Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Harry Mulisch en zijn buste

Harry Mulisch krijgt op 30 oktober 2013, drie jaar na zijn dood, een bronzen borstbeeld in zijn geboortestad Haarlem. De buste komt te staan op de Grote Markt, het plein in het centrum. Het is alsof hij het zelf heeft voorzien, want in zijn lange verhaal ‘Het beeld en de klok’ (1989) zinspeelt hij er op, op even lichtvoetige en speelse als ernstige wijze.

 

In dit typisch mulischeaanse, magisch-mythische verhaal is boekdrukker Laurens Janszoon Coster, wiens beeld op de Grote Markt staat, de verteller die van zijn sokkel stapt en met de ‘meester’ – Mulisch zelf, bescheidenheid heeft hem nooit in de weg gezeten – een wandeling door de stad maakt om horloges te kopen:

 

‘Ik beeld een zekere Laurens Janszoon Coster uit, over wie op mijn sokkel wordt beweerd, dat hij de uitvinder van de boekdrukkunst is. Vooral bij buitenlanders valt de mond open als zij dit lezen.’

 

Mooi is hoe Mulisch in dit verhaal met de lengte van een novelle, in de woorden van Coster, zichzelf beschrijft:

‘Sinds een paar jaar had ik deze grote zoon van Haarlem niet meer gezien. Ik ken hem al sinds de oorlog, toen hij nog een jongen was. Zijn moeder, die ik hier ook wel had gezien, – net als zijn vader trouwens, – woonde toen al in Amsterdam. Niet zonder gevaar placht hij nu en dan naar het café aan mijn rechterhand te gaan (waar nu een winkelgalerij is), of naar de bioscoop (nu een kapper), en aan mijn voeten vierde hij de bevrijding. Na de oorlog, toen hij definitief met de studie van zijn schaduw was begonnen, verscheen hij vrijwel dagelijks. In die optimistische jeugdjaren was hij nog van mening, dat ergens op aarde iemand rondliep met zijn schaduw, en dat hij dat individu zou kunnen herkennen aan de hand van de schaduw, die hij zelf wierp.’

 

Trefzeker schetst Mulisch een zelfportret van de kunstenaar als jongeman:

 

‘Hij had het arm, meestal eenzaam zat hij achter het raam in het café te lezen of te schrijven, – hoewel hij bij sluitingstijd toch vaak in damesgezelschap bleek te verkeren. Hoe dat precies in zijn werk ging, heb ik nooit kunnen achterhalen; maar ook zijn aantrekkelijkheid zal wel iets met zijn schaduw te maken hebben gehad, ofschoon hij zich daar als heer nooit over heeft uitgelaten.’

 

En Mulisch vervolgt, nog steeds in de woorden van verteller Coster:

 

‘Toen hij zijn eerste resultaten had gepubliceerd en in kleine kring wat bekender werd, zat hij bij mooi weer soms al om elf uur ’s morgens op het terras, in steeds wisselend gezelschap, keek – terwijl de zon over het drukke plein trok, waar trams en auto’s onvergetelijk de straten in en uit daverden – naar het kantoorpersoneel, dat wandelend boterhammen at tussen de middag, zat er nog steeds als de bedienden om zes uur naar huis gingen, dineerde met vrienden in zijn sociëteit, in een kelder onder het café, waar hij pas ’s nachts uit te voorschijn kwam – in galant gezelschap natuurlijk.’

 

Fraai is ook het slot van het verhaal als Coster weer plaats wil nemen op zijn sokkel.

 

‘Met een lachje vroeg hij: ‘Of zullen we ruilen?’

 

HET HARRY MULISCH HUIS

 

Bij een borstbeeld van beeldhouwster Jikke van Loon zal het in Haarlem voorlopig blijven. In Amsterdam, de stad waar Mulisch een halve eeuw woonde en werkte, volgt te gelegener tijd een ander eerbetoon voor de schrijver: het Harry Mulisch Huis aan de Leidsekade.

