Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Herman Brusselmans: ‘Ik word een oude zeur’

Herman Brusselmans is het beu. De ‘oppergod van de Vlaamse letteren’ verlangt na een bestaan in de schijnwerpers naar een leven in de anonimiteit. Na alle promotie voor zijn jongste roman ‘Mogelijke memoires’ treedt hij terug: ,,Ik begin mijzelf erop te betrappen dat ik een oude zeur word.”

 

In de loop van het gesprek, als na zijn nieuwe boek zo’n beetje van alles gepasseerd is – roem en anonimiteit, het verleidelijke monster dat technologie heet, eenzaamheid en wanhoop, de teloorgang van het geschreven woord en de ongeletterde jeugd, het prijzencircus en de ridiculisering van de literatuur – grijpt Herman Brusselmans (1957, Hamme) haast vertwijfeld naar zijn boek. ,,Dit boek! Dát telt. ‘Mogelijke memoires’. Koop het of koop het niet. Vertel het aan mekaar door dat het fantastisch is of vertel aan mekaar door dat het verschrikkelijk is!”

Het is een typerende uitspraak voor een schrijver die verguisd en verafgood is, beschimpt en geprezen. Een stilist en een oeuvrebouwer die al meer dan dertig jaar en ruim zeventig boeken verder op het oog doodgemoedereerd zijn eigen spoor trekt. Wie in zijn ‘Mogelijke memoires’ verwijlt, verkeert in een vertrouwd brusselmansiaans universum. Uiteraard valt er weer veel te lachen – een nieuwe Brusselmans stelt in dat opzicht zelden teleur. Er is weer veel meligheid, er volgen kostelijke belevenissen, zeker in de eerste dertien hoofdstukken over de jeugd van het alter ego van de schrijver. Maar, op de helft van het boek, volgt de omslag. Dan treedt de verteller van het verleden in het heden en volgen we, niet minder komisch maar steeds tragischer, de ‘belevenissen’ van een man die aan de demonen van de angst en wanhoop, weemoed en eenzaamheid probeert te ontsnappen.

 

,,Als je twee, drie jaar alleen leeft, ja, daar word je gek van, maar anderzijds verwordt het ook tot een routine die moeilijk valt te doorbreken.”

 

‘Mogelijke memoires’ begint met een negenjarig vroegwijs en betweterig, gevat en vervelend ventje, Herman Brusselmans geheten, dat we tot aan zijn zeventiende volgen. ,,Dat ettertje van een jongen, die puber, heeft continu mensen om zich heen”, zegt de schrijver, die met de hond Eddie aan zijn voeten de ene na de andere sigaret opsteekt in zijn appartement boven een café in het hart van Gent. ,,Hij heeft zijn familie. Hij heeft zijn ouders nog, zijn broer, zijn zus, een vriendin. Er zijn feesten. Ik had met die jongen kunnen doorgaan tot nu, maar op zeker moment had ik genoeg van dat verleden. Dat tweede deel, zeker naar het einde toe, gaat over pure eenzaamheid. Zijn vrouw is weg, hij heeft geen kinderen. Hij zit alleen. Hij heeft een kat en een hond in huis, maar ook dat werkt niet.”

De schrijver verwijst daarmee direct naar de omstandigheden waarin hij nu zelf verkeert. ,,Dat is het vreemde met alleen-zijn of eenzaamheid in het leven. Je kunt alles zelf bepalen, wat in relaties vaak het punt is, hè. Ik ben wel graag bij jou, zeg je tegen de ander, maar je bepaalt teveel mijn leven, want ik wil ook wat vrijheid in mijn leven. Dat is ook waarom mijn vrouw Tania is weggegaan. Die twee-eenheid van een relatie kon zij niet meer aan. Als je twee, drie jaar alleen leeft, ja, daar word je gek van, maar anderzijds verwordt het ook tot een routine die moeilijk valt te doorbreken.”

 

,,De roman is dood, de roman wordt al eeuwenlang niet meer vernieuwd. Dat kan ook niet, want alles is al gedaan, maar ik probeer op mijn manier daar wel iets mee te doen.”

