Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Het ontregelende, vervreemdende toneel van Wanda Reisel

Wie leest er nog toneel? Weinigen, en dat is jammer, want de toneelstukken van Wanda Reisel (1955) maken niet alleen indruk in het theater, ook op papier blijven ze glansrijk overeind.

Telkens weer Adam, Eva en de slang’

,,Dat hoor ik van meer mensen’’, zegt Wanda Reisel, wier toneelwerk in 2007 werd verzameld in ‘Tien stuks’, in haar appartement te Amsterdam vanwaar ze een weids uitzicht heeft over de IJ-havens. ,,Ik krijg allerlei verraste reacties met: goh, je stukken zijn eigenlijk heel goed en gemakkelijk te lezen. En dat doet me deugd. Natuurlijk, want tegenwoordig wordt er in tegenstelling tot vroeger nog maar weinig toneel gelezen.’’

En dat ligt niet alleen aan de lezer. Uitgeverijen publiceren nog maar zelden of mondjesmaat toneelstukken, hoeveel kwalitatief sterk en oorspronkelijk nieuw Nederlands toneelrepertoire er ook wordt geschreven en met succes is opgevoerd. ,,Qua verkoopaantallen is toneel vergelijkbaar met poëzie. Uitgeverijen zijn er uit commercieel oogpunt niet zo in geïnteresseerd. Het gebeurt incidenteel, misschien de laatste tijd weer iets meer dan enkele jaren geleden. De vorige directeur van Querido, mijn uitgeverij, wilde er niet aan, maar de huidige zei: Wanda’s toneelwerk is onderdeel van haar gehele oeuvre en dat verdient het om te worden uitgegeven.’’

Wanda Reisel schrijft al meer dan een kwart eeuw toneel, hoewel ze meer bekendheid geniet als romancière. Ze publiceerde goed ontvangen romans als ‘Baby Storm’ (1996), ‘Een man een man’ (2000), die werden genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs, en ‘Witte liefde’ (2004) die kandidaat was voor de AKO Literatuur Prijs. Dwingend proza waarin het achter de schone schijn onderhuids schrijnt. Maar haar carrière als schrijver begon in het theater. ,,Theater trok me als kind al. Ik had een poppenkast en marionetten, maakte thuis toneelstukjes, ik regisseerde mijn kleine broertje en zusje. Het was een wereld die me beviel, maar ik heb er nooit aan gedacht om daarvan mijn werk te maken. Ik wilde geen acteur worden, ik wilde wél de touwtjes in handen hebben. Daar hebben mijn broertje en zusje’’, zegt ze met milde spot, ,,zeer onder geleden; zij kregen met de knoet!’’

 

‘Ik ben als schrijver iemand die zich

heel erg laat meeslepen door beeld.’

 

Reisel studeerde een blauwe maandag geschiedenis, daarna stapte ze over op de regie-opleiding. ,,Ik wilde regisseur worden, filmregisseur. Film heeft mijn grote belangstelling. Ik ging als kind helemaal niet zoveel naar toneel, wel naar circus, en vaak naar de film. Zag ik grote Hollywoodfilms, met van die knotsgekke kerels in hun vliegende kratten, en grote amusementsfilms en musicals als ‘The sound of music’ en ‘My fair lady’. Dat fascineerde me, heerlijk in het donker zitten en je er dan helemaal aan overgeven. Ik ben als schrijver iemand die zich heel erg laat meeslepen door beeld, gek genoeg.’’

,,Maar ik dacht: laat ik eerst goed leren acteurs regisseren. Ik heb wel geregisseerd, maar tegelijk ben ik mijn eigen stukken gaan schrijven. Dat gebeurde al snel nadat ik van de opleiding kwam, begin jaren tachtig. Mijn eerste stuk kwam uit bij toneelgroep Baal, waar ik ook stage heb gelopen. Ik had mijn connecties, dat scheelt, want het is moeilijk om in de toneelwereld voet aan de grond te krijgen als je daar niemand kent.’’

‘Elke schrijver mixt dingen uit zijn leven met zijn werk.’

