Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Harry Mulisch gaat in ‘Siegfried’ Hitler te lijf

De Tweede Wereldoorlog heeft altijd een belangrijke rol in de boeken van Harry Mulisch (1927, Haarlem) gespeeld. Niet zo vreemd voor iemand die met verwijzing naar zijn eigen komaf (een joodse moeder, een Oostenrijkse vader) eens met mulischeaanse overdrijving schreef: ‘Ik bén de Tweede Wereldoorlog’.

 

Mulisch’ fascinatie voor het Derde Rijk bereikt een voorlopig hoogtepunt in ‘Siegfried – een zwarte idylle’, een even verlicht als duister boek waarin hij het ‘raadsel’ Hitler ‘met fictie in zijn net probeert te vangen’.

 

In zijn buurt leek het of alles bevroor

 

Wie dacht dat Harry Mulisch na ‘De ontdekking van de hemel’ (1992), het boek dat hem wereldroem bracht, zijn top wel zo’n beetje had bereikt, vergist zich. Was ‘De procedure’ (1999) over de goddelijke macht om leven te scheppen al een hoogstandje, en zette hij in het boekenweekgeschenk ‘Het theater, de brief en de waarheid’ (2000) de geruchtmakende ‘ontvoering’ van Jules Croiset met meesterhand in een nieuw perspectief, ‘Siegfried’ is een ware heksentoer. Hierin probeert hij ‘af te rekenen’ met een levenslange obsessie: Hitler.

Siegfried’ is een gewaagd literair werk. Dat het boek niet bezwijkt onder zijn pretenties is te danken aan de vorm waarin Mulisch zijn gefingeerde verhaal over de jong vermoorde zoon van Hitler heeft gegoten, én aan zijn superieure, achteloze stijl. Oeuvrebouwer Mulisch laat hierin al zijn thema’s samenkomen. Het wemelt van de symbolen, ongerijmdheden en (schijnbare) paradoxen en gegoochel met getallen, woorden en kleuren (bruin!), zonder dat het al te zwaar wordt aangezet. Dit is nu zo’n boek waarin geen mus van het dak valt zonder dat het gevolgen heeft.

Het verhaal valt in twee delen uiteen, of eigenlijk in drie. Hoofdpersoon en verteller van ‘Siegfried’ is een succesvolle schrijver op leeftijd, Rudolf Herter (12 letters), in wie we in alles zijn schepper herkennen: Harry Mulisch (12 letters). We ontmoeten hem op het moment dat hij met zijn vriendin Maria onderweg is naar Oostenrijk – wat op zich al veelzeggend is (Anschluss toen, Haider nu). Hij verzorgt een lezing in Wenen, de stad van Mulisch’ vader én van Hitler. De verwijzingen naar Mulisch’ afkomst, oeuvre en handel en wandel zijn legio, en dat is al een avontuur op zich: Cuba, ‘De uitvinding van de liefde’, het succes in het buitenland, de nieuwe Homerus, Dante en Goethe zoals hij in het buitenland al is gedoopt, en zo verder. Tegelijk laat Mulisch zien hoe de hoofdfiguur, of beter, hoe hijzelf, te werk gaat bij het schrijven van een roman, zodat dit boek bovendien een kijkje biedt in het hoofd en een blik op de schrijftafel van de schrijver. Dit is de Mulisch zoals menigeen hem meent te kennen: een grenzeloos hooghartig, arrogant type, een onbescheiden, chique vlegel op leeftijd. Maar wie zijn boeken kent en weet te waarderen, weet dat dit een pose is, waarvan Mulisch zelf nog het meest geniet.

Hij speelt een spel, met schijn en werkelijkheid, met de buitenwereld en met zichzelf, want zelfspot is hem niet vreemd: ‘Steunend en klagend dat hij geen schrijver was geworden om onsterfelijke meesterwerken te scheppen, maar uitsluitend om te kunnen uitslapen, kwam Herter de volgende ochtend om acht uur uit bed.’ En: ‘Als ik had geweten dat ‘De uitvinding van de liefde’ bijna duizend pagina’s lang zou worden, was ik er nooit aan begonnen.’ De toon van het boek is dan nog vooral laconiek, speels, ironisch, met een vleugje cynisme: ‘Vrouwen interesseren zich niet voor Hitler’, schrijft hij ergens, ‘maar dat is wel eens anders geweest.’

