Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Herman Brusselmans: ‘Het zijn schlemielen, maar dat ben ik ook’

Zijn hoofdpersonen zijn geen lachebekjes. Toch valt er in de boeken van Herman Brusselmans (1957) veel te lachen. Ook in ‘Muggepuut’, zijn 38ste boek, zonder de verzamelbundels meegerekend. Gesprek in het voorjaar van 2007 met ‘de oppergod van de Vlaamse literatuur’ die toen Abraham zag en een kwart eeuw schrijver was. ,,Mijn hoofdfiguren zijn schlemielen ja, maar dat ben ik zelf ook.’’

 

Herman Brusselmans is een humoristisch schrijver, een van die zeldzame auteurs bij wiens werk je bij voortduring in de lach schiet. ,,Ja, ik waag me wel eens aan een grap,’’, zegt Herman Brusselmans met gevoel voor understatement in brasserie Aba Jour te Gent, vlakbij zijn woning, waar hij een koffie verkeerd drinkt. ,,’Muggepuut’ is echt bedoeld als grappig boek. Je bent ervoor of niet, je kunt ermee lachen of niet. Er zijn ook niet veel schrijvers die grossieren in humor en grappen. De literatuur is ernstig, kun je wel zeggen.’’

 

‘Je kunt van Arnon Grunberg toch niet

zeggen dat hij een grappige schrijver is?’

 

,,En dan nog, wat is humor?’’ zegt de bijna vijftigjarige schrijver met de nog immer volle, lange manen. ,,Mijn vrouw koopt wel eens een boek voor me. Leest ze op de achterflap iets over hilarische humor. Denkt ze: dit is iets voor hem. Enfin, begin ik te lezen, maar ik lees niks hilarisch, misschien een lichte ironische toets, zoals bij Grunberg. In diens werk komt ook wel eens een grap langs, een grappige situatie of een humorachtig fragment. Maar je kunt toch niet zeggen dat hij een grappige schrijver is?’’

Tussen Brusselmans en Grunberg bestaat al enige tijd een soort van controverse. Waar komt die wederzijdse irritatie vandaan? ,,Ik heb hem eens meegemaakt op een tournee in Vlaanderen waar hij in de watten werd gelegd. Hij was te gast in een chic hotel in Brussel, werd rondgereden in een taxi met een mooie chauffeuse. Hij stelde zich ongelooflijk arrogant op tegenover alles en iedereen, dus ik dacht: jij bent geen leuke jongen, en dat kleurt automatisch mijn oordeel. Ik erken dat Grunberg een goede schrijver is, maar omdat ik hem zo heb ervaren, kan ik mijn bewondering niet belangeloos uiten.’’

 

‘Ze kijken tegen mij aan als een

soort clown, een pias, een paljas.’

 

Terug naar de humoristische literatuur, waarop volgens Brusselmans ten onrechte wordt neergekeken. ,,Neem Godfried Bomans. Die heeft ooit boeken geschreven als ‘Kopstukken’. Dat is puur humor, een soort van cabaretachtige literatuur. Heel mooi opgeschreven. Maar als je bekijkt hoe Bomans voortleeft, is dat niet om dat soort boeken maar om zijn dagelijkse levensloop, om zijn katholicisme, zijn tv-optredens, zijn minder grappige boeken, en zo voort. Zijn humoristische boeken worden weggewimpeld.’

,,Voor Carmiggelt geldt hetzelfde, die had een aantal goede grappen. Hij werd gezien als de melancholische, beetje zielige man die wat rond strompelt in Amsterdam en de Amsterdamse sfeer goed treft, niet puur als een humoristische schrijver. Dat ik wel zo gezien word, werkt tegen mij. Misschien dat ze daarom tegen mij aankijken als een soort clown, een pias, een paljas. Terwijl het toch een verdienste zou moeten zijn omdat er al zo weinigen zijn die een echt grappig boek kunnen schrijven. Ik ondervind natuurlijk wel de appreciatie van lezers die zeggen: ik lees je boeken graag want er valt wel ‘ns wat mee te lachen, maar door het literaire establishment, door de mensen die de prijzen en subsidies weggeven, word ik helemaal niet ernstig genomen.’’

 

‘Als je twintig jaar wakker ligt van

slechte kritieken, is dat niet gezond.’

