Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Helmert Woudenberg als jonge Hitler: ‘Er broeit van alles’

Helmert Woudenberg kruipt in zijn solo ‘Übermensch’ in de huid van (de jonge) Adolf Hitler. Een beladen titel voor een toneelmonoloog over iemand die staat voor het kwaad in het kwadraat. Een waagstuk. Ook voor een doorgewinterde theatermaker.

 

Tijdens de eerste try-outs bleken de bezoekers onder de indruk. ,,Iedereen schrikt wel,” heeft hij gemerkt. Dat was ook het geval toen hij met de voorbereidingen bezig was. ,,Ga je Hitler doen? Dat zei mijn vrouw ook. Ze zei: ik ga van je af als je Hitler gaat doen. Nu zijn we uit elkaar, dus kon ik het ook gaan doen.” Een flauwe glimlach van berusting glijdt over zijn gezicht.

Welk effect wil hij bereiken? ,,Waarom ik dit doe? Ik merk dat er in de heftige crisistijd van indertijd iets in de mensen naar boven kwam dat nu ook weer opduikt. Zie de rellen in Londen, zie de idioot in Noorwegen, zie de schietpartij hier in een supermarkt. Het is een soort psychose. Er zijn mensen die er bang van zijn, alsof er een soort burgeroorlog in de lucht hangt. Er broeit van alles en het wordt allemaal wat beter voorgesteld dan het is. Dat was met de Tweede Wereldoorlog ook zo. Toen zeiden ze ook, ach, het valt allemaal reuze mee. Het zal zo’n vaart niet lopen.”

,,Ik hoop te bereiken dat mensen automatisch gaan denken aan nu. Gaat dit over Hitler? Nee, het gaat over de economische crisis. Over nu. Over eenwording. En dat je gaat denken: dit is te verschrikkelijk voor woorden. Maar dat je ook andere dingen denkt. Van ja, daar zit wel wat in. Wat je krijgt is tegelijk een opgeblazen idealisme. Mijn personage zegt ergens: het komt niet door de economie, je sterft niet voor geld, je sterft voor een ideaal. Het is eigenlijk een heel schoon, gezond idealisme. Maar als je je erin gaat verdiepen zie je dat het een heel negatief ziekelijk fenomeen is. Dat gezonde blijkt in de kern dan zeer ongezond te zijn.”

Eerder gaf Helmert Woudenberg in de aangrijpende theatersolo ‘Waterman’ op overtuigende wijze gestalte aan een Joodse onderduiker. Hij zette een geloofwaardige Jezus neer als een mens van licht zonder de god te verwaarlozen. Hij speelde Pim Fortuyn en maakte ‘De hel’ over zijn ouders die hij nooit heeft gekend. Zijn vader sneuvelde als SS-soldaat aan het Oostfront. Zijn moeder overleed in een psychiatrische kliniek.

,,Deze solo gaat over Hitler, hoewel hij niet met naam wordt genoemd. Maar het betreft natuurlijk wel degelijk de jeugdjaren van Adolf Hitler en zijn ideeën. Je ziet een man die meningen verkondigt, uitgesproken politieke ideeën, waarbij duidelijk is dat hij tegen democratie is en heel erg tegen geassimileerde vreemdelingen. Hij heeft veel te zeggen over land en eenwording en leiderschap, maar je krijgt niet te horen over welk land het gaat, over welk volk, wie die vreemdelingen zijn. In het tweede gedeelte vertelt diezelfde man over zijn jeugd. Over het jeugdtrauma dat hij heeft opgelopen. Daaruit zijn al die ideeën ontstaan en te verklaren.”

Er komen geen pruikjes, plaksnorretjes of bruine regenjassen aan te pas – aan dat soort vermommingen doet Woudenberg niet. Voor zijn tekst heeft hij royaal geput uit ‘Mein Kampf’. Het in Nederland verboden boek las hij op het Nederlands Instituut voor Oorlogs Documentatie (NIOD) en kreeg het nadien door iemand toegemaild. ,,Het is 800 bladzijden. Ik heb het uitgedraaid. Acht mappen van honderd pagina’s. En van elke honderd bleven er hooguit tien over. De rest is niet om door te komen. Het was diamantjes zoeken in het gruis.” De uitspraken die hij uit de troebele brij viste zouden van toepassing kunnen zijn op de situatie van nu. ,,Het is zelfs zo sterk dat je denkt: dit is gisteren geschreven.”

 

‘Keilson zei: Ik zou Hitler de vraag stellen: wat is er

toch met u gebeurd toen u nog een kleine jongen was?’

 

Voor zijn solo heeft hij ook zijn licht opgestoken bij anderen, onder wie Hans Keilson, die vlak voor zijn dood werd (her)ontdekt als een schrijver van een bescheiden maar groots oeuvre. ,,Keilson heeft heel erg geleden onder de nazi’s. Ze vroegen hem: Als u Hitler zou tegenkomen, wat zou u dan tegen hem zeggen. Zou u hem uitschelden? Keilson zei: Nee, ik zou hem de vraag stellen: wat is er toch met u gebeurd toen u nog een kleine jongen was?”

