Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Het Panthéon voor de onsterfelijken

Alexandre Dumas werd op zaterdag 30 november 2002 de hoogste eer verleend die een Fransman na zijn dood kan verwerven: een plaatsje in het Panthéon te Parijs. Het was een uitbundig en toch sober schouwspel.

 

Een lange stoet begeleidde de stoffelijke resten van de schrijver op de brede boulevard tussen Jardin du Luxembourg en het strenge mausoleum voor de helden van de Republiek. Onder deze 73 helden van het vaderland bevinden zich schrijvers als Voltaire, Rousseau, Hugo en Zola, maar ook wetenschappers als Pierre en Marie Curie hebben er eeuwige roem gevonden.

 

Een paar jaar voor Dumas’ bijzetting, in 1996, had een gelijksoortige ceremonie plaats voor de stoffelijke resten van André Malraux. De schrijver, gaullist en ex-minister van Buitenlandse Zaken was toen al twintig jaar dood. Maar het werd hoog tijd dat deze ‘grote zoon van de Republiek’ de eer werd verleend die hem volgens Franse maatstaven toekwam: het Panthéon.

 

En ook dit was een nationale gebeurtenis van de eerste orde. Tijdens de officiële plechtigheid die aan de bijzetting voorafging, sprak ’Monsieur le Président de la République’ mooie woorden. Met zijn gezicht strak in de plooi stond hij tegenover Malraux’ doodkist en stak de loftrompet over de schrijver alsof deze nog onder de levenden verkeerde: ’U, André Malraux, bent de verpersoonlijking van…’. Dat maakte indruk en niet alleen op de aanwezigen, ook op degenen die de ceremonie via de Franse televisie rechtstreeks konden volgen.

 

Zo’n ceremonie zou bij ons onvoorstelbaar zijn. Wij zouden zo’n poppenkast, hoe indrukwekkend ook, maar absurd vinden. Wij kunnen ons ook niet voorstellen dat een groot schrijver als Multatuli – bij ons een vergelijkbare grote figuur als Victor Hugo – met dergelijke grandeur zou worden bijgezet. Daarvoor zijn wij, Hollanders, te nuchter, zoals dat heet.

 

Of staan we, erger, misschien te onverschillig tegenover onze eigen cultuur in het algemeen en de literatuur in het bijzonder. Terwijl een Fransman straalt als je een groot schrijver als Hugo of Voltaire typisch Frans zou noemen, telt bij ons iemand pas echt mee als hij ‘on-Nederlands goed’ wordt genoemd. Met andere woorden, wat de Fransen in hun chauvinisme (soms) te veel hebben, hebben wij te weinig. Wij bewonderen onze schrijvers pas als het buitenland ze op het schild heft.

 

Wij zijn wars van die breed uitgedragen Franse grandeur, die bij ons wel wordt verward met ’typisch Franse arrogantie’. Wij kennen geen Panthéon, wij houden er ook geen centrale begraafplaats op na voor beroemde landgenoten. Wij kennen geen Père Lachaise, de meest uitgestrekte begraafplaats van Parijs, waar tal van bekende figuren zijn bijgezet. Die begraafplaats, genoemd naar de biechtvader van Lodewijk XIV, pater Père François de La Chaise, is door de jaren heen uitgegroeid tot een bedevaartplaats voor ’onsterfelijke’ figuren.

 

Ook talrijke Nederlanders vereren bij wijze van toeristisch uitstapje de vermaarde begraafplaats met een bezoekje. Het is bezienswaardig en tegelijk vind je nergens als juist daar een sterker bewijs van de vergankelijkheid van roem en wereldse grootheid. Tal van Franse dichters en schrijvers liggen hier begraven, onder wie Balzac, Colette, Constant, Daudet, De la Fontaine, Molière, Nerval en Proust (én de Engelsman Wilde), en andere grootheden als de actrice Sarah Bernard, zangeres Edith Piaf, de schilder Delacroix, componisten als Bizet, Chopin en Rossini, en de zangers Ives Montand en Jim Morrison. De laatste, de charismatische zanger van de Californische popgroep The Doors, is gezien de dagelijkse ‘pelgrims’ rond zijn graf misschien nog wel de meest ‘onsterfelijke’ van al die onsterfelijken.

 

Veel van die onsterfelijke Franse helden hebben indrukwekkende sterfscènes geschreven. Gruwelijk mooi is het slot van ‘Madame Bovary’. Flaubert laat zijn overspelige heldin – die hem zo na aan het hart ging (zei hij immers niet: ’Madame Bovary, c’est moi’?) – hartverscheurend aan haar einde komen.

 

Gruwelijk maar niet verdicht was ook het sterfbed van Jules de Concourt, een van de gebroeders, die in hun dagboek als chroniqueurs verslag deden van het Parijse (literaire) leven van de tweede helft van de negentiende eeuw. Edmond beschreef de doodstrijd van zijn broer, in de nacht van 18 en 19 juni 1870 van uur tot uur, van minuut tot minuut:

 

Het is twee uur in de morgen. Ik ben opgestaan en heb de plaats van Pélagie ingenomen aan het bed van mijn arme, dierbare broer, die niets meer heeft gezegd en niet meer helder bij bewustzijn is geweest vanaf donderdag twee uur ’s middags. Plotseling wierp hij zijn hoofd naar achteren en stootte een rauwe, uit zijn keel komende, schrikwekkende kreet uit, waarop ik besloot het raam dicht te doen. Op hetzelfde moment werd zijn knappe gezicht door krampen getroffen en geheel gedeformeerd, terwijl zijn lichaam en zijn armen door verschrikkelijke stuipen heen en weer werden geschokt, alsof ze alles ondersteboven wilden keren, waarbij hij uit zijn verwrongen mond een bloederig schuim spuwde. (…) Ik zat achter hem, op zijn peluw, hield met mijn handen de zijne vast en drukte zijn hoofd tegen mijn hart en mijn maag, terwijl ik voelde hoe mijn hemd nat werd van zijn doodszweet, dat vervolgens langs mijn benen naar beneden liep. Hij sterft, hij is zojuist gestorven. God zij geloofd, hij is gestorven na twee of drie lichte zuchtjes, zoals een klein kind dat in slaap valt.’

 

Februari, 2004

UA-37394075-1