Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Hugo Claus 1929-2008: Een Vlaamse sfinx met talent voor geluk

 

De Vlaamse schrijver Hugo Claus werd op handen gedragen, maar was ook omstreden.

De veelzijdige kunstenaar gaat de geschiedenis in als de schrijver van de klassieke toneelstukken ‘Een bruid in de morgen’ en ‘Vrijdag’, en de epische roman ‘Het verdriet van België’, waarin hij de Vlaamse hypocrisie en de katholieke kleinburgerlijkheid in de Tweede Wereldoorlog aan de kaak stelde.

Claus was een levensgenieter die, zoals hij eens schertsend zei, liefst op zijn luie krent in een klein café zat of als een Griekse god langs de terrassen in Brugge of Gent flaneerde met mooie actrices aan zijn zijde. Remco Campert merkte eens verbaasd en bewonderend op dat hij zijn collega en vriend nooit op schrijven had kunnen betrappen, terwijl de Vlaamse Sfinx toch het ene na het andere boek het levenslicht liet zien.

De Vlaamse reus was een artistieke duizendpoot. Hij was romancier, schilder, vertaler, (film)regisseur en een groot toneelschrijver zonder wie het landschap van het Nederlandstalige drama er heel wat schraler zou hebben uitgezien. Maar hij was in de eerste plaats dichter. Toen hij allang geen toneel meer schreef omdat, zo zei hij mismoedig, de theatermakers zijn stukken toch maar verminkt brachten, bleef hij gedichten schrijven.

Een immens poëtisch oeuvre schreef hij bijeen. Een poëzie, met ‘De Oostakkerse gedichten’ (1955) en ‘De sporen’ (1993) als hoogtepunten, die grillig en onvoorspelbaar is, en tegelijk abstract en kristalhelder. Het leverde prachtige regels op als:

 

‘Als dan het koperen keteltje vol as

van wat ik was wordt leeggeschud

over het geduldig gras,

mijn lief, sta daar niet voor schut’.

 

En:

‘Ik schrijf je neer op papier

terwijl je als een boomgaard in juli zwelt en bloeit.’

 

En:

‘Ook als ik reïncarneer,

dan niet Oosters in een kever

of een jonge loopse hond

maar als in de tijd van mijn leven

door een prinses vastgebonden,

oprecht rechtop klaargestoomd

en dan glijdend in haar mond.’

(uit ‘Asperges me’)

 

Gedichten schrijven was voor Claus als ademhalen. Zonder poëzie geen leven. Dichten was zijn manier om de greep op de werkelijkheid niet te verliezen. Het hield hem jong, vitaal en, toen het gestel van de bard broos begon te worden, nog enige tijd op de been.

In zijn hoogtijdagen, toen Claus een relatie had met actrice Sylvia Kristel, werd elke stap van de schrijver breed uitgemeten in de roddelbladen. Claus vond dat wel amusant. Met superieure ironie schudde hij meewarig het hoofd over de onzin die over hem werd geschreven. Terloops vatte hij dan in een notendop zijn leven en werk samen: ,,Ik ben geboren te Brugge op 5 april 1929 door middel van een keizersnee. Voor de rest schrijf ik boeken, toneelstukken, regisseer ik toneel en films. Wat u daaruit destilleren wilt, moet u zelf bepalen. Prijzen? Te veel om op te noemen, en te veel tout court. Schrijf maar wat, fouten in dergelijke materie hebben niet het minste belang.”

 

‘Bij het schrijven zet ik me

ook een neus en een snor op

en plak me een valse buik aan.”

 

Het was Claus ten voeten uit. Hij was ongrijpbaar, een artistieke kameleon: ,,Ik leef achter vele maskers”, zei hij. ,,Daarachter schuilt alles wat je maar kunt invullen aan schaamte, kwetsbaarheid en verdriet, maar die maskers blijven overeind als mijn manier om mij te verdedigen. Ik verander voortdurend van verschijningsvorm. Het liefst zou ik dat doortrekken door mijn haar te verven en met een bochel rond te lopen. Bij het schrijven zet ik me ook een neus en een snor op en plak me zelfs een valse buik aan.”

