Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Harry Mulisch: Duitse ziel in Nederlandse schrijver

Van een Hollandse ziel zal niemand snel spreken. Voor Duitsers bestaat de Duitse ziel wel degelijk, zoals deze vooral in de natuur wordt beleefd. Het is een van de Duitse preoccupaties van Harry Mulisch (1927-2010) waarmee zijn werk is doordrenkt. De schrijver weidt er uitvoerig over uit in ‘De hond en de Duitse ziel’, dat de Duitse vertaling van Mulisch’ roman ‘Siegfried’ begeleidde en nadien ook in het Nederlands is verschenen.

 

Een levenslange obsessie voor het Derde Rijk

 

In dit boek laat Christoph Buchwald, bewonderaar van de schrijver en jarenlang diens Duitse redacteur, Mulisch aan het woord over het schrijven, de muziek, de schilderkunst, Mulisch’ obsessie met het Derde Rijk, en wetenschappelijke en metafysische aspecten van zijn denken, zijn roman ‘Siegfried’ (2001) én de ‘Duitse ziel’ van de auteur die ‘waarschijnlijk de meest Onhollandse Hollandse schrijver’ is.

Van een ‘gesprek’ tussen Buchwald en Mulisch is geen sprake, de eerste heeft zich volkomen weggecijferd. Hij heeft de band aangezet, Mulisch leeg laten lopen en vervolgens de gesprekken gecompileerd tot korte hoofdstukjes over de onderwerpen waarover hij met Mulisch van gedachten heeft gewisseld, of beter waaraan Mulisch meestal verstandige woorden wijdt. Je hóórt Mulisch praten.

Dat is een verdienste van dit boekje. Een andere verdienste is dat hierin in vogelvlucht alle thema’s worden behandeld en zijn samengebald die je ook terugvindt in Mulisch’ boeken, zowel in zijn romans als in zijn autobiografische geschriften. Buchwald heeft een willig oor, het is dat van een bewonderaar, die zich zo bescheiden tegenover de meester opstelt dat hij Mulisch (ant)woorden als één lange monoloog aaneen heeft geregen.

Teckel

Alleen in het voorwoord laat Buchwald, die zich inmiddels als uitgever (Cossee) in Nederland heeft gevestigd, zich gelden en schrijft hij dat ‘De hond en de Duitse ziel’ wat hem betreft kan dienen als een schets voor een intellectuele autobiografie van Harry Mulisch, waarin ook een stukje van de ‘Duitse ziel’ ‘zichtbaar’ wordt: ‘De hond die zich in de titel bij de ziel gevoegd heeft, blaft daarom dubbel: als biografisch bekrachtigde teckel, die door een officier van de Duitse Wehrmacht op sluipjacht vermoedelijk is aangezien voor een hert en stande pede werd geëxecuteerd, en als Mulisch’ faustische poedel, die zich zoals bekend steeds weer als de duivel onder musici, schilders, schrijvers en geleerden begeeft.’ Mulisch verheldert deze troebele zin later zelf: ‘Natuurlijk was ik na mei 1940 tegen de moffen […] maar ik ben pas echt anti-Duits geworden toen een Duitse sergeant-majoor op jacht mijn teckel doodschoot, die achter een hert aanzat.’

 

Je kunt zeggen: het is mogelijk dat God niet bestaat, maar wat er in elk geval is, dat zijn religies, kerken, de theologie, de kerkgeschiedenis, de paus, godsdienstoorlogen. Dat interesseert me.’

 

Mulisch is een ‘metafysisch schrijver’, dat wil zeggen, hij schroomt niet om de wetenschap en alchemie zijn boeken binnen te halen. ‘Het is met metafysica als met religie’, zegt hij. ‘Je kunt zeggen: het is mogelijk dat God niet bestaat, maar wat er in elk geval is, dat zijn religies, kerken, de theologie, de kerkgeschiedenis, de paus, godsdienstoorlogen. Dat interesseert me. Een Nederlander is dan snel geneigd te zeggen: als God niet bestaat, dan is al het andere ook onzin.’