 

 

Uw werk wordt toch doorgaans goed besproken? ,,Ik heb in Nederland enkele lovende besprekingen gehad op ‘Muggepuut’, maar in De Standaard, de Belgische kwaliteitskrant, stond een zeer zurige kritiek. Als ik door de jaren heen de kritieken op een rij zet, denk ik dat een op drie goed is en twee op drie minder.’’

Steekt dat? ,,Allang niet meer. Als je twintig jaar wakker ligt van slechte kritieken, is dat niet gezond. Uiteraard is het ook een kwestie van smaak. Als je kijkt naar wat scoort in de humor, naar wat het grote publiek apprecieert, denk ik vaak: dat is níet grappig. Mijn smaak voor humor is heel anders. Dat werkt ook omgekeerd. Als ik mijn smaak omwerk in mijn boeken zijn er velen van het grote publiek die dat niet grappig vinden. Dan krijg je toch een vrij beperkt lezerspubliek.’’

,,Ik ben zelf een enorme fan van cabaretier Herman Finkers. Die zegt bijvoorbeeld: ‘Ik ben niet getrouwd want mijn schoonouders konden geen kinderen krijgen.’ Finkers kan de ideale grap vertellen, technisch knap, perfect getimed. Brengt zijn broer Wilfried schilderijen op het podium. Zegt Herman bij een of ander afschuwelijk schilderij dan: ‘Dit is nou typisch zo’n schilderij waarvan de mensen denken, dat kan mijn vierjarige zoontje ook. Maar dat is verkeerd, dit is een zeer beroemd schilderij van de zeer getalenteerde schilder Jean-Louis Picard die leefde van 1920 tot 1924.’ Kijk, dat vind ik de perfecte grap. Als je dat grappig vindt, zit je op mijn planeet wat mijn humor betreft.’’

 

‘Als iemand zegt: zal ik eens een fantastische

mop vertellen, is het eigenlijk al gedaan.’

 

Brusselmans’ eigen kracht schuilt in de eigenzinnige toon van zijn proza en de gortdroge, soms wrange humor. De hoofdfiguur in zijn nieuwe roman is de schrijver Danny Muggepuut, een typisch brusselmansiaans karakter en allerminst een lachebekje. ,,Je moet van jezelf of van je hoofdpersonage nooit een lachebek maken. Als iemand zegt: zal ik eens een fantastische mop vertellen, is het eigenlijk al gedaan. Er zijn maar weinig mensen die een goede grap kunnen vertellen, een op honderd. Je moet terloops, met een soort koelheid grappig zijn. Niet van: jongens, kijk mij eens grappig zijn, nee, straks liep ik over straat en dan volgt er een mop die met een uitgestreken gezicht verteld wordt. Dat is mijn soort van humor.’’

In ‘Muggepuut’ wordt de hoofdpersoon door de plaatselijke krant uitgenodigd om te dineren met enkele fans. Via hen ontmoet hij een blinde fan, wiens broer komt spelen in Muggepuuts minivoetbalteam waarvan hij coach en voorzitter is. De gevolgen zijn desastreus. Het verhaal wordt knap uitgewerkt. Toch moet de roman het niet van zijn plot hebben.

,,De plot – dat geef ik eerlijk toe – is een hiaat in mijn talent. Je kunt op tien manieren talent hebben als schrijver of kunstenaar. Alleen de ware groten beheersen het hele gamma. Vandaar dat ik geen echte grote ben. Ik heb wel eens overwogen om een thriller te schrijven, waarbij je op het puntje van je stoel zit als lezer. Maar ik heb daar het talent niet voor.’’

,,W.F.Hermans kon een plot schrijven, Mulisch ook. Reve niet. Maar die had dan weer die allesverwoestende humor die Hermans in sommige van zijn boeken had. Humor heeft Mulisch dan weer niet, alle veelverkopende schrijvers missen die. Het komt heel weinig voor dat schrijvers al die talenten als plotontwikkeling, techniek, humor en stilistiek in zich verenigen.’’

 

‘De Meedogenloze Jongen was voor mij

in de jaren tachtig het Droommeisje.’

 

Brusselmans is sterk door Reve beïnvloed. ,,Ik ben altijd een reviaan geweest. De Meedogenloze Jongen was voor mij in de jaren tachtig het Droommeisje. Maar veronderstel dat ik Reve nooit had gelezen, zou ik dan ook een reviaan zijn? Zou ik dan schrijven als Reve? Waarschijnlijk wel, een aantal mensen kan los van elkaar, zonder elkaar te beïnvloeden, op hetzelfde pad zitten.”