De toon van het boek wordt minder luchtig wanneer Herter na zijn lezing twee oude mensen, Julia en Ulrich Falk, ontmoet die hun laatste jaren slijten in een verpauperd flatje aan de rand van Wenen. Ze willen hem spreken over zijn plannen die hij in een tv-interview en lezing ontvouwde: een boek over het grootste mysterie uit de wereldgeschiedenis: Hitler. Ze werkten ooit bij Hitler, op de Berghof, het pompeuze buitenverblijf op de Obersalzberg in Beieren, een ‘stukje Duitsland dat Oostenrijk insteekt als een penis’, waar de Führer zijn maîtresse Eva Braun trof. Ulrich was er kelner en kamerdienaar, Julia huishoudster. Daarna biechten ze op dat ze Siegfried (‘Siggi’) hadden opgevoed, het zoontje van Eva Braun en Hitler, alsof het hún kind was – Hitler had ze daar zelf opdracht voor gegeven.

Bekentenis

Het is een bekentenis waarvan Herter schrikt: ‘Hitler een kind! Dat was toch wel het laatste wat hij zelf had kunnen verzinnen – maar zo zat de werkelijkheid blijkbaar in elkaar: zij was de verbeelding steeds een stapje vooruit.’ Een mooie omkering van waarheid en verdichting. Het is eigenlijk een krankjorum idee, dat zogenaamde zoontje van Hitler (dat wordt geboren op de Reichskristallnacht! en genoemd is naar ‘Siegfried’, de Germaanse held uit Wagners opera ‘Ring des Nibelungen’), dat de opvolger moest worden van zijn vader, maar voorlopig verborgen moest blijven voor de buitenwereld. Het is ‘de idylle’ uit de ondertitel van het boek die in 1944 in een ‘zwarte’ verandert wanneer de Falks via Bormann een gruwelijke opdracht krijgen.

Mulisch weet de sinistere, onwezenlijke wereld van Hitler en zijn handlangers realistisch en geloofwaardig te vangen. Wanneer Hitler met een colonne open Mercedessen arriveert op de Berghof, en de serene sfeer plaatsmaakt voor een ‘nerveuze, geagiteerde’, was het, zei Ulrich Falk, ‘alsof het plotseling ijskoud werd en alles bevroor’. Hij had ‘iets uitpuilende, donkerblauwe ogen’, en ‘hij was kleiner dan hij hem had voorgesteld. In zijn tegelijk soepele en starre motoriek had hij iets van een levend bronzen beeld, waardoor er een vreemdsoortige leegte om hem heen hing, die op een of andere manier het leegst was waar hij zelf was, alsof hij er niet was.’

Omhelzing

Als Julia Falk hem per abuis in een omhelzing ziet met Eva Braun, wier gefingeerde dagboeken we in het voorlaatste hoofdstuk krijgen te lezen, ziet ze zijn ‘vlezige, witte lichaam dat iets doods had, het had nog nooit de zon gezien; alleen zijn wangen en zijn nek hadden wat kleur, maar dat hield abrupt op, zodat het leek alsof zijn hoofd van een ander lichaam afkomstig was.’