Wanda Reisel is in 1955 geboren op Curaçao, dat in haar roman ‘Witte liefde’ een grote rol speelt. In deze Curaçaose geschiedenis over een alles verblindende liefde van een vrouw, geeft ze haar overleden moeder een stem. Het is een geromantiseerd verhaal, geen boek óver haar moeder. ,,Ik kom uit een joods gezin. Mijn ouders wilden na de Tweede Wereldoorlog en uit angst voor de Koude Oorlog een nieuw bestaan opbouwen in Amerika. Mijn vader, die internist was, kon echter een goede betrekking krijgen op Curaçao. Maar toen ik in 1960 naar de kleuterschool ging, waren we alweer terug. Twaalf jaar hebben mijn ouders er gewoond. Vagelijk heb ik er herinneringen aan. We hebben wel filmpjes uit die tijd, 8 mm-materiaal dat onlangs op dvd is gezet en waarvan ik gebruik maak tijdens lezingen over ‘Witte liefde’.”

,,Het is een verdwenen wereld die op deze manier nog bestaat. Dat vindt het publiek ontzettend leuk, dat autobiografische aspect in een boek. Dat is niet altijd een goed uitgangspunt, maar ik vind het in dit geval niet erg, ik maak er dankbaar gebruik van. Elke schrijver mixt dingen uit zijn leven met zijn werk. Neem Harold Pinter. Bij hem verwacht je niet meteen iets persoonlijks in zijn stukken aan te treffen. Toch kan ik dat erin lezen. Als joods jongetje werd Pinter in Londen in de jaren dertig enorm bedreigd door bendes en jongens. Die angst zie je op de een of andere manier altijd terug in zijn stukken.’’

Reisels toneelwerk is ontregelend en vervreemdend, versluierend en raadselachtig. Het is sterk beïnvloed door Pinter, die in 2005 de Nobelprijswinnaar voor literatuur ontving. ,,Taal is onbetrouwbaar, het is maar net wie het zegt en of je degene die aan het woord is kunt vertrouwen. Taal als een vervoersmiddel om zowel goed als kwaad te doen, om zowel te charmeren als te verleiden en te manipuleren. Dat is precies wat mij in toneel zo aantrekt. Mensen denken dat ze elkaar begrijpen omdat we praten, maar uit een recent onderzoek bleek dat we elkaar slechts voor zeven procent met woorden begrijpen. Voor het grootste deel communiceren we non-verbaal, via oogcontact, lichaamstaal en gezichtsuitdrukking.”

,,Zo zit toneel ook in elkaar. Toneel gaat heel gauw over liegen, ze zeggen iets maar bedoelen iets anders, ze zeggen iets, maar houden iets achter. Toneel is een soort valkuil. Een metafoor voor het leven. Hoe overleef ik deze jungle? In onze samenleving gaat het grotendeels goed, maar er gaat ook heel veel fout. Het is een soort spitsroeden lopen, het hele leven. Nee, ik vind het niet zo eenvoudig.’’

 

‘Ik verwonder me over wat mensen allemaal

tot stand hebben gebracht, of dat nu is

in de kunsten, de wetenschap of techniek.’

 

,,Ik ben niet zo optimistisch, nee. Wereldwijd is sprake van een spirituele opleving, maar ik zou me daar niet gemakkelijk bij aansluiten. Ik verbaas me niet over wat God doet, ik geloof niet, maar ik verwonder me wel over wat mensen allemaal tot stand hebben gebracht, of dat nu in de kunsten is, de wetenschap of de techniek is met hun ontdekkingen en uitvindingen. Daar heb ik een enorme bewondering voor. Daarnaast is er de rotzooi die je de hele dag via de televisie tot je krijgt, over wat er allemaal mis gaat en hoe slecht mensen zijn. Voor een schrijver is dat een goudmijn. Stel je voor dat er uitsluitend leuke, lieve mensen bestonden, daar is werkelijk niks mee aan te vangen, al heb je zelf natuurlijk liever vrienden die wél leuk zijn.’’

,,Ik wil graag weten wat mensen bezielt, wat ze denken. Ik provoceer graag, ik poneer boude stellingen, dan ben ik als een soort advocaat van de duivel. Dat vind ik leuk, tenzij men dat heel persoonlijk gaat opvatten, dan ben ik weerloos. Het is een soort nieuwsgierigheid, want als ze zeggen, hou nou eens op met dat geprik, als het niet leuk meer is, houd ik er meteen mee op. Ik wil mensen nu eenmaal graag prikkelen, ik wil het graag weten. Ik weet het zelf namelijk ook niet.’’

 

‘In mijn eerste stukken gebruik ik personages

in zekere zin als pionnen, als vehikels van taal.’

