Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

‘Het Bureau’ van J.J.Voskuil: een goede soap houdt nooit op

Het zouden er 5500 bladzijden worden. Het werden er 5034 om precies te zijn, en met het satellietboek, het ‘tussendoortje’ ‘De moeder van Nicolien’ erbij, 5221. Het zevende en laatste deel van Voskuils opus magnum Het Bureau, ‘De dood van Maarten Koning’, verschenen in november 2000, is verreweg het dunste deel. Het verscheen wel in een eerste oplage van 35.000 exemplaren.

 

Een goede soap, wordt wel eens beweerd, houdt nooit op. Maar Het Bureau, de spraakmakende literaire kantoorsoap van J.J. (Han) Voskuil (1926), heeft nu wél zijn ontknoping gekregen. Verrassend is die ontknoping trouwens niet, al zou het flauw zijn om die hier te verklappen. Verrassend is wél het uiterlijk van het boek, dat afwijkt van de vorige zes delen. Het omslag is rouwzwart (met tinten groen en paars), toepasselijk voor een kroniek met de titel waarin de dood van de hoofdpersoon wordt aangekondigd. Het Bureau 7 is bovendien niet in dundruk gezet, maar op dikker papier met een groter letterkorps. Om enigszins te verdoezelen dat ‘De dood van Maarten Koning’ – en misschien is dat nog het meest verrassend – voor ‘een Voskuil’ zo verontrustend dun is uitgevallen? Het telt ‘slechts’ 226 pagina’s, de omvang van een modale roman, terwijl de delen drie en vier bijvoorbeeld bijna duizend pagina’s besloegen. Dat zijn we niet gewend van deze schrijver. De koek is nu blijkbaar echt op.

De inhoud van ‘De dood van Maarten Koning’ is wel vertrouwd. Maarten Koning, Voskuils alter ego, is met de vut en probeert zijn nadagen niet al te onzinnig te vullen. Dat valt niet mee, hij heeft afscheid genomen van iets waarvan hij eigenlijk (nog) geen afstand kan doen. Op Het Bureau, waar hij af en toe nog wel eens aan komt waaien (tot zijn verbazing met dezelfde spanning in zijn lijf als voorheen), choqueert het hem dat hij er helemaal niet meer bijhoort. Thuis kan hij evenmin zijn draai vinden, hij loopt Nicolien voor de voeten (‘Ik was zo gelukkig in mijn eentje!’ roept ze meermalen uit), en beseft dat het kantoor zijn leven was. Hij is nu echt aan zijn laatste levensfase begonnen. Hij riskeert zijn leven voor een jonge ekster, hij rommelt wat om huis, doodt de tijd met fietsen, wandelen, schrijven (overtikken van zijn dagboeken), in de hoop zo ‘mijn pensioen door te komen’. In ‘De dood van Maarten Koning’ gebeurt veel van hetzelfde. Er gebeurt in elk geval lang niet zoveel als in het propvolle vorige deel, ‘Afgang’, waarin de dood een veel prominentere rol speelt dan in dit slotakkoord met de dood in de titel.

 

Zelden maakte een boek zoveel reacties los.

 

En zo hebben we Het Bureau nu compleet, het omvangrijkste boek uit de vaderlandse literatuurgeschiedenis, dat de afgelopen jaren als geen ander het literaire debat in Nederland bepaalde. Hoogste tijd dus om de balans op te maken van een van de spraakmakendste boeken van de laatste decennia. Want zelden maakte een boek zoveel reacties los. Zo werden talloze publicaties in kranten tijdschriften gewijd aan de vraag of het moreel en literair wel aanvaardbaar was om bestaande mensen zo herkenbaar te portretteren als Voskuil doet in Het Bureau, dat is gemodelleerd naar het P.J.Meertens Instituut te Amsterdam, waar Voskuil dertig jaar lang werkte.

Voskuil is inderdaad genadeloos voor zijn personages, maar, en dat maakt Koning alias Voskuil zo innemend, zichzelf spaart hij evenmin, sterker, voor zijn maatschappelijk zo geslaagde maar sociaal onaangepaste alter ego is hij nog veel meedogenlozer, evenals voor zijn principiële en soms stuitend drammerige eega Nicolien.

 

Het lezen van Het Bureau is als het graaien in een zak drop, als je er eenmaal aan begint, kun je niet meer stoppen.

 

Van meet af aan heeft Het Bureau de lezers in twee kampen verdeeld. De een zweert erbij, de ander gruwt ervan. En het is waar, het proza is vaak gortdroog, soms slaapverwekkend saai en taai, soms hilarisch en geestig, maar voor het literaire spel ben je bij Voskuil aan het verkeerde adres. Het lezen van dit boek is als het graaien in een zak drop, als je er eenmaal aan begint, kun je niet meer stoppen. Tegelijk zijn er prachtige passages – vooral in de eerste twee delen en het voorlaatste – die in hun nuchtere en zakelijke toon een geladenheid, een spanning hebben die neigt naar het beste van wat we op dit gebied kennen, dat van Elsschot en Hotz.

 

Op een terras in Edam ‘ergerde hij zich aan oude mannen en vrouwen in te jeugdige, te nieuwe, te goed gewassen sportieve kleding, die te soepel om hun stramme leden hing. Hij ergerde zich ook aan vrouwen achter het stuur en aan jongens met een staartje in de nek die met veel bravoure in te dure of te grote auto’s langsragden en aan de bloemist die in te dure Mercedes voorreed’.

