Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Henny Orri en het grote acteren

Mary Dresselhuys, Ellen Vogel, Henny Orri. Misschien was en is de laatste bij het grote publiek niet zó bekend als haar twee andere collega’s – wellicht omdat ze nóóit concessies deed maar altijd haar eigen weg is gegaan – Henny Orri hoort wél thuis in dit rijtje grote actrices van het Nederlandse toneel.

 

Over de in 1925 geboren actrice, woonachtig in Andijk, is een mooie monografie verschenen, ’Henny Orri, actrice’. Het boek, geschreven door Paul Post, verscheen bij het Theater Instituut Nederland/uitgeverij Strengholt in de serie ‘Portretten van Nederlandse theatermakers’. Daarin verschenen eerder monografieën van Elisabeth Andersen, Annemarie Prins en Shireen Strooker.

 

In een lange sessie van drie uur heb ik verteld over alles wat ik in mijn carrière heb gedaan’, zei ze laatst over het aan haar gewijde portret. ‘Dat was erg zwaar; aan het eind barstte ik in snikken uit, omdat het erg confronterend en diepgravend was.’

 

Bij Henny Orri kijk je daar niet van op. Zij staat er als toneelspeelster immers om bekend dat ze zich op het toneel helemaal geeft. Ze is, zoals ze wel genoemd wordt, een metamorfosekunstenares, die grote rollen speelde als Moeder Courage (Brecht) en Jeanne d’Arc (Shaw). Ze speelde hoofdrollen in treur- en blijspelen, in klassieke stukken en in musicals. In 1986 werd ze onderscheiden met de Theo d’Or, de belangrijkste acriceprijs, voor haar rol als afasiepatiënte in ‘Wings’.

 

In 1994 nam ze officieel afscheid van het toneel. Maar deze rasactrice, voor wie het toneel haar leven is, kwam onlangs sterk terug in de monoloog ‘Rose’. Een rol waarin ze bijna letterlijk in de huid van haar personage kruipt. Het is een bijzondere acteerprestatie zoals ze in haar lange toneelcarrière van ruim een halve eeuw vele grootse acteerprestaties heeft geleverd. Soms werd ze er zelf haast bang van.

 

MET AL HAAR PERSONAGES AAN DE ONTBIJTTAFEL

Het zal wel voor meer acteurs opgaan dat de rol die ze spelen doorwerkt in hun dagelijks leven, maar bij Orri kon dat wel erg ver gaan’, schrijft Paul Post in ‘Henny Orri, actrice’. En haar man Theo Kling merkte eens op: ‘Ik heb met al haar personages aan het ontbijt gezeten.’

 

En Henny Orri zelf:

 

Op het moment dat de rol en ik elkaar echt raken en in elkaar overgaan, begin ik soms hevig te hyperventileren. Dat houdt even later op, daarna ben ik iemand met een andere ademhaling, een ander ritme. Een nieuwe rol gaat altijd gepaard met een tijdelijke metamorfose van mezelf, een lichamelijk onwel zijn ook. Dat geeft niet, dat calculeer ik gewoon in.’

 

Een van haar zwaarste en tegelijk dierbaarste rollen, we schrijven 1962, was een van de twee dienstboden in ‘De meiden’ van de Franse (toneel)schrijver Jean Genet, over een lesbische haat-liefdeverhouding tussen twee zussen en hun mevrouw. Orri werd bijna letterlijk onpasselijk ‘van het idee iemand fysiek pijn te moeten doen’:

 

Ja, ik wás er bang voor, omdat het zo groot en zo geweldig is. Je moet per slot van rekening als je een grote rol speelt toch de gevoelens van een bepaald iemand vertolken. Nou, als je zulke grote gevoelens als van die meiden niet alleen in je moet hebben, maar ook nog naar buiten moet brengen, dan is dat toch wel iets om even bang van te worden.’

 

De voorstelling, waarin Orri volgens een criticus speelde met een ‘felheid en een verscheurdheid, zoals men zelden op ons toneel te zien krijgt’, was een groot succes, maar soms werden ‘de meiden’ door het publiek uitgescholden (‘Vuile potten, lekker likken!’), door toeschouwers die schijn en werkelijkheid blijkbaar niet meer uit elkaar konden houden.

 

De meiden’ was bovendien de eerste keer dat ze door haar echtgenoot, de vertaler en toneelschrijver Theo Kling, werd geregisseerd. Dat vond zij geen enkel probleem, hij had er meer moeite mee. ‘Hij behandelde haar harder dan een andere actrice’, schrijft Post. ‘Maar gaandeweg vonden zij een goede werkwijze, waarbij Kling haar in het begin wat ‘rond liet rotzooien’, om nadien samen te gaan bouwen aan de rol. Dat proces ging ook buiten werktijd – thuis – door.

 

ZE VRETEN ME OP, IK GEEF MEZELF WEG’

Soms overschreed ze de grens, zoals in ‘Judith’ van Charles de Peyret-Chappuis, een stuk naar het bijbelverhaal over een sterke en emotionele joodse vrouw, dat toen, in 1963, zowel door kritiek als publiek wisselend werd ontvangen.