 

Het boek is één groot spel, een spel van schijn en werkelijkheid, een spel met motieven en genres, personages en namen, situaties en herinneringen. Het zit vol paradoxen en uitersten. ,,Ik heb eerder in verschillende boeken wat gespeeld met de vorm van de roman. Ik schrijf geen rechtlijnige romans met een verhaal, een begin en een eind en een paar hoofdpersonages. Dat zijn de boeken die het meeste succes hebben, maar mij interesseert dat helemaal niet. De roman is dood, de roman wordt al eeuwenlang niet meer vernieuwd. Dat kan ook niet, want alles is al gedaan, maar ik probeer op mijn manier daar wel iets mee te doen.”

Hij schrijft, opnieuw, over zijn familie, zijn geboortedorp Hamme, en richt terloops een monumentje op voor zijn moeder. (‘M’n moeder is de engel van de zachtheid, van alles wat zacht is en lief, van alles wat zacht is en lief en helend, en zonder m’n dode moeder zou ik veel zieker zijn dan ik ben.’) Al het werk van Brusselmans is autobiografisch, maar daarmee moet je oppassen, omdat schijn en werkelijkheid bij hem voortdurend door elkaar heenlopen. ,,Memoires zijn herinneringen. Maar iedere herinnering is een mogelijke herinnering, want de kans bestaat dat die herinnering niet echt is, niet echt gebeurd is of in een verkeerd tijdsgewricht geplaatst. Eigenlijk bestaat het verleden niet, hè? Wat we gisteren meemaakten is weg, compleet weg. Wat erover blijft zijn herinneringen. Mensen zijn weg, mijn ouders zijn dood. Ik kan hen alleen herinneren, op duizend verschillende manieren. Vandaar ‘Mogelijke memoires’. Memoires alleen als titel zou ik nooit gebruiken, want memoires bestaan niet. Ik geloof niet in boeken, bijvoorbeeld van politici, die aan het eind van hun carrière schrijven wat ze op die en die dag zouden hebben gezegd of gedaan. Dagboeken vormen weer een ander genre, maar dit zijn mogelijke memoires op honderden manieren.”

Brusselmans leest zelf graag biografieën. In het boek stelt de hoofdpersoon het lezen van een biografie van Goebbels, Hitlers propagandaminister, telkens uit. Hij pakt liever eerst iets luchtigs, zoals de wielerverhalen van Wilfried de Jong. ,,Het is eigenlijk de schrik te hebben van verdiept te zijn in een leven. Ook in mijn eigen leven. Vandaar al die uitweidingen.”

 

,,Ik probeer natuurlijk ongelooflijk bescheiden te blijven en niet aan pretentie of arrogantie te doen. Ik spreek het meestal ook niet uit, maar ik kijk wel op van wat uiteindelijk wel vaak de shortlisten haalt.”

 

Als geen ander weet Brusselmans aan zijn lezers de lach te ontlokken. ,,Ja, dat is een middel”, zegt de schrijver, nog altijd voorzien van zijn karakteristieke lange manen. ,,Als je kijkt naar de boeken die bekroond worden of op een shortlist staan van literaire prijzen, valt het op dat dit soort boeken er nooit op staat. Ik stond op de longlist van de Gouden Uil, niet op de shortlist. Daar sta ik uiteraard weer niet bij.”

Steekt dat? ,,Een shortlist heb ik nog nooit gehaald. Op een longlist staat iedereen. Dus daar kijk ik niet van op. Ik probeer natuurlijk ongelooflijk bescheiden te blijven en niet aan pretentie of arrogantie te doen. Ik spreek het meestal ook niet uit, maar ik kijk wel op van wat uiteindelijk wel vaak de shortlisten haalt. Ja, je bent er evengoed wel mee bezig. Krijg ik weer een telefoontje, wordt me gevraagd wat ik ervan vind dat ik er weer niet bij ben.”

Volgens hem komen negatieve of positieve kritieken op hetzelfde neer. ,,Over de negatieve moet je niet echt wakker liggen, maar bij de positieve moet je ook niet juichend gaan rondlopen. Ik vind het mooi als iemand een fan is van mijn werk of als een criticus schrijft dat Brusselmans maar eens de staatsprijs voor literatuur moet krijgen. Dat wordt hier en daar opgepikt, maar het resultaat is dat ik bij de eerstvolgende drie prijsuitreikingen er weer niet bij ben.”