 

In Reisels toneelstukken wordt het veelal bedrieglijk harmonieuze bestaan van partners, familie of vrienden, dikwijls wreed verstoord door een vreemdeling of indringer, een pinteriaans motief. ,,Dat is heel basaal aan theater. Het lijkt allemaal pais en vree, maar het is uiteindelijk gewoon Adam en Eva en de slang. De meest simpele ingrediënten. Pan, boter en ei, en wat je er verder allemaal mee kunt doen.’’

Nu al haar tien stukken bij elkaar staan, kun je feilloos de ontwikkeling volgen die zij de afgelopen kwart eeuw heeft doorgemaakt. Haar eerste stukken zijn veel soberder dan haar latere, ze spelen in desolate oorden en er zijn maar enkele personages. ,,Die kale stijl heb ik mezelf in het begin opgelegd. Ik kom van het gymnasium, waarop je van die exuberante zinnen uit het Grieks en Latijn zit te vertalen. Dat vind ik allemaal oeverloos en ouderwets. Ik wilde iets moderns doen, daarin was ik uiteraard niet de enige. Ik legde me toe op het schrijven van korte, staccatozinnen. In mijn eerste stukken gebruik ik personages in zekere zin als pionnen, als vehikels van taal.’’

‘In een relatie is het ene moment nog geweldig

en ineens is er een omslag. Dat fascineert me,

hoe het broeit en gist tussen mensen.’

Gaandeweg wordt haar taal voller, beeldender, poëtischer. De buitenwereld sluipt steeds meer naar binnen. Dat geldt al meer voor ‘De vliegenier’ (1990), over een indringer die met kerst een gezin ontregelt, voor ‘Sangria’ (1999), een David Lynch-achtig, mysterieus stuk waarin de personages elkaar met woorden fileren, en voor ‘De zindering’ (2002), over de bezworen wanhoop van twee serveersters en een ober. Voorlopig hoogtepunt is ‘Pousse-café’ (2006), haar langste stuk tot dusver, met tien personages. Hierin noodt een kok vrienden voor een etentje dat ontaardt in heftige twistgesprekken, chaos en een desillusie. Met dit stuk lijkt het of de schrijfster alle beperkingen die ze zichzelf ooit had opgelegd van zich heeft afgeschud om vrijuit te kunnen schrijven. ‘Pousse-café’ schurkt dicht tegen de spreektaal aan en doet soms denken aan Edward Albee. ,,Het is een vechtstuk’’, beaamt de schrijfster. ,,Ik ben inderdaad een enorme fan van Albee. ‘Pousse-café is mijn eerste stuk dat niet ergens afgelegen speelt, maar midden in de wereld staat, maatschappijkritisch ook. Het is een poging tot een terugblik naar de jaren zestig, het heeft ook met mijn eigen leeftijd te maken. ‘De zindering’ is ook een soort reflectie – vriendschap, hechting, familie – wat er altijd onderhuids speelt – hoe betrouwbaar is de hechting tussen mensen. Als je familie bent, blijft de band. Maar wat vrienden of relaties betreft, kan het zo afgelopen zijn. In een relatie is het ene moment nog geweldig en ineens is er een omslag. Dat fascineert me, hoe het broeit en gist tussen mensen. Ze zijn nooit een open boek. Mensen hebben altijd een masker op. Daarachter schuilen hele andere werelden. Weten we wel wat ons werkelijk drijft? Ik ga er vanuit dat mensen niet goed weten wat voor krachten er in hen werkzaam zijn.”

,,Het is niet altijd opzet, die onbetrouwbaarheid waaraan mensen ten prooi vallen, omdat een mens nu eenmaal uit ratio én gevoelens bestaat. Dat is een moeilijke, soms explosieve chemische mix. Niet dat niemand verantwoordelijkheid draagt over zijn eigen gedrag, maar, en dat heeft Freud goed gezien, mensen zijn in de kern zeer op zichzelf gericht, egoïstisch en zelfzuchtig. Diep van binnen is hij een dier dat moet overleven, maar hij is een sociaal dier. Daarom kunnen we charmeren, lijmen, slijmen, we kunnen aardig zijn en overtuigen, met woorden, om onze dierlijke doelen te kunnen bereiken. Ik wil dat meisje hebben, of ik wil die man trouwen, ik wil dat boek, dit is mijn ambitie, dit of dat wil ik voor elkaar krijgen, en dat alles noemen we dan leven. De spanning tussen die twee, tussen dat zelfzuchtige én sociale gedrag in wat we cultuur noemen, levert de bouwstenen voor toneel. Toneel is tegelijk een manier van denken, geen ingewikkelde vorm van filosofie bedrijven, maar je gooit toch een soort casus op tafel waarop je de personages laat reageren. Toneel is ook veel cerebraler dan film. Bij film word je gemanipuleerd door het beeld, de actie, de emoties. Toneel appelleert veel meer aan de ratio. Bij een film kan ik huilen, bij een toneelvoorstelling is me dat eigenlijk nog nooit overkomen.’’