In 1986 ontving hij de Prijs der Nederlandse Letteren, de hoogste onderscheiding voor een schrijver in ons taalgebied. Eén onderscheiding ontbrak echter in zijn overvloedig gevulde prijzenkast: de Nobelprijs voor de Literatuur. Jarenlang stond hij hoog op het kandidatenlijstje van de Zweedse Academie. Toch greep hij telkens naast de prijs, waardoor hij ongewild in de voetsporen trad van S.Vestdijk en Louis Paul Boon, andere grote schrijvers die net hadden misgetast.

 

‘Is er een Nobelprijs, geven ze die aan een Poolse huisvrouw’

 

Het moet een obsessie voor de schrijver zijn geweest. Enerzijds werd dit geweten aan de pech dat de leden die de Nobelprijzen jaarlijks verdelen het meesterschap van Claus vanwege de taalbarrière niet naar waarde hebben kunnen schatten. Anderzijds had Claus het aan zichzelf te wijten: de schrijver zou zich in 1996 zo negatief hebben uitgelaten over Nobelprijswinnares Wislawa Szymborska dat hij in één klap al zijn kansen had verspeeld. ,,Is er een Nobelprijs, geven ze die aan een Poolse huisvrouw”, zou hij ontgoocheld hebben gemompeld. Ironisch genoeg profileerde Szymborska zichzelf trouwens als een dichtende huisvrouw, als was het een geuzennaam. Of Claus het werkelijk gezegd had? De goedmoedige Claus, die in Vlaanderen altijd met veel hem vijandige schrijvers was geconfronteerd, sprak zelf nooit met dédain over collega’s. Liever draaide hij de zaak om: ,,Ik ben maar een timmerman”, zei hij. Of hij liet zich, zoals in 1994 toen hij de Prijs voor het Meesterschap ontving, met gespeelde verwondering ontvallen: ,,En dat voor een analfabeet!”

 

‘God zat in elke hoek’

 

Hugo Maurice Julien Claus belandde als peuter op een katholieke kostschool, eerst in Eke, toen in Aalbeke. Hij beleefde die jaren als een celstraf. Claus zei daarover in 1963 voor de Nederlandse tv: ,,Je werd er streng opgeleid in een aantal regels en verordeningen. Ik begreep nergens iets van, alleen maar dat je gevangen zat en je wist niet waarom. Die mysterieuze regels hadden je in een greep; één van die regels was dat je Frans moest spreken op donderdag en zaterdag, en Vlaams op de andere dagen. De week daarop was het andersom. Je moest ook zwarte wollen kousen dragen tot boven de knie, en God zat in elke hoek.”

De kleine Hugo vond de Tweede Wereldoorlog een fantastische tijd. ,,Toen de Duitsers binnenkwamen was het feest. Zeker voor jongetjes. Als de Duitsers marcheerden, zag ik een soort ballet, en als ze zongen, zongen ze puntgaaf. Het was een geweldige machine. En ze waren vriendelijk voor de mensen, beleefd. Hun discipline had een vorm. Voor discipline zonder vorm moest je bij het Belgisch leger zijn. Vergeet niet, de Engelsen, dat was niks: scheve, platte helmen, sigaret in de mondhoek, slordig. De Fransen ook: brallerig, wijn drinkend.”