De zware rol greep Henny Orri zo aan – ‘elke avond dacht ze: ze vreten me op daar in de zaal, ik geef mezelf weg’ – dat ze tijdens een van de voorstellingen overmand door emoties flauw viel. Een crisis was het gevolg. Even dacht ze aan stoppen, ze ging in therapie en kwam terug, sterker dan ooit. Ze begreep dat toneelspelen voor haar ‘onder soms zeer moeilijke omstandigheden de grootst mogelijke ontspanning is. Omdat ik er innerlijk evenwicht in kan vinden’.

 

SPRAKELOZE BEWONDERING

Orri is veel bewondering van collega’s ten deel gevallen. Gerardjan Rijnders bijvoorbeeld regisseerde Orri eind jaren zeventig bij Globe in ‘Zondag’ van J.van Oudshoorn. Rijnders noemde zijn kennismaking met Orri ‘een verbijsterende ervaring’. Met sprakeloze bewondering zag hij wat zij allemaal uit een tekst wist te peuren, ‘uit komma’s, uit vraagtekens, uit de loopjes, uit een kopje thee met een lepeltje, met een of twee schepjes suiker’.

 

Posts verhaalt er allemaal over in zijn monografie ‘Henny Orri, actrice’, dat een mooi beeld geeft van het bewogen leven van een groot actrice, dat veel artistieke hoogte- maar ook dieptepunten kende. Post kwijt zich in zijn boek gedegen van zijn taak. Hij volgt nauwgezet de loopbaan van Orri, zij het dat zijn boek hier en daar wel een wat al te schoolse en saaie indruk maakt, hoewel hem gevoel voor dramatiek niet ontzegd kan worden.

 

HAAR ROEPING WAS DOMINEE

Neemt niet weg dat het een mooi eerbetoon is geworden aan een belangrijk actrice. Tegelijk geeft het boek een aardig beeld van de naoorlogse toneelgeschiedenis in Nederland, waarin Orri een belangrijke rol speelde. Aanvankelijk wilde Henny (Henriëtte Joséphine) Orri, geboren op 16 juni 1925, als nakomertje in een keurig burgerlijk Amsterdams gezin met bijna tien jaar oudere zusters, helemaal geen actrice worden. Haar roeping was dominee worden.

 

Maar toen ze in de oorlog in Amsterdam-Zuid de joden gedeporteerd zag worden, de dominee eens vroeg waarom God dit allemaal toeliet, begon de twijfel te knagen. Ze koos voor het toneel. Na haar eindexamen in 1947 aan de toneelschool debuteerde ze in blijspelen bij Het Vrije Toneel van Cor Ruys, in de naoorlogse jaren een grote publiekstrekker in de Nederlandse schouwburgen die de lach aan zijn kont had hangen.

 

Ze speelde sindsdien bij het Rotterdams Toneel, Centrum (volgens Orri zelf een van de mooiste periodes uit haar carrière) en Theater (het eerste ‘gedemocratiseerde’ toneelgezelschap van Nederland genoemd) voornamelijk tragische rollen. Haar perfecte timing, geleerd bij vakman Ruys, kwam haar goed van pas, zeker toen ze in 1975 met Theo Kling in de freelancesector terechtkwam en ook weer in komedies ging spelen.

 

VAN SCHMIDT TOT BERNHARDT

In de vijftien jaar die daarop volgde, wisselde ze stukken naar eigen keuze af met gastrollen bij anderen – van ‘En ik dan?’ en ‘Er valt een traan op de tompoes’ van Annie M.G. Schmidt in de vrije sector en de musical ‘Maskerade’ bij Jos Brink, tot ‘Zondag bij Globe’ en eigen initiatieven als ‘Wings’ en het op Sarah Bernhardt gebaseerde ‘Memoires’.

 

Zoals gezegd, stopte ze in 1994 officieel met acteren. Plotseling had ze er tabak van na een mislukte première van ‘In de hemel mag alles’, nota bene een stuk van Theo Kling, dat onder een slecht gesternte werd gespeeld bij het inmiddels opgeheven Haarlems Toneel. Zo’n fiasco wilde ze niet nóg eens meemaken. Maar dat ze werkelijk nooit meer op het toneel zou staan, nee, dat geloofde ze zelf eigenlijk ook niet.

Het gebeurde ook niet, toneel is immers haar leven, ze is eraan verslaafd. Weldra stond ze bij het Kaaitheater onder regie van Guy Cassiers in Bernlefs ‘Hersenschimmen’, en excelleerde ze in Martin Shermans monoloog ’Rose’, waarin een joodse vrouw terugkijkt op haar veelbewogen leven, dat voert van een dorpje in de Oekraïne via het getto van Warschau naar de Amerikaanse oostkust.

Opvallend aan het sobere stuk zonder veel actie – Orri zit op een harde houten bank en weet uit haar woorden een grote dramatische kracht te putten – is dat het raakvlakken heeft met Orri’s eigen leven. Ze groeide zelf op in een Amsterdamse buurt met veel joodse mensen, waardoor de geschiedenis van Rose haar dicht op de huid zit. Op het toneel wás ze Rose. En moest ze, net als in haar gloriedagen, zichzelf na afloop soms even wakker schudden, of wakker geschud worden, om weer zichzelf te worden.

 

Paul Post: ‘Henny Orri, actrice’, monografie, 136 pag, uitgave Theater instituut Nederland/uitgeverij Strengholt.

 

December, 2000

UA-37394075-1