Hij spreekt zich uit over literatuur, over zijn literaire voorbeelden Goethe, Dostojevski, Thomas Mann, en over de roman als literair kunstwerk: ‘Ik wil niets lezen waarbij ik denk: ja, dat ken ik precies zo van thuis. Nee, ik wil bij het lezen van een boek of bij het bekijken van een kunstwerk ervaringen opdoen die nieuw voor me zijn, die andere perspectieven tonen en mijn standpunten en waarheden relativeren.’

 

‘En zonder Hitler zouden heel wat boeken van mij niet hebben bestaan.’

 

Hij gaat in op de manier waarop hij zijn boeken schrijft, en over zijn thema’s (‘niet ik kies een thema, het thema kiest mij’), over zijn werk dat hoezeer de boeken onderling ook mogen verschillen, bij elkaar horen, ze vullen elkaar aan. ‘Zonder Archibald Strohalm (zijn debuut uit 1951) was de roman Siegfried (2001) niet ontstaan.’ En zonder Hitler zouden ‘heel wat boeken van mij niet hebben bestaan’. ‘Zonder het Derde Rijk was ik zeker niet de schrijver geworden die ik nu ben. Een andere schrijver met dezelfde naam wellicht, maar met een ander oeuvre.’

Het boeiendste deel vormt dat over Mulisch’ levenslange fascinatie voor Hitler als ongrijpbaar en onverklaarbaar fenomeen, als nog steeds niet bevredigend verklaard verschijnsel, ondanks het grote aantal historici en andere wetenschappers die hun tanden in het onderwerp hebben gezet. Zonder Hitler was de helft van Mulisch’ boeken ongeschreven gebleven, had het schrijversschap van Mulisch misschien wel nooit bestaan. Hitler, het Derde Rijk, het heeft zijn leven, zijn schrijverschap bepaald, niet verwonderlijk voor iemand die de zoon is van een Oostenrijkse vader en een Duitse moeder van joodse komaf, en wiens belangrijkste levensfase midden in de oorlog viel; tussen de dertien en achttien.

Vernietiging

Uitvoerig gaat hij in op de man die uit was ‘op de totale vernietiging’. Over de dictator doet Mulisch uitspraken, die even krankzinnig als plausibel klinken. Maar dat is niet nieuw. Maar: ‘Nu pas, nu ‘Siegfried’ verschenen is, kan ik eindelijk zeggen dat het onderwerp voor mij als schrijver afgehandeld is, ondanks die vreemde mengeling van afschuw en fascinatie die zal blijven bestaan.’

Mulisch raakt er inderdaad niet over uitgepraat. Uit zijn gesprekken met Buchwald blijkt dat eens temeer, wanneer het gesprek komt op de Duitse generaals die in 1945 wisten dat de oorlog niet meer te winnen was. Hitler ontbood ze in zijn bunker. Toen ze eruit kwamen waren ze ervan overtuigd dat ze de oorlog tóch nog zouden winnen. Volgens Mulisch was er ‘iets onmogelijks gebeurd’: ‘Essentieel is dus niet wat Hitler zegt, maar dat hij het is die het zegt. Wie de toespraken naleest, zal bevestiging vinden dat ze verbazingwekkend oninteressant zijn. Essentieel is hoe hij het zegt, hij begint heel rustig en drijft zichzelf steeds meer op tot een extatische krankzinnigheid. Hij sprak zoals Wagner componeerde.’

En zo analyseert Mulisch zowel het verschijnsel Hitler als zijn eigen werk op zijn karakteristieke wijze, met veel bravoure en een grote gedrevenheid. Hij is een groot verteller. Voor de Mulisch-adept biedt ‘De hond en de Duitse ziel’ misschien niet veel nieuws. Wie ‘De ontdekking van de hemel’, ‘De procedure’ of ‘Siegfried’ met genoegen of bewondering heeft gelezen maar niet thuis is in de achtergronden van Mulisch’ oeuvre, kan er zijn voordeel mee doen.

 

Christoph Buchwald in gesprek met Harry Mulisch: ‘De hond en de Duitse ziel’ (Der Hund und die deutsche Seele). Uit het Duits vertaald door W. Hansen. Cossee, 96 blz.

 

Mei, 2002

UA-37394075-1