 

,,Ik heb het daarmee wel gehad. De bekendheid staat niet meer in verhouding tot waarmee ik bezig ben.”

 

Koketteerde hij vroeger, met ironische knipoog, met zijn al dan niet zelfverklaarde reputatie als Beroemde Schrijver, in ‘Mogelijke memoires’ wordt de schrijver nauwelijks nog herkend. Het is iets waar Brusselmans zelf intussen naar hunkert: naar een leven in de luwte. ,,Dat is waar ik naartoe wil. Ik ben dertig jaar bezig, ik ben niet dertig jaar beroemd, maar toch wel twintig. In 1991, toen ik tien jaar schrijver was, was ik heel beroemd, in Vlaanderen althans. Ik ben natuurlijk Michael Jackson niet, maar in Vlaanderen, een stukje Nederland, in Gent, mijn eigen buurt, ben ik een bekend iemand. Ik heb het daarmee wel gehad. De bekendheid staat niet meer in verhouding tot waarmee ik bezig ben.”

Seksleven

In het tv-programma De wereld draait door vertelde hij vorig najaar over zijn seksleven, over beffen en impotentie, onverbloemd, zoals van hem verwacht wordt. Zijn optreden lokte veel reacties uit. ,,De aanleiding om mij uit te nodigen is altijd wel een nieuw boek, maar over dat boek wordt niet gepraat. Die mensen zijn ook helemaal niet geïnteresseerd in een boek. Ik heb het spel altijd meegespeeld, maar op den duur besef je: ik ben gewoon een pionnetje uit een grote doos. Er is een ongelooflijke arrogantie in al die televisiemensen geslopen. Jij als gast bent niet meer belangrijk. Je mag blij zijn dat je mag aanschuiven. Ik ben zo bescheiden als de pest, maar een beetje meer respect aub.”

 

,,Het punt is dat ik helemaal niet meer word opgevoerd als schrijver van een leuk, goed boek, nee, hij heeft een boek, dus vragen wij hem om wat geks te doen, leuk te doen.”

 

Is dat niet ontmoedigend? ,,Dat wil ik wel eens vermijden ja. Vandaar die zucht naar anonimiteit. Laat mij gewoon mijn columns schrijven, eens een literair optreden hier en daar doen en om de vier jaar een roman publiceren. Ik heb vanaf mijn vijfentwintigste tot en met mijn vijfenvijftigste voluit meegedaan aan het literaire circus. Als je jong bent vinden ze het allemaal fantastisch, geen prijzen winnen, een cultfiguur zijn, jonge meisjes en zo voort. Ik ben op het punt gekomen dat ik denk, ik doe niet meer mee. Ik maak nu promotie voor dit boek, mijn volgende boek is alweer klaar, dat komt in september uit. Nu stop ik voor een tijd. Niet vanwege de druk. Ik heb zin om te schrijven, ik moet me nu zelfs inhouden. Het punt is dat ik helemaal niet meer word opgevoerd als schrijver van een leuk, goed boek, nee, hij heeft een boek, dus vragen wij hem om wat geks te doen, leuk te doen.”

Jeugd

Wat hem misschien nog meer zorgen baart is de ‘teloorgang van het geschreven woord’. ,,De jeugd leest niet meer of is niet of nauwelijks geïnteresseerd in boeken. Het jonge publiek zijn we kwijt. Ik heb wel geregeld contact met jonge mensen, dan bedoel ik die in de leeftijd van zestien tot vijfentwintig jaar. Voor hen is een boek, zo een als dat van mij, iets van vroeger, iets van hun ouders. Ik dacht in mijn jonge jaren dat het onderwijs, met name dat over Nederlandse literatuur niks voorstelde, maar eeuwen later stelt het nog minder voor. Laatst sprak ik een barman van twintig die refereerde aan een artikeltje in de krant over mij, wat niks met mijn boek te maken had. Ik vroeg aan die jongen: ‘Lees jij?’ ‘Nee,’ zei hij. Ik zei: ‘Op de middelbare school heb jij toch moeten lezen?’ ‘Welnee,’ zei hij, ‘we namen van Google een boekbespreking over. En die leraar zei, laat maar passeren’.”

