Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Het duizelingwekkende labyrint van Jorge Luis Borges

Jorge Luis Borges (1899-1986), wiens proza en poëzie in Nederlandse vertaling beschikbaar is, was een ‘eeuwige’ Nobelprijskandidaat. Vriend en vijand waren het erover eens dat de Argentijnse schrijver, die volgens velen zijn gelijke niet kent in de Spaans-Amerikaanse literatuur en van grote invloed is geweest op de moderne westerse literatuur, die prijs had moeten krijgen.

 

Maar de hooggeleerde dames en heren van de Zweedse academie beslisten anders. Wensten zij louter politiek correcte schrijvers te bekronen? En geen reactionair figuur die – in de jaren zeventig van de vorige eeuw – zich een bezoek aan een dictator verstoutte, in Borges’ geval de Chileense generaal Pinochet, en het militaire bewind in eigen land steunde?

 

Wat bezielde Borges? Wat dreef de grote schrijver die in de jaren dertig toch als een van de eerste Argentijnse intellectuelen het nazisme had veroordeeld? Vermoedelijk was zijn bezoek aan Chili domme ijdelheid – ook een hooggeleerd heerschap als Borges was niets menselijk vreemds.

 

Voor zijn coulante houding jegens de Argentijnse coupplegers was, hoewel niet goed te praten, meer begrip op te brengen. De militairen namen namelijk het bewind over van de peronisten, Borges’ aartsrivalen die hem wegens zijn ongezouten kritiek op dictator Perón jarenlang het leven zuur hadden gemaakt. (Borges werd voortdurend geschaduwd door een geheim agent, tot, zo wil het verhaal, de blinde Borges de agent op een dag vroeg hem een arm te geven omdat hij wilde oversteken. Sindsdien liep het duo onderhoudend converserend zij aan zij over straat.) Borges, door de ‘dwaze moeders’ van de Plaza de Mayo tot inkeer gebracht, betoonde spijt, nog tijdens de dictatuur. Maar eens fout altijd fout. Borges’ lot was bezegeld.

 

DE BLINDE KAMERGELEERDE DIE ALLES ZAG

De nog net in de negentiende eeuw geboren Borges, die zichzelf allerminst een bijzonder schrijver achtte maar tot op de dag van vandaag lezers en auteurs inspireert, was een kamergeleerde in de ouderwetse betekenis van het woord. Maar hij was allesbehalve stoffig of saai. Hij moet ook een begenadigd causeur zijn geweest, die in gezelschap geestig en onderhoudend kon zijn. Tussen en met zijn boeken was hij in zijn element. Literatuur was dé zin van zijn leven. Meer had hij niet nodig. Hij las altíjd.

 

Zo was hij eens al wandelend zo verdiept in de ‘Vertellingen van duizend-en-een-nacht’, een van zijn lievelingsboeken waarover hij ook niet uitgeschreven raakte, dat hij tegen een openstaand raam liep. Hij bezeerde zich daarbij zo lelijk dat hij een ijlkoorts opliep en dacht dat hij gek zou worden. En als hij niet las, wat hij vrijwel altijd deed (toen zijn gezichtsvermogen te zwak was geworden liet hij zich voorlezen), schreef hij.

 

EEN AVONTUUR VOOR DE GEEST

Hij schreef een bescheiden maar groots oeuvre bij elkaar. Zijn eigen werk, dat voordien hapsnap in het Nederlands vertaald is maar nu eindelijk in het verzameld werk de plaats heeft gekregen die het verdient, is zoals Borges zichzelf het lezen voorstelde: een avontuur voor de geest. Hij schreef een ontzagwekkend labyrint bijeen vol paradoxen, mysteries en mystificaties, waarin je je herhaaldelijk afvraagt of het schijn of werkelijkheid is, of de meester je een ‘waar’ of een fictief verhaal vertelt, een verzonnen of bestaand personage opvoert. Elk verhaal, elk essay, elk gedicht op zich biedt een weids panorama, voert de lezer mee op een duizelingwekkende tocht door een doolhof waarin je onherroepelijk verdwaalt maar waaruit je uiteindelijk rijker tevoorschijn komt.

 

Hij schreef geen romans, maar daar was hij de schrijver ook niet voor. Hij was een filosofisch verteller die grote romanpersonages tot leven kon wekken, emotioneel blijven zijn personages aan de oppervlakte, wat in het bestek van een kort verhaal geen beletsel hoeft te zijn. De diepgang zit ‘m bij Borges in het inzicht dat hij probeert te verschaffen. Borges prikkelt niet zozeer het hart als wel de rede.

 

GEORGIE’, ZEI ZIJN MOEDER, ‘IK WEET HOE HET AFLOOPT.’

De liefde voor lezen, voor de literatuur kreeg Borges van huis mee. Zijn vader spoorde hem aan zijn leven aan de literatuur te wijden, na diens dood was zijn hoogbejaarde moeder zijn steun en toeverlaat; meermalen verloste zij hem van een writer’s block. Het verhaal gaat dat een wanhopige Borges maar geen slot kon breien aan het einde van het verhaal ‘De indringster’ over twee broers die dezelfde vrouw beminnen. Zijn moeder hielp hem op een goede ochtend uit de brand: ‘Georgie’, zei ze, ‘ik weet hoe het afloopt. De een zegt tegen de ander: ‘Aan het werk broer. Later zullen de gieren ons helpen. Ik heb haar vandaag gedood.’