Dat een roman over een demonische despoot als Hitler gemakkelijk kan ontaarden in het tegenovergestelde van wat de auteur zich had voorgenomen, besefte Mulisch zich terdege. ‘We moeten natuurlijk oppassen dat we hem niet vergoddelijken, al is het dan met een negatief voorteken’, laat hij zijn alter ego Herter zeggen. De klippen weet Mulisch handig te omzeilen. Hij laat niet na om Hitler te beschrijven als een wereldvreemde figuur die los stond van de werkelijkheid, die vanaf 1933, toen hij in Duitsland aan de macht kwam, alles wat in het Derde Rijk gebeurde, tot aan het besluit om de joden uit te roeien, op een schenkblad aangereikt kreeg. Hij deed zelf niks, hij hoefde zelf niets te doen, daar had hij zijn hondstrouwe paladijnen voor. Hij had ook nooit een concentratiekamp bezocht. Op Hitler was van toepassing wat Bertolt Brecht eens opmerkte: ‘Ze kunnen het leed wel aanrichten, maar ze kunnen het niet aanschouwen.’

Mysterie

Hoe komt het toch dat een van de grootste, zo niet grootste misdadiger uit de wereldgeschiedenis nog altijd zoveel tongen en pennen in beweging brengt? Waar komt die fascinatie (voor het Kwaad) vandaan? Dat is de vraag, het mysterie waarop Mulisch op zijn eigengereide wijze een antwoord probeert te geven. De Tweede Wereldoorlog zit Mulisch immers ‘in het bloed’ omdat hij samenviel met zijn volwassenwording. Hij heeft er uitvoerig over geschreven (‘Het stenen bruidsbed’, ‘De aanslag’, ‘De zaak 40/61’ over Eichmann, ‘De toekomst van gisteren’). Hitler was daarin vooralsnog zijdelings ter sprake gekomen. Hoogste tijd om door het pantser proberen te dringen van de man die de twintigste eeuw van een brede rouwrand heeft voorzien.

Humorloos

Daarin is Mulisch natuurlijk niet de eerste. Ontzaglijk veel boeken en studies zijn aan Hitler gewijd, laatstelijk verscheen nog de monumentale tweedelige biografie van Hitler door Ian Kershaw. Alle proberen vat te krijgen op iemand die ongrijpbaar is. Was hij inderdaad zo’n karakterloze figuur, zo’n humorloos, hol vat? Maar in plaats dat ‘het raadsel’ ontraadseld en ‘de mythe’ ontmythologiseerd wordt, lijken het raadsel en de mythe alleen maar groter te worden.

Mulisch probeert in het onmenselijke het menselijke te vinden, hij zoekt geen rechtvaardiging voor ‘de pure negativiteit,’ ‘het nietigende Niets’ van Hitler. Hij gaat een stapje verder dan andere schrijvers en historici. Hij schuwt de ‘krankzinnigste’ gedachten en afschrikwekkendste ideeën niet. Zo verbindt hij, of zijn verteller, het krankzinnig worden van Friedrich Nietzsche in juli 1888 met het moment dat Adolf Hitler wordt verwekt. Hitler is de antichrist zoals ‘voorspeld’ in het gelijknamige boek van de nihilist Nietzsche, wiens gedachtegoed de nazi’s hadden geannexeerd en misbruikt.

Kamergeleerde

Jammer is dat Mulisch, of Herter, in zijn ellenlange bespiegelingen zijn aangenaam laconieke toon soms laat varen. Dan betoont hij zich een ouderwetse kamergeleerde die zich te zeer door zijn gedachten en ongerijmdheden laat meeslepen. Gelukkig krijgt hij daarin nu en dan tegengas van Maria die haar dertig jaar oudere vriend en vader van haar zoontje Marnix soms met verbijstering aanhoort.

Voor Werter is het grote geheim dat het echtpaar Falk een halve eeuw had weten te bewaren, dan ook geen verbeelding maar werkelijkheid. Het boek dat hij daarover wilde schrijven, komt er echter niet. Het boek van Mulisch, die het allemaal bedacht heeft, is er wél gekomen. En het knappe van ‘Siegfried’ is dat deze groteske geschiedenis zo aannemelijk is gemaakt en spannend geschreven dat het best allemaal zo gebeurd had kunnen zijn.

 

Harry Mulisch: ‘Siegfried – een zwarte idylle’, roman, 215 pag., uitgeverij De Bezige bij.

 

Februari, 2001

UA-37394075-1