 

‘Het leek me boeiend om twee totaal verschillende,

fascinerende en egocentrische karakters bijeen te brengen.’

 

Haar stuk ‘Liggend naakt’ (2006) is een dubbelmonoloog, zoals Reisel haar stuk treffend omschrijft: twee zelfzuchtige mensen die opgaan in hun eigen (levens)verhaal, langs elkaar heen praten en elkaar soms naderen. ‘Liggend naakt’ is heftig, enerverend en tegelijk aangrijpend en vertelt over de imaginaire ontmoeting tussen Caitlin Thomas, de weduwe van de Welshe dichter Dylan Thomas en de schilder Francis Bacon. ,,Ze zijn tijdgenoten, hebben elkaar in het echt nooit ontmoet. Maar het leek me boeiend om deze twee totaal verschillende, fascinerende en egocentrische karakters uit twee totaal verschillende werelden bij elkaar te brengen. Een genie, Bacon, tegenover Caitlin Thomas, de gefrustreerde weduwe. Het gaat over de intensiteit van leven en de intensiteit van kunst maken. Moet je kiezen voor het een of voor het ander? Eenzelfde thematiek heeft ‘Op de hellingen van de Vesuvius’ (1989). Een ouder stuk over de Italiaanse dichter Giacomo Leopardi dat net als ‘Liggend naakt’ op biografische gegevens gebaseerd is.’’

Liggend naakt’ en ‘Pousse-café’ zijn de eerste stukken die Reisel niet in opdracht heeft geschreven. ,,Ik had zin om een jaar toneel te schrijven, zonder gezelschap en zonder acteurs in mijn hoofd.’’

 

‘Ik kijk graag op de rand van het ravijn toe hoe

iemand erin springt, ik ga het zelf niet doen.’

 

Niet alleen haar personages zijn buitenstaanders, ook de schrijfster zelf. ,,Ik ben geen bungeejumper als je dat bedoelt. Ik kijk graag op de rand van het ravijn toe hoe iemand erin springt, maar ik ga het zelf niet doen nee.’’ Ze stamt uit een liberaal-joods gezin. Heeft dat daar iets mee te maken? ,,Ik neem aan dat het er inderdaad mee te maken heeft dat ik nogal wantrouwend in de wereld sta. Ik twijfel aan alles, aan relaties van welke aard ook. Er is bij mij altijd de angst voor totale onthechting. De angst ook dat het altijd een masker is waarnaar je kijkt. Dat is een prettige motor voor een kunstenaar, maar het zet je wel op een bepaalde manier in het leven. Ik kan me niet herinneren dat mijn ouders me dat wantrouwen hebben ingeprent. Veel familieleden zijn in de oorlog uitgemoord. Mijn ouders zijn daaraan weliswaar ontsnapt, ze zijn ondergedoken geweest is Amsterdam, maar van mijn vaders kant zijn drie broers en zusters en zijn ouders in kampen omgekomen. Als kind hoorde ik van die dingen. Dan kijk je toch op een bepaalde manier tegen de wereld aan. We hadden laatst een reünie van de lagere school en toen zei een van mijn oud-klasgenoten: ‘Jij was voor mij al een heel vroegrijp, vroegwijs kind, anders dan de andere kinderen.’ Dat wist ik niet, ik was wel een slim klein kindje, geloof ik. Ik dacht, tot mijn twintigste ongeveer: als ik zeg dat ik Joods ben, vinden ze me misschien niet aardig. Daardoor ben ik met een bepaald soort voorzichtigheid opgegroeid. Je bent op je hoede. Je beseft dat het leven kostbaar is. Daar krijg je een wat ingetogen blik van. Je wordt veel meer een beschouwer.’’

 

Wanda Reisel: ‘Tien stuks. Alle toneel’. Met cd ‘Liggend naakt’ door Loes Luca en Pierre Bokma. 561 blz.. Uitgeverij Querido.

 

Januari, 2007

UA-37394075-1