En dat is het eigenlijke thema van ‘Übermensch’. ,,De solo is verwant aan die over Pim Fortuyn. Beide gaan terug op het freudiaanse fenomeen dat de jeugdjaren, vooral in het contact met je ouders, je verdere leven bepalen.” Net als Fortuyn voelde Hitler zich als kind afgewezen. Dat fascineert Woudenberg. ,,Dat komt – ik heb dat freudiaans onderzocht – omdat ik zelf geen ouders heb. Ik ben een wees. Ik heb pleegouders gehad, die me heel liefdevol hebben opgevoed. Toch is dat iets anders dan een bloedband, dan wanneer het in je genen zit. Zo zijn de levens van Hitler en Fortuyn sterk door hun ouders beïnvloed.”

,,Alle Duitse en Oostenrijkse jongetjes hadden in die tijd te maken met strenge vaders en lijfstraffen. Bij Hitler was dat heel erg. Hij werd mishandeld door zijn vader. Hij is de zoon uit diens derde huwelijk. Uit het tweede huwelijk is een zoon door zijn vader geestelijk en lichamelijk gebroken en monddood gemaakt. In de voorstelling laat ik Hitler zeggen: dat heeft hij ook met mij geprobeerd.”

Woudenberg put daarbij uit een omstreden theorie van Alice Miller, een psychoanalytica uit Zwitserland, die in haar boek ‘In den beginne was er opvoeding’ de jeugd van Hitler analyseert. Ze beweerde met officiële documenten te kunnen staven, dat de vader van Hitler het onechte kind, een bastaard, was van een Joodse vader. ,,Historici doen het af als een fabeltje, terwijl het een heel ander licht werpt op zijn antisemitisme en zijn raszuiverheid. Miller zegt ook: zijn redevoeringen laten een karikatuur zien van hoe zijn vader was. De manier van spreken van zijn vader. Het is of je een klein jongetje ziet dat met veel overtuiging zijn vader naschreeuwt. De vader heeft een waanzinnige invloed op hem gehad.”

Voor Woudenberg hebben zijn solo’s geen of nauwelijks therapeutische waarde, zegt hij. ,,Bij Pauw & Witteman vroegen ze mij, naar aanleiding van ‘Waterman’, hoe het voor een NSB-kind is om een Jood te spelen. Daar heb ik helemaal niet aan gedacht, zei ik. Toen ik de Fortuyn-solo deed heb ik meer aan het politieke verleden van mijn ouders gedacht, en nu ook bij deze solo over Hitler, dan bij ‘Waterman’ of ‘De hel’.”

,,De vader van mijn neef en nicht kwam wel van het Oostfront terug. Mijn nicht heeft het daar buitengewoon moeilijk mee gehad, terwijl ik het nooit moeilijk heb gehad. Ik realiseer me wel dat als mijn ouders waren blijven leven ik waarschijnlijk ook met ze in conflict zou zijn geraakt. Ik denk zelfs dat ik een totaal ander mens geweest zou zijn. Toch erf je van je ouders veel meer dan de kleur van je ogen of je lichaamsbouw. Dat merk ik zelfs. Bij mensen die mijn ouders kenden, heb ik wel gedacht: ik ken ze eigenlijk beter dan jullie die ze in het sociale contact hebben gekend.”

 

‘Ik wil niet laten zien hoe

slecht of goed ik iemand vind.’

 

Woudenberg staat transparant toneel voor dat verwarring schept. ,,Door in de huid van iemand te kruipen kun je als acteur iets onthullen wat je gewoon met woorden en een analyse niet voelbaar kunt maken. Zoals woede, pijn, emotie. Het mag niet belerend zijn. Het is niet belangrijk wat ik, Helmert Woudenberg, vind van Fortuyn of van Hitler. Ik moet daar geen oordeel over hebben. Ik wil niet laten zien hoe slecht of goed ik iemand vind. Ik ben het medium, ik vertegenwoordig de stem, de innerlijke waarheid.”

Woudenberg acteert bij gezelschappen, op toneel, in film en op tv. Maar zijn eigen (twaalf) solo’s zijn hem het meest dierbaar. ,,Die zijn mijn knollentuin. Dat is een oeuvre geworden. Die doe ik ook helemaal alleen. Schrijven, regisseren, spelen, alles.” Nog even en Woudenberg staat een halve eeuw op het toneel. Hij is inmiddels 66, maar het vuur is nog allerminst gedoofd. Wat drijft hem?

,,Ik weet het niet. Het is een bevlogenheid. Het is ook geen beroep hè, het is een roeping. Terwijl het ook een vak, een ambacht is. Onlangs hoorde ik de uitspraak: er zijn voetballers die spelen om te leven en er zijn voetballers die leven om te spelen. Zo zijn er ook acteurs die spelen om te leven en acteurs die leven om te spelen. Het is mijn leven. Ik blijf ermee doorgaan zolang ik kan.”

 

September, 2011

 

UA-37394075-1