 

De personages zouden geen enkele ontwikkeling doormaken, luidt een andere kritiek. Hoezo? Wie dat beweert, heeft slecht of niet (goed) gelezen. Neem Maarten Koning. Hij wordt met het verstrijken van de tijd geen mild oud baasje, in tegendeel, hij windt zich steeds meer op, hij geeft steeds vaker lucht aan zijn mensenhaat. Ook in ‘De dood van Maarten Koning’ is dat weer het geval. Op een terras in Edam ‘ergerde hij zich aan oude mannen en vrouwen in te jeugdige, te nieuwe, te goed gewassen sportieve kleding, die te soepel om hun stramme leden hing. Hij ergerde zich ook aan vrouwen achter het stuur en aan jongens met een staartje in de nek die met veel bravoure in te dure of te grote auto’s langsragden en aan de bloemist die in te dure Mercedes voorreed’. Wat nu? Is dit nu het notulisten- of boekhoudersproza waarmee Voskuil-haters hun gelijk proberen te halen?

Een onverzettelijke pietlut

Als er iemand is die niet of nauwelijks enige ontwikkeling doormaakt zijn het niet de stoet medewerkers van Het Bureau maar is het wel Konings vrouw Nicolien. In de dertig jaar dat haar man met zijn collega’s op Het Bureau onderzoek deed naar de meest onbeduidende wetenswaardigheden, bestierde zij het huishouden. In al die jaren is zij dezelfde onverzettelijke pietlut gebleven die ondanks haar soms tenenkrommende meninkjes toch vaak voor de meest absurde scènes weet te zorgen. Het wonderlijke is dat deze vrouw die in het begin zo progressief lijkt dertig jaar later juist de conservatiefste van het stel blijkt te zijn.

 

De herkenning is er tegelijk de zwakte en charme van, en soms, op zijn beste momenten, werkt het als een spiegel waarin de lach soms een pijnlijke is.

 

Wat is het geheim van het succes van dit oer-Hollands realisme? Op Het Bureau werken cultuursociologen aan onderzoeken en bestuderen bronnen om de volkscultuur in de breedste zin des woord vast te leggen, van de geschiedenis van pakweg het witbrood en roggebrood tot de kerstboom in de negentiende eeuw als afspiegeling van de veranderende opvattingen over godsdienst en gezin. Het is een oer-Hollands kantoor, dat iedereen wel (her)kent, ook al heb je er nooit gewerkt, waar het leven kleurloos, grijs en zelden avontuurlijk is. Die herkenning is er tegelijk de zwakte en charme van, en soms, op zijn beste momenten, werkt het als een spiegel waarin de lach soms een pijnlijke is.

Het belang van het boek zit ‘m tevens in het tijdsbeeld dat het geeft, vergelijkbaar met ‘De tandeloze tijd’, de romancyclus van A.F.Th. van der Heijden die grofweg dezelfde periode uitvergroot. Maar laat ‘De tandeloze tijd’ vooral het leven in de breedte zien, Het Bureau toont er het kleine, het alledaagse van.

Meeliften op het succes

Tegelijk met ‘De dood van Maarten Koning’ is een serie boeken verschenen dat meelift op het succes dat uitgeverij G.A.van Oorschot niet of nauwelijks had kunnen voorzien toen ze vijf jaar geleden de moed had dit ambitieuze project te publiceren.

Wie niets moet hebben van Voskuil, negeert zijn boeken. Bij literatuurcritici ligt dit minder eenvoudig, of ze willen of niet, ze kunnen er niet omheen. Arjan Peters (de Volkskrant), bewonderaar van Het Bureau, stelde ‘Nog even een ommetje’ samen, een bundel beschouwingen van Voskuil-adepten als Elsbeth Etty en Jan Fontijn, dankzij wie Voskuils debuutroman ‘Bij nader inzien (1207 pagina’s) twintig jaar geleden aan een tweede leven kon beginnen. Maar, gelukkig, ook een Voskuil-hater komt aan het woord, Xandra Schutte, hoofdredacteur van Vrij Nederland, die een zucht van verlichting slaakte toen ze, als beroepslezer, eindelijk het deel uit had dat ze beroepshalve moest doorworstelen.

Voskuil-verslaafden konden al eerder pelgrimages maken naar het P.J.Meertensinstituut. Nu is er ook een boekje verschenen, ‘Wat doe jij in mijn stad?’, waarin Onno-Sven Tromp de wandelende lezer of de lezende wandelaar als gids voorgaat door het Amsterdam van J.J.Voskuil. En tenslotte stelde Voskuil zelf het curieuze boekje ‘Ingang tot Het Bureau van J.J.Voskuil’ samen, waarin de inhoud van Het Bureau in zo’n honderd bladzijden wordt samengevat. Voor wie een deeltje heeft gemist of voor een luie lezer?

 

J.J. Voskuil: ‘De dood van Maarten Koning’, Het Bureau, deel 7, 226 blz. J.J. Voskuil: ‘Ingang tot Het Bureau van J.J. Voskuil’. Arjan Peters (samenstelling en inleiding): ‘Nog even een ommetje. Beschouwingen over Het Bureau van J.J. Voskuil’. 248 blz. Alle uitgaven: G.A. van Oorschot. Onno-Sven Tromp: ‘Wat doe jij in mijn stad? Een literaire wandeling door het Amsterdam van J.J.Voskuil’, 109 pag, uitgeverij Bas Lubberhuizen.

 

November, 2000

UA-37394075-1