 

In totaal was Borges ruim vijfendertig jaar van zijn leven slechtziend of vrijwel blind. Het ging geleidelijk aan. Hij was totaal blind aan het ene, gedeeltelijk aan het andere. Maar hij zag alles. De hele wereldliteratuur kende hij, waarvan hij nu zelf deel uitmaakt, had hij in zijn hoofd opgeslagen. Hij was weliswaar blind, maar het kon altijd nog erger, vond hij zelf:

 

De wereld van een blinde is niet de nacht die de mensen veronderstellen. Ik spreek in ieder geval namens mijzelf en namens mijn vader en grootmoeder, die blind zijn gestorven; blind, glimlachend en moedig, zoals ik ook hoop te sterven. Men erft vele dingen (blindheid, bij voorbeeld), maar moed erft men niet. Ik weet dat zij dapper waren,’ schrijft hij in zijn essay ‘Blindheid’ uit 1977.

 

Hij liet zich, nadat hij blind was geworden, voorlezen. De Canadees-Argentijnse schrijver Alberto Manguel was, om als student wat bij te verdienen, jarenlang voorlezer van de oude en vrijwel blinde meester. In zijn monumentale studie ‘Een geschiedenis van het lezen’ haalt Manguel herinneringen aan Borges op:

 

In de zitkamer, onder een gravure van Piranesi van cirkelvormige Romeinse ruïnes, las ik Kipling voor, Stevenson, Henry James, verscheidene artikelen uit de Duitse Bockhaus-encyclopedie, verzen van Marino, van Enrique Banchs, van Heine (maar die laatste kende hij uit zijn hoofd, dus hoefde ik alleen maar de eerste woorden te zeggen, en dan ging zijn aarzelende stem verder en reciteerde uit het geheugen: de aarzeling zat alleen in de cadans, niet in de woorden zelf, want die herinnerde hij feilloos). Ik ontdekte teksten door ze hardop voor te lezen, terwijl Borges zijn oren gebruikte zoals andere lezers hun ogen gebruiken, om de pagina af te zoeken naar een woord, een zin, een alinea die een herinnering zou bevestigen. Terwijl ik voorlas, onderbrak hij me, met commentaar op de tekst, teneinde deze in zijn geheugen op te slaan.’

 

Je ziet de blinde oude man voor je, de buitengewoon belezen toehoorder, die luistert naar de voorgelezen tekst en onderwijl de voorgelezen tekst becommentarieert en analyseert, bewondert en bekritiseert, hier en daar een erudiete terzijde plaatst. Maar, zoals Manguel beklemtoont, dat deed hij niet op een hinderlijke manier, juist ‘heel geestig, soms wreed, bijna altijd onmisbaar’.

 

EEN HOOFD ALS EEN BIBLIOTHEEK

Borges’ hoofd was een bibliotheek waarin hij de hele wereld afreisde. Hij kende de wereldliteratuur uit zijn hoofd, de oude Grieken en Romeinen, Shakespeare en Dante net zo makkelijk als Hawthorne, Chesterton, Wilde of Joyce. In zijn werk, waarin hij zich adembenemend erudiet betoont, stilistisch begaafd is en blijk geeft van een tomeloze verbeelding, viel alle tijd en ruimte was.

 

Dat hij meer dan verheugd was toen hij werd aangesteld als directeur van de Nationale Bibliotheek in Buenos Aires zegt genoeg. In een van zijn beroemdste fantastische verhalen, ‘De Bibliotheek van Babel’, stelt Borges zich een bibliotheek voor als het universum zelf, waarin geen twee boeken identiek zijn, elk bestaand of voorstelbaar boek vertegenwoordigd is, waarin alles een plaats heeft en gedefinieerd wordt. Maar dat is nog niet alles. De verteller – net als Borges zelf bibliothecaris – verbeeldt zich bovendien dat deze immense bibliotheek zelf weer deel uitmaakt van andere bibliotheken, van een oneindige verzameling boeken. De gedachte alleen al vervult de verteller, waarin we de schrijver herkennen, met welhaast kinderlijke vreugde: ‘In mijn eenzaamheid ben ik blij met die elegante hoop.’

 

DE ALEPH EN HET UNIVERSUM

Het beeld van een universum waarin alles zich eindeloos weerspiegelt, is een belangrijk thema in Borges’ werk. In het schitterende ‘De Aleph’, titelverhaal van de gelijknamige bundel, ziet een man in een kelder te Buenos Aires in een ‘kleine van kleur verwisselende bol met een bijna ondraaglijke gloed’ in een oogwenk de hele wereld, de hele kosmische ruimte gevangen. Heden, verleden en toekomst, al het kwaad en goed, ziek en gezond, mooi en lelijk, overal ter wereld, het heelal, in één ogenblik samengebald.

 

‘De Aleph’ is met de bundels ‘Wereldschandkroniek’ en ‘Fantastische vertellingen’ terug te vinden in het eerste van vier delen verzameld werk, prachtig uitgegeven door De Bezige Bij. Het tweede deel bevat vijf verhalenbundels in een deels herziene vertaling van Borgeskenner Barber van de Pol. Het derde deel bevat het essayistisch werk, de bundels ‘De geschiedenis van de eeuwigheid’, ‘De cultus van het boek’ en ‘Zeven avonden’. Het vierde deel bevat zijn gedichten, het genre waarin Borges zich misschien het meest blootgeeft, tenzij het over de liefde gaat, juist dan houdt hij zich op de vlakte.

 

Borges, die volgens de overlevering een gematigd (liefdes)leven had, maar wat is ‘gematigd’, trouwde vlak voor zijn dood nog met Maria Kodama, de vrouw met wie hij sinds 1975 intensief optrok. In het Zwitserse Genève, waar hij enkele gelukkige jeugdjaren had beleefd, ligt Borges begraven, ver van zijn vaderland.

 

Het verzameld werk van Jorge Luis Borges, vertaald en van nawoord voorzien door Barber van de Pol, uitgeverij De Bezige Bij.

 

Maart, 1999      

UA-37394075-1