,,Als ik ooit voortleef in de literatuur, zal dat waarschijnlijk met ‘De man die werk vond’ (1985) zijn, mijn derde boek. Dat is mijn kleine klassieker, zwaar beïnvloed door Reve. Van de Nederlandstalige schrijvers die gedebuteerd hebben in de jaren zestig en zeventig is een vrij hoog percentage door hem beïnvloed. Later Grunberg en Lanoye ook. Als je Reve leest en je houdt ervan, ben je verloren als schrijver, dan moet je echt uitkijken dat je hem niet teveel gaat nadoen.’’

Brusselmans, ‘de simpele veehandelaarszoon uit Hamme’, is een productief schrijver. ‘Muggepuut’ is pas uit, maar in het najaar staat alweer de volgende op stapel. Hij schrijft romans, treedt geregeld op, waarin hij zijn publiek vooral wil amuseren, en schrijft columns (Humo, Het Laatste Nieuws, Vara tv-magazine). ,,Vroeger was mijn bezigheid boeken schrijven en daarnaast een columnpje hier en ginder. Nu is het zowat omgekeerd. Met die columns ben ik continu bezig. Maar als men mij vraagt: wat ben je, dan zeg ik: ik ben een romanschrijver, geen columnist. Dat ben ik wel natuurlijk, maar als ik moet kiezen, ben ik een romanschrijver. Niet een toneelschrijver, hoewel ik toneel heb geschreven, evenmin een dichter, hoewel ik gedichten heb geschreven.’’

 

‘Ik vind mijzelf een beetje een boutade.

Ik speel in de top van de tweede klasse.’

 

Brusselmans hoofdfiguren, veelal zijn alter ego’s, zijn doorgaans eenzelvige figuren die door het bestaan struikelen. ,,Het zijn schlemielen ja, maar dat ben ik ook. Ik vind mijzelf een beetje een boutade. Ik speel in de top van de tweede klasse.’’ Doet de schrijver zichzelf daarmee niet tekort? ,,Nee, dat vind ik niet. Als mens is het precies eender. Ik ben niet zo uitzonderlijk in gezelschap. Ik vind mezelf wél een goeie echtgenoot voor mijn vrouw. Daarin speel ik in de eerste klasse, denk ik.’’

Gezien zijn protagonisten zou je dat niet verwachten; die houden immers van provoceren, ze zijn tegendraads, politiek incorrect, niet zelden vrouwonvriendelijk terwijl ze, inderdaad, vrouwen ook adoreren. ,,Met dat grove speel ik een spel, maar de liefde voor de vrouw, voor mijn vrouw, komt toch steeds in mijn boeken terug. Mijn vrouw is mijn godin, mijn muze. Voor de rest hobbel ik een beetje rond in het leven op een beetje schlemielachtige manier. Een man die niks echt goed kan, behalve misschien dat boeken schrijven in de top van de tweede klasse.’’

 

‘Mensen zitten alleen te wachten op

brood en biefstuk, want ze hebben honger.’

 

De oplages van zijn romans schommelen rond de 20.000 exemplaren, op dat aantal schat hij ook zijn trouwe lezers. ,,Ik verkoop meer boeken in Nederland dan Ronald Giphart in Vlaanderen. In Nederland heb je meer kans om met iets wat Vlaams is te scoren dan omgekeerd. Kluun verkoopt 600.000 boeken van ‘Komt een vrouw bij de dokter’. In Vlaanderen zijn daarvan 800 exemplaren verkocht. Grunberg doet het iets beter, maar die heeft dan ook een column in Humo.’’

Danny Muggepuut zegt ergens in de roman: ‘Ik schrijf alleen maar overbodige boeken.’ ,,Ja, zo is het. Mensen zitten alleen te wachten op hun brood en biefstuk, want ze hebben honger. Wie zit er op een boek te wachten? In mijn geval twintigduizend mensen die mijn boeken kopen en die misschien zeggen, hopelijk schrijft-ie er nog eens een. Ondertussen gaat het leven gewoon door. Die lezers zitten echt niet elke dag uit te kijken naar dat boek. Een boek is eigenlijk overbodig. Je kunt blij zijn dat het er is, maar je leven valt of staat er niet mee.’’

 

Herman Brusselmans: ‘Muggepuut’. 256 blz, uitgeverij Prometheus.

 

Maart, 2007

UA-37394075-1