Dat zei hij in 1983, kort nadat ‘Het verdriet van België’ was verschenen, dat met ‘De Kapellekensbaan’ (1953) van Louis Paul Boon strijdt om de titel ‘beroemdste Vlaamse roman van de twintigste eeuw’. In Claus’ familieroman over de oorlogsjeugd van de schrijver in spe Louis Seynaeve gaat het om collaboratie en niet zoals in veel Nederlandse oorlogsromans over goed en fout, schuld en schuldgevoel. ,,Belgen hebben geen geweten”, zei Claus daarover, ,,ze hebben het altijd te druk gehad met overleven.” Pas nadat ‘Het verdriet van België’ was verschenen, vertelde hij vrijuit over zijn nazistische sympathieën in het begin van de oorlog. ,,Ik weet dat een aantal mensen dachten dat ik bij de Hitlerjugend geweest was. Maar ik had in die naoorlogse jaren nooit zin om dat precies uit te spitten, het waarom en het hoe, de complexe kwestie van de collaboratie in Vlaanderen. Ik had geen zin in gezeur. En ik wou evenmin dat de verkeerde mensen me sympathiek zouden vinden.”

 

Een wonderkind dat te rap schreef

 

De vader van Claus, die drukker was, gaf het poëziedebuut ‘Kleine reeks’ uit, want hij wist allang dat zijn zoon talent had. Vader Claus trok met de eerste bundels van huis tot huis, maar ,,raakte ze niet zo gemakkelijk kwijt”. Hij kon het werk van Hugo ook niet blijven drukken, ,,want hij schreef te rap”.

Kort daarop schreef Claus zijn eerste roman. Een kroegmaat daagde hem uit een boek te schrijven, wat in enkele weken tijd resulteerde in zijn succesvolle debuut ‘De Metsiers’, over het broeierige leven op het gesloten platteland waar gekmakende wellust leidt tot perversiteiten. Claus was negentien, hij werd gezien als een wonderkind, hoewel hij zijn eersteling zelf misprees en afdeed als namaak omdat het ,,mij zo gemakkelijk was afgegaan”. In 1996 zou Claus met ‘De geruchten’ een succesvolle pendant op ‘De Metsiers’ schrijven.

Het boek was het begin van een lange reeks romans, novellen en verhalen. In begin jaren zestig schreef hij misschien wel zijn beste romans met ‘De verwondering’ (1962), een soort voorloper van ‘Het verdriet van België’, en ‘Omtrent Deedee’ (1963), over de kleinburgerlijke moraal in West-Vlaanderen. Dit verhaal over een familiebijeenkomst bij de vierde sterfdag van de moeder zou Claus nog twee keer vorm geven. Eerst als toneelstuk en in 1989 als speelfilm (‘Het sacrament’).

Dat hergebruik van (eigen) materiaal leverde hem herhaaldelijk het verwijt van plagiaat op. Hij wuifde dat achteloos weg: ,,Ik citeer nogal eens dingen die ik gehoord heb. Vooral van mezelf trouwens. Maar ook wel eens van een ander. Als het maar een muziekje heeft: dat is de enige moraal. Alles is bruikbaar voor een dichter, als een kruidenier ga ik te werk.”

Claus regisseerde ‘Het sacrament’ op een manier die ook zijn andere films kenmerken: een dramatische toon, bedwongen sensualiteit, een warm gevoel voor licht. ,,Maar mijn ideeën over film zijn nooit serieus genomen.” Toch kon hij het niet laten: ,,Nee, het zal wel te maken hebben met dat dwaze verlangen me omringd te voelen door mooie, gehoorzame vrouwen.”

 

‘Hij had een talent voor geluk.

Hij kon totaal genieten.

Van een reiger die langs vloog.’

