Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Holland en de machteloze woede van Jan Blokker

‘Allemaal machteloze woede van een oude chagrijn, ik geef het graag toe,’ schreef Jan Blokker (1927-2010) in een van zijn laatste columns. ‘Maar als ik het niet zeg, wie zegt het dan wel?’ Het was de columnist, journalist, schrijver en historicus ten voeten uit.

 

Spotlustig en niet zonder zelfspot schreef de sociaal-liberaal, zoals hij zich noemde, decennia lang even kritische als ironische stukjes, die een baken waren voor weldenkend Nederland. In de zomer van 2010 stierf hij, een van ’s lands beste en meest gevreesde naoorlogse columnisten, die tot kort voor zijn dood zijn columns – eerst in de Volkskrant, daarna in NRC Next – bleef schrijven zonder dat ze aan scherpte verloren.

 

,,Als ik wel eens denk, wat een leuk stukje, dan hoor ik er nooit wat over. Heb ik een rotstukje en ben ik chagrijnig, zeggen de mensen, ah, wat een leuk stukje,” zegt hij meewarig in het aan hem gewijde VPRO-filmportret ‘Het Holland van Jan Blokker’. Hierin kijkt hij terug op zijn leven en maakt hij de balans op van zestig jaar journalistiek Nederland.

 

Hij stelt vast dat ,,er een definitieve verrechtsing in de nieuwsvoorziening gaande is”. Ook over de huidige politiek is hij zeer uitgesproken, zoals hij in zijn columns was: ,,Eigenlijk wil rechts gewoon het programma van Wilders uitvoeren.” Hij bagatelliseert zijn eigen rol en invloed, evenals zijn functie als hoofd informatieve programma’s die hij jarenlang bij de VPRO-televisie vervulde: ,,Ik viel bij gebrek aan gewicht omhoog, want wie moest het anders doen?”

 

Programmamakers Chris Kijne, Stan van Engelen, Maarten Schmidt en Thomas Doebele zochten Jan Blokker de laatste twee jaar voor zijn dood met zekere regelmaat op. Thuis in zijn werkkamer, close-up in beeld, omringd door zijn boeken, vertelt hij over zijn carrière en met lichte weemoed over zijn jonge jaren en ouderlijk milieu. Over dat ,,vrijzinnig-liberale milieu in de goede zin van het woord”.

 

Blokker studeerde geschiedenis en Nederlandse letterkunde, hij zou leraar worden. Maar weldra probeerde hij zijn pen in de literatuur. Hij kreeg in 1950 voor zijn romandebuut een belangrijke prijs, maar de twijfel bleef. Hij was net getrouwd en had geen rooie cent. Bij de prijsuitreiking waren vooraanstaande literaire critici uit die tijd aanwezig, onder wie Hans Gomperts. Die belde Blokker daarna op over een vacature op de kunstredactie van Het Parool. Of hij daarvoor voelde. ,,Niet dat ik een gat in de lucht sprong, maar ik was verzekerd van een vast inkomen en na een poosje was ik ervan overtuigd dat ik hier thuishoorde, in die krantenwereld.”

 

Hij zette zijn carrière voort bij het Algemeen Handelsblad. Voor die krant was hij in 1956 op het filmfestival van Cannes, ,,toen Nederland nog een behoorlijk grijs land was. We waren allemaal een beetje gesjochten. Ik kwam in Cannes en dan spettert echt alle glamour je tegemoet.” Een beroemde film als ‘Fanfare’ van Bert Haanstra, waarvoor Blokker (mede) het scenario schreef, stond jaren later in het hoofdprogramma. ,,En die viel als een baksteen.” Niet vreemd, zegt hij achteraf, gezien de ontwikkelingen op filmgebied elders. ,,Nederland was nog echt een boerenland.”

 

Blokker vertelt boeiend over de jaren dat de media ontwaakten uit hun ‘verzuilingsslaap’. Zijn verhaal wordt nu en dan ondersteund door archiefmateriaal, waaronder beelden van de journalist zelf als een flamboyante jonge man. Terwijl Blokker praat lijkt hij zijn ziekte te kunnen vergeten. Alleen aan het slot van dit postume eerbetoon komt het einde even heel dichtbij als hij hoopvol opmerkt: ,,Het zou toch kunnen dat iemand de dans ontspringt?” Om daar op z’n blokkeriaans ontnuchterend aan toe te voegen: ,,Maar nee, dat zal wel niet gebeuren.”

 

December, 2010

UA-37394075-1