Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Hoed af voor de rabelaisiaanse humor

Als François Rabelais (1483-1553) nu zou leven zou hij misschien wel voor het theater hebben gekozen. De lach had hij tenslotte aan zijn broek hangen. De Franse schrijver, van wie wel eens wordt beweerd dat hij de humor in de wereldliteratuur heeft geïntroduceerd, was met de medici uit de oudheid immers van mening dat lachen een helende werking heeft.

 

Hij maakte zich onsterfelijk met ‘Gargantua en Pantagruel’, een satirisch en carnavalesk meesterstuk dat alles heeft wat ware literatuur zo rijk en boeiend maakt: een boeiend verhaal, humor en esprit, ernst en luim, diepzinnigheid zonder zwaarwichtigheid, vileine en speelse spotlust, onvergetelijke karakters, en bovenal een eigen stem, een meeslepende stijl die verbluft door een onuitputtelijke beeldenrijkdom en woordenschat, die ook menig hedendaagse lezer zal bekoren.

 

Men heeft wel eens berekend dat geen boek zo’n overrompelend grote woordenrijkdom bezit als dat van Rabelais. Shakespeare, ook zo’n mateloos rijk schrijver, kwam in zijn beurt, evenals Cervantes’ ‘Don Quichote, en in de twintigste eeuw James Joyce met zijn ‘Ulysses’ en, dichterbij huis en ietwat chauvinistisch gedacht, Simon Vestdijk. Ook zij konden zich op verscheidene fronten – eruditie, verbeeldingskracht, inlevingsvermogen – met een beetje goede wil meten met deze literaire reus die de menselijke komedie doorzag, een tragikomedie waarover hij zich als een groot maar hoogbegaafd kind vrolijk maakte. Goethe moet eens hebben uitgeroepen: ‘Rabelais, de grote meester voor wie wij allen als eerbetoon onze hoed zouden moeten afnemen.’

 

REUZEN ALS BELANGRIJKSTE ATTRACTIE

Reuzen zijn ook de voornaamste attractie in ‘Gargantua en Pantagruel’. Geen onbekookte keuze van Rabelais, want met deze letterlijk bovenmenselijke wezens kon hij zonder de goden te tergen onbekommerd de aardse waarden en wetten op de korrel nemen. Kerk en vaderland, politiek, theologie en wetenschap, ze moeten het allemaal ontgelden, priesters, geleerden, artsen, rechters, deftige dames, ook het kloosterleven en de heiligenverering, alles wordt geparodieerd en bespot, zonder dat ze daadwerkelijk belachelijk worden gemaakt, want Rabelais blijft het ‘vriendelijk’ houden.

 

EEN LACHSPIEGEL EN DE WERELD OP ZIJN KOP

Hij zet de wereld op zijn kop en houdt zijn lezers een lachspiegel voor. Zijn figuren spreken zich uit tegen vervolging van andersdenkenden en tegen godsdienstoorlogen. Ook de opvoeding komt uitgebreid aan bod, Rabelais, of beter zijn figuren hebben daarover uitgesproken ideeën. En onderwijl worden pretentieuze geleerden als een soort armzalige, stamelende stakkers voorgesteld. Maar hij doet dat alles toch vooral met een vette knipoog.

 

In deze fantastische schelmenverhalen, gebaseerd op een oud volksverhaal, wordt het enge en onaantastbare wereldbeeld van kerk en staat aangevallen. Reuzen doen zich tegoed aan seks, drank en vrouwen en kijken terloops op de mensen neer.

 

DE LEGENDE VAN DE GULZIGE REUS

Gargantua’, het eerste deel, vertelt de legende van de vechtlustige en gulzige reus. Nog meeslepender en hilarischer eigenlijk is ‘Pantagruel’, waarin de reusachtige hoofdpersoon, zoon van Gargantua, van ‘kleine jongen’ opgroeit tot een reus van een kerel die na allerlei omzwervingen zijn studies in Parijs voltooit. Pantagruel is buitengewoon geestig, niet alleen de reus zelf maar ook zijn vriend Panurge, de snaak die overloopt van dolkomische en potsierlijke verhalen en elf talen beweert te spreken, waarmee hij Pantagruel meedeelt wie hij is en waar hij vandaan komt. Hij spreekt zelfs een woordje Nederlands. Het is een vernuftig spelletje dat hij speelt en waarmee de hooggeleerde auteur zelf de lezer in de waan laat dat hij een hele serie talen machtig was.

 

BURLESK EN GROTESK

Rabelais is een meester in de overdrijving, tot het potsierlijke en belachelijke toe, hij steekt de draak met alles wat heilig of onaantastbaar is. In deze burleske en groteske ‘romans’ blijft niets onbesproken. De flora en fauna niet, evenmin de medische wetenschap, de literatuur, en ook de geweldige gulp van Gargantua wordt besproken – er is ergens sprake van eventuele studie van de gulp – evenals de fatsoenlijkste manier om je kont af te vegen. Niets en niemand is veilig voor de vlijmscherpe pen van meesterverteller Rabelais en je vraagt je tijdens het lezen geregeld af of er er een fantastischer schrijver denkbaar is dan Rabelais.