 

,,Ik ben ongelooflijk trouw. Trouw aan mijn vrouw, trouw aan mijn hond, trouw aan mijn huis, trouw aan mijn stad, trouw aan mijn uitgever, trouw aan mijn redacteur. En iedereen loopt weg.”

 

,,En kijk eens naar de oplages van kranten en tijdschriften – ze dalen al jaren of bladen gaan failliet. Nieuwe redacties moeten vernieuwen, want het moet beter, we moeten in oplage stijgen, maar het kan niet. Je mag een artikel schrijven over wat de jeugd bezighoudt, maar de jeugd leest dat niet. De jeugd wil de grens van de sensatie verleggen. Ik neem jonge mensen niks kwalijk, ze zijn daarin geboren. Mobiele telefoon was voor mij iets nieuws. Voor hen niet. Er zijn duizenden modellen. En als ze geen toestel hebben, worden ze uitgescholden en beschouwd als marginaal. Er zijn altijd verschillen geweest tussen de generaties. Maar het verschil tussen mijn generatie en de jeugd van nu is groter dan de verschillen tussen mijn ouders en mijn generatie.”

Is hij niet te pessimistisch? ,,Zeker, absoluut. Maar bewijs mij het tegendeel. Ik ben ongelooflijk trouw. Trouw aan mijn vrouw, trouw aan mijn hond, trouw aan mijn huis, trouw aan mijn stad, trouw aan mijn uitgever, trouw aan mijn redacteur. Maar dat kan niet meer. Iedereen loopt weg.” Een brede grijns glijdt over zijn gezicht. ,,Ik begin mijzelf erop te betrappen dat ik een oude zeur word. De oude zeur. Toen ik vijfentwintig was, dacht ik: ik word nóóit een oude zeur zoals mijn vader. Maar zeker in deze tijd kan je niet anders dan een oude zeur worden.”

 

,,Ik ben een soort van vrijgezel, dus ik date met jonge meisjes, ik val nogal op jonge types, twintigers zijn daarbij.”

 

,,Ik ben een soort van vrijgezel, dus ik date met jonge meisjes, ik val nogal op jonge types, twintigers zijn daarbij. Die weten niks. Noem vijf nazikopstukken! Bij Hitler houdt het bij hen op. The Beatles? Kennen ze niet. Zeggen ze vlak in je gezicht, tegen een vent van 55: ‘Als ik ooit zou willen weten wat een Beatle is, maar dat wil ik niet, maar als ik het ooit zou willen weten, dan googel ik het wel’.”

Hij schudt het moede hoofd. ,,Geschiedenis is ongelooflijk belangrijk. Het is toch leuk om te weten wat er gebeurde in de tijd van je ouders en je grootouders en daarvoor? Vroeger moesten de kinderen zich aanpassen aan de ouders. Nu is het omgekeerd. Nu zie je vijftigjarige mannen met oorringetjes die met hun kinderen meegaan om naar hiphop te luisteren.”

,,Het enige woord dat vaak opduikt in een gesprek met jonge mensen is ik. Ik dit en ik dat, ik ga dit en ik ga dat. Ik wil alles en ik wil het nu. Maar laten we vooral jonge mensen niets kwalijk nemen. Natuurlijk, ze bestaan nog, jonge mensen die boeken lezen en die hun eigen plan trekken, maar je kunt toch wel spreken van een tendens. De technologie maakt alles kapot. Door Facebook denken ze: waarom zou ik een boek lezen en schrijven? En die technologie staat nooit ‘ns een jaartje stil. Als je nu iets koopt is het eigenlijk al verouderd.”

 

Herman Brusselmans: ‘Mogelijke memoires’, 352 blz., uitgeverij Prometheus.

 

Maart, 2013

In een verkorte versie eerder gepubliceerd in de kranten van De Persdienst.

UA-37394075-1