 

Claus had enkele spraakmakende affaires met actrices, onder wie Kitty Courbois. Zij was gehuwd, had een kind, hun relatie was complex. Claus schreef erover in ‘Het jaar van de kreeft’ (1972), een boek met een dramatisch slot dat de actrice als een afrekening ervoer en daardoor nooit echt durfde uit te lezen. Voor Sylvia Kristel was Claus de liefde van haar leven aan wie ze haar rol in de softpornofilm ‘Emmanuelle’ te danken had. Ze vormden in de jaren zeventig de Arthur Miller en Marilyn Monroe van de Lage Landen. Daarover vertelde Kristel, die een zoon heeft van Claus: ,,Hij had een talent voor geluk. Hugo was helemaal niet blasé. Hij kon totaal genieten. Van een reiger die langs vloog. Of we gingen naar een raar oord op vakantie en dan rennen naar een krantenwinkel, kijken wat ze daar hadden. Hij las dan een raar karateboek, en ik ‘Mrs Polyfax goes into politics’, dat soort junkfood. Dan eten, dutje doen, baantje trekken. Dat waren voor mij dé jaren, ja.”

Claus heeft wel eens verklapt dat hij ook puur bij toeval, uit een zekere koppigheid, toneel is gaan schrijven. Na een toneelvoorstelling van ‘Het glazen huis’ van Tennessee Williams tergde zijn tante haar neef met de opmerking dat hij zoiets moois nooit zou kunnen maken. De 26-jarige Claus bewees het tegendeel met ‘Een bruid in de morgen’ (1955), dat voordat het aan zijn zegetocht begon eerst door een groot Vlaams theatergezelschap ongeïnteresseerd terzijde was gelegd.

Als toneelschrijver is Claus van onschatbaar groot belang. Aanvankelijk zeer omstreden stukken als ‘Een bruid in de morgen’, ‘Suiker’ (1958) en ‘Vrijdag’ (1969) zijn klassiek geworden. En of Claus ze situeert op het Vlaamse platteland of in een klassiek decor, zijn dolende personages vallen ten prooi aan de wanhoop, aan de banaliteit en ellende van alledag. Honderden toneelpersonages zijn aan zijn pen ontsproten. Zijn verzameld toneelwerk telt meer dan vijftig titels, een paar duizend bladzijden bij elkaar, waarin Claus zware thema’s als incest, overspel, een onwettig kind en huwelijkstragedies met zijn elegante taal wonderlijk licht weet te maken. Verbazend genoeg beschouwde Claus zijn ‘toneel-kant’ enigszins als een mislukking: ,,Ik heb veel beter, meer mythisch werk gemaakt, en daar kijkt men niet naar om.”

 

‘In Nederland mis ik dat wankele,

dat onzekere van de Vlamingen’

 

Over erkenning had Claus niet te klagen, hoewel Nederland hem hoger had zitten dan zijn eigen Vlaanderen. ,,Het is door Nederland dat ik ben blijven publiceren en dat mijn toneelstukken gespeeld worden.’’ Toch kon hij er niet aarden: ,,Als ik in Nederland kom, mis ik toch dat wankele, dat onzekere van de Vlamingen. De Hollandse gelijkhebberigheid kan me mateloos irriteren. Bij de Vlamingen krijg ik dan weer krampen omdat als je ze de weg vraagt ze een halfuur nodig hebben om tot de conclusie te komen dat ze het ook niet weten. Maar nog ergerlijker vind ik de gierigheid van Nederlanders.’’

Claus was ook beeldend kunstenaar. Hij noemde zichzelf een amateur. Schilderen deed hij voor zijn genoegen, hij voelde een gêne om die kant van zijn talent te etaleren. Enkele jaren geleden, toen zijn gezondheid al broos was en voordat Alzheimer zich openbaarde, zei hij over zijn enorme scheppingsdrang: ,,Ik had natuurlijk al twintig jaar met twee callgirls in de zon kunnen liggen aan de Côte d’Azur. Want word ik beter van mijn geschrijf? Wil ik echt, zoals Harry Mulisch, proberen de eeuwigheid te bereiken? Nee natuurlijk, want de essentie van de eeuwigheid is precies dat het nooit ophoudt. Niemand kan zo dwaas zijn te geloven dat hij over 322.000 jaren nog gelezen wordt.”

 

maart, 2008

UA-37394075-1