 

NIEUWE EN HERZIENE VERTALINGEN

De nieuwe Nederlandse vertalingen van ‘Gargantua en Pantagruel’ zijn een literaire gebeurtenis van jewelste, want de oude vertaling dateert alweer van jaren geleden, 1956 om precies te zijn. In 1980 verscheen een mooi gebonden herdruk van deze uitgave, voorzien van prachtige illustraties van Gustave Doré. De vrijwel gelijktijdige verschijning van beide boeken was onvoorzien en ongelukkig getimed – twee uitgevers (Bert Bakker en Van Gennep), twee vertalers (Theo Buckinx en J.M.Vermeer-Pardoen). Jammerlijk toeval of juist een zegen?

 

Over de oude vertaling (in vijf delen) van J.A.Sandfort is wel beweerd dat zij achterhaald, te archaïsch en hier en daar zelfs oubollig zou zijn. Dat is (deels) beslist het geval. Niettemin blijft het een schitterende vertaling, prachtig Nederlands, soms wat al te gymnasiaal, maar ook met smakelijke, boertige volkstaal, die de vergelijking met de twee nieuwe nog altijd glansrijk kan doorstaan.

 

DE EEN ZINGT, DE ANDER NODIGT TOT KALM LEZEN UIT

Zowel Theo Buckinx als J.M.Vermeer-Pardoen hebben boeken voortreffelijk vertaald. Als er verschil is zit ‘m die erin dat de ene misschien iets meer ‘zingt’ en vaart heeft (Buckinx) dan de andere die tot kalmer lezen uitnodigt (Vermeer-Pardoen). De keuze voor de mooiste uitgave is snel gemaakt: die van Buckinx is door Bert Bakker sober maar adequaat uitgegeven, zonder voor- of nawoord. De vertaling van Vermeer-Pardoen wint het op een ander punt: deze gebonden uitgave is voorzien van een uitvoerige inleiding waarin nader wordt ingegaan op Rabelais’ tijd en diens leven en werk.

 

RABELAIS ZELF BLIJFT OP DE ACHTERGROND

Over Rabelais en zijn schelmenromans ‘Gargantua en Pantagruel’, verschenen tussen 1532 en 1552, is veel gezegd en geschreven, en het laatste woord zal voorlopig ook niet gezegd en geschreven zijn. Wie Rabelais werkelijk was, blijft schimmig, ondanks al het gewroet in ’s mans leven en werk. We weten dat hij arts en geneesheer-directeur was in Lyon. We weten dat hij humanist was en een groot geleerde die zowel de oude klassieken als de geschriften uit zijn eigen tijd verslond.

We weten ook dat hij een moeilijk te doorgronden mens was. Hij was monnik en priester en tegelijk fel anticlericaal. Zijn boeken werden door de theologische faculteit van Parijs verboden, ofschoon de kerk hem het leven niet echt zuur maakte. ‘Pantagruel’ werd weliswaar obsceen genoemd, het Derde en Vierde Boek werden fel gehekeld. Maar echt in de rats heeft Rabelais nooit hoeven zitten, wat mogelijk te danken was aan de bescherming die hij genoot uit hoge kerkelijke kringen. Zijn boeken bleven gelezen, hij was en bleef een gevierd en beroemd man.

 

ERASMUS ALS VADER VAN DE CULTUUR

In zijn opvattingen sluit hij aan bij de ideeën van zijn tijdgenoot Erasmus en diens ‘Lof der zotheid’. In een brief aan Erasmus schrijft hij dat hij de Nederlandse humanist beschouwt als zijn vader en meester van zijn cultuur. Rabelais stond voor zijn zaak, voor zijn principes, voor vrijheid en persoonlijke verantwoordelijkheid.

 

Voor de hedendaagse lezer van ‘Gargantua en Pantagruel’zal het niet altijd even eenvoudig zijn om zich door de Rabeliaanse humor te laten meeslepen. Men moet bereid zijn zich in te leven in deze middeleeuwse wereld die wordt gedomineerd door het christendom. Maar het boek zal op wie er eenmaal door gegrepen wordt, nog altijd een onuitwisbare indruk maken. En wie goed luistert kan tussen de regels door soms nog de echo van de bulderende lach van de meester horen.

 

François Rabelais: ‘Gargantua en Pantagruel’, uit het Frans vertaald door J.Vermeer-Pardoen, uitgeverij Van Gennep. ‘Gargantua en Pantagruel’, uit het Frans vertaald door Théo Buckinx, uitgeverij Bert Bakker.

 

Juni, 1996      

UA-37394075-1