 

 

In dat statige grachtenpand ontving de schrijver mij ooit gastvrij, een paar dagen voordat zijn magnum opus ‘De ontdekking van de hemel’ (1992) zou verschijnen. Mulisch begroette mij minzaam in zijn imposante werkkamer in zijn riante pand. Ik nam tegenover hem plaats aan het massieve bureau, terwijl naast hem aan de wand de schema’s van de hoofdstukken hingen. Hij vertelde dat hij, zodra een hoofdstuk klaar was, dit onmiddellijk naar zijn Duitse vertaler had gestuurd zodat de vertaling van ‘De ontdekking van de hemel’ vrijwel gelijktijdig met de oorspronkelijke uitgave kon verschijnen – wat iets zegt over zijn bekendheid en succes, ook toen al, bij de oosterburen.

 

EEN HAASTKLUS TUSSEN DE ENGELEN

 

 

Het interview zou aanvankelijk worden afgenomen door een GPD-collega, die evenwel op het laatste moment wegens ziekte moest afzeggen. Omdat ik goed thuis was in het werk van Mulisch, vroeg men mij deze haastklus op me te nemen. Ik had nog drie dagen om het boek te lezen en me voor te bereiden, maar aangezien het boek pas een dag voor het gesprek beschikbaar was en werd bezorgd, moest ik het kloeke boek ’s avonds en deels ’s nachts en overdag tussen andere (redactionele) werkzaamheden tot me nemen. Dat was geen straf.

 

 

De ontdekking van de hemel’ was bovendien een Mulisch die zich anders dan de roman die daarvoor was verschenen, ‘Hoogste tijd’ (1985), maar net als de prachtige novellen ‘De elementen’ (1987) en ‘De pupil’ (1988), gemakkelijk liet lezen, en weldra zat ik midden in de strijd tussen de engelen en las ik met plezier over de personages in wie ik Mulisch en zijn aartsvriend Jan Hein Donner herkende, twee tegenpolen en tegelijk vier handen op één buik – een even sterke als wonderlijke vriendschap. Aan de nagedachtenis van Hein Donner (1927-1988) droeg hij overigens het verhaal ‘Het beeld en de klok’ op. 

 

Mulisch was benieuwd naar mijn bevindingen. Ik antwoordde naar waarheid en vertelde dat het verhaal nog in mijn hoofd zong omdat ik het laatste hoofdstuk in de trein van Hoorn naar Amsterdam had gelezen. Hij was verbijsterd dat het boek, waaraan hij jarenlang zo’n beetje dag en nacht had gewerkt, door zijn jonge gast (begin dertig toen) in nauwelijks een etmaal tot zich was genomen. Omdat hij me als een meester zijn pupil wilde testen, vroeg hij me lukraak naar enkele details in zijn boek die ik toen moeiteloos kon oplepelen aangezien de stof nog vers in mijn hoofd zat. Hij knikte tevreden. Het interview kon beginnen.

 

‘DE WIJN IS DRINKBAAR DANK ZIJ HET GLAS’

Ik herinner me dat we terloops ook over zijn poëzie kwamen te spreken, iets waarover interviewers hem tot zijn spijt zelden of nooit iets vroegen. Hij fleurde helemaal op toen hij geestdriftig over de bundels ‘De wijn is drinkbaar dank zij het glas’ en ‘Egyptisch’ kon uitweiden. Het was duidelijk dat hij zich als dichter zo niet miskend dan toch op z’n minst ondergewaardeerd voelde.

 

Het interview verscheen de volgende dag in de provinciale dagbladen die waren aangesloten bij de GPD (Geassocieerde Pers Diensten), een journalistiek instituut dat eind 2012 na 76 jaar jammerlijk aan zijn einde kwam. In de meeste kranten verscheen de oorspronkelijke lange versie. In het Noordhollands Dagblad, de krant waaraan ik indertijd als (kunst)redacteur verbonden was, verscheen wegens ruimtegebrek een sterk bekorte versie – tot verontwaardiging van menig collega die verontwaardigder reageerde dan de verslaggever zelf. Dat was een pleister op de wonde.

 

Augustus, 2013

UA-37394075-1