Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Het wrede theater van Miroslav Krleza

Miroslav Krleza (1893-1981) was ooit Nobelprijskandidaat. De onderscheiding ging steeds aan zijn neus voorbij omdat hij te omstreden was. Van de in Zagreb geboren schrijver is een vertaling verschenen van zijn roman ‘De Glembays’ (1932), over de opkomst en de ondergang van een aristocratisch geslacht.

 

Krleza staat in zijn geboorteland Kroatië te boek als een groot maar controversieel (toneel)schrijver, dichter en essayist. Hoewel hij een onafhankelijke figuur was, worden hem zijn nauwe banden met de communistische partij en de Joegoslavische dictator Tito nog altijd nagedragen. In Nederland is hij jaren geleden (her)ontdekt, al steekt die postume belangstelling schril af bij die voor zijn generatiegenoot, de Hongaar Sándor Márai. Die twee kunnen zich gemakkelijk met elkaar meten, zij het dat Krleza een geëngageerde provocateur en een veel complexere schrijver was, een non-conformist en felle satiricus die het leven beschouwde als een wreed theater waarin het individu vertrapt wordt door het collectief.

Zijn boek ‘De Glembays’ (‘Glembajevi’, 1932), dat hij schreef toen hij al een grote reputatie had, wordt gepresenteerd als een roman. Het is echter meer een verzameling novellen over kleurrijke figuren uit het aristocratisch geslacht De Glembays dat het patent heeft op gefnuikte ambities, fatale liefdes en hopeloze huwelijken. De familie was ooit welvarend maar sterft uit na het uiteenvallen van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie en de Eerste Wereldoorlog.

 

,,Mensen lopen toneelspelend over straat en spelen hun oppervlakkige rollen uit het hoofd. In hun koppen hebben die mensen een beeld, over de rechtsorde, over de hemelse mysteriën, ze antwoorden elkaar als papegaaien met aangeleerde dingen, maar wat ze allemaal in hun kop ronddragen is niet veel meer waard dan wat ze in hun zakken hebben.’’

 

Wie ‘De Gemblays’ ter hand neemt, moet zich beslist niet laten afschrikken door het eerste lange hoofdstuk. Hierin passeert de stamboom van de familie in een literair vormgegeven genealogie.

Prachtig geschreven, daar niet van, maar van al die namen gaat het je op den duur duizelen. Zodra Krleza een aantal van hen uitlicht en inkleurt valt diens weergaloze verbeeldingskracht en stilistische brille op. En al glinstert er altijd wel ergens een flinter licht in de duisternis, hij beziet de mensheid toch vooral als een treurig schouwspel. ,,Mensen lopen toneelspelend over straat en spelen hun oppervlakkige rollen uit het hoofd. In hun koppen hebben die mensen een beeld, over de rechtsorde, over de hemelse mysteriën, ze antwoorden elkaar als papegaaien met aangeleerde dingen, maar wat ze allemaal in hun kop ronddragen is niet veel meer waard dan wat ze in hun zakken hebben.’’

Begrafenisrede

Een hoogtepunt in ‘De Gemblays’ is ‘Begrafenis in Theresienburg’, over de harde confrontatie tussen kolonel Warronig en eerste luitenant Géza Ramong, tevens een wiskundig fenomeen en minnaar van kolonelsvrouw Olga, een Glembay. Zelfs de dood van de luitenant grijpt de in zijn trots geknakte kolonel aan om in zijn begrafenisrede zijn opgebaarde tegenstander zwart te maken.

Niet minder weergaloos zijn ‘De bruiloft van prefect Klanfar’ en het aansluitende ‘Klanfar op het landgoed Várady’. Beide gaan over een metselaarszoon die zich in het interbellum opwerkt tot koninklijke griffier en groot-industrieel die eigenaar wordt van een grafelijk kasteel op een immens landgoed. Zijn bestaan is desondanks leeg en eenzaam. Hij is gehuwd met een Glembay-nazaat, maar zijn vrouw is hem ontrouw. Zijn omgeving neemt hem niet serieus; hij blijft in hun ogen een metselaarszoon. Hij neemt zich tijdens een zakenreis in zijn Mercedes van Nederland naar Kroatië voor om zijn kasteel en landgoed van de hand te doen: ,,En daarmee zou alles zijn afgehandeld, streep eronder.’’

 

In ‘Op de rand van het verstand’ neemt Krleza het veelkoppige monster van de menselijke domheid op de korrel.

 

De Glembays’ verraadt in alles de hand van de meester. Toch haalt het boek het niet bij ‘De terugkeer van Filip Latinovicz’ (1932, vertaald in 2003), over de tragische liefde van een vastgelopen kunstenaar, of bij ‘Op de rand van het verstand’ (1938), waarin Krleza het veelkoppige monster van de menselijke domheid op de korrel neemt. Het is te hopen dat uitgeverij De Bezige Bij werk maakt van de vertaling van een van Krleza’s andere huzarenstukjes, de vuistdikke dictatorroman ‘Banket in Blitwa’ (1962). Hiervan stond jaren geleden een huiveringwekkende proeve afgedrukt in het literaire tijdschrift Raster.

 

Miroslav Krleza: ‘De Glembays’, vertaald door Guido Snel. Uitgeverij De Bezige Bij, 272 blz.

 

Augustus, 2007

UA-37394075-1