijn lauweren te gaan rusten. Een nieuw hoogstandje was ‘De procedure’ (1999) over de goddelijke macht om leven te scheppen. In het boekenweekgeschenk ‘Het theater, de brief en de waarheid’ (2000) zette hij de geruchtmakende ‘ontvoering’ van acteur Jules Croiset enkele jaren eerder met meesterhand in een nieuw perspectief. In de roman ‘Siegfried’ probeerde hij af te rekenen met zijn levenslange obsessie: Hitler, zonder wie ,,ik niet de schrijver geworden was die ik ben.”

De laatste jaren kreeg Mulisch’ rijzige gestalte met de grijze golven die als vlammen op zijn hoofd stonden iets van een Keltische priester. Hij bleef perfect gekleed, altijd hoffelijk, in alles een heer. Een chique vlegel, zij het één op leeftijd. ,,Je moet leven alsof je onsterfelijk bent”, zei hij met de onverstoorbaarheid die hem eigen was. Zelden viel hij uit zijn rol, uitgezonderd die ene keer tijdens de tv-uitzending naar aanleiding van de dood van Gerard Reve in 2006. Hij viel zijn gestorven collega af op grond van wat oud zeer. De schepper van een groots oeuvre stond er ineens heel naakt bij. Harry Mulisch bleek ook maar een gewone sterveling.

 

Oktober, 2010

UA-37394075-1