Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Hugo Claus: Het koperen keteltje vol as

 

Op de set, eind vorige eeuw, van zijn film ‘De verlossing’ liet Hugo Claus (1929-2008) zich ontvallen dat hij geen letter meer zou schrijven. Toneel schreef hij niet meer omdat de moderne theatermakers zijn stukken verminkt op het toneel zouden brengen. En proza schreef hij niet meer omdat hij zo’n beetje alles wel had geschreven wat hij schrijven móest. Een uitzondering maakte hij voor de poëzie.

 

Uiteraard, gedichten schrijven was wat anders, dat stond voor de Vlaamse veelschrijver zo’n beetje gelijk aan ademhalen. Zonder poëzie geen leven.

De bloemlezing ‘Ik schrijf je neer – De mooiste gedichten’ bevat een royale keuze uit zijn omvangrijke poëtisch oeuvre. Een selectie uit meer dan tweeduizend gedichten. Want Claus mag dan van alles hebben gedaan – hij was romancier, schilder, vertaler, (film)regisseur (meestal naar zijn eigen romans of toneelstukken) én een toneelschrijver zonder wie het landschap van de Nederlandstalige toneelschrijfkunst er heel wat schraler uit zou hebben gezien. Hij was in de eerste plaats dichter, een van de grootsten van de lage landen en zeker een van de veelzijdigsten.

Claus was een artistieke duizendpoot, en misschien was zijn werk daarom wel zo wisselend van kwaliteit. Dat kon in zijn proza en toneel soms rampzalig uitpakken. Voor zijn poëzie gold dit in veel mindere mate. Zijn poëzie blijft ondanks of misschien wel dankzij alle tegenstrijdigheden boeien. Hij kan in één gedicht zowel tenenkrommend als briljant zijn. Melige ‘nummers’ en flauwe rijmelarijen staan bij hem ongegeneerd naast superieure sonnetten en prachtige liefdeslyriek. Het boerse en het verhevene, het alledaagse en mysterieuze. Het theatrale en het nuchtere, het engagement en de liefdeslyriek. Claus beheerste al die registers bewonderenswaardig.

De liefde springt eruit, weinig andere Nederlandstalige dichters – of het zou Leo Vroman moeten zijn – wisten zo vaak en ook op oudere leeftijd nog zo fris en vitaal de liefde te bezingen. Daarnaast is Vlaanderen, ‘het onnozel theater Belgenland’, een voortdurend terugkerend thema. In ‘Voorbij’ in ‘De groeten’ komen die twee obsessies even samen: ‘Hou van mij zonder interest./ Wees corrupt als een Belg’.

Claus schreef ook ‘De groeten’, de Gedichtendagbundel van 2002, gemaakt in opdracht van Poetry International. Het korenblauwe boekje in zakformaat bevat elf gedichten en is, zou je kunnen zeggen, Claus in een notendop. Het lijkt of Claus al zijn thema’s en onderwerpen, van de klassieke oudheid tot de actualiteit, al zijn veelzijdigheid aan de hand van dat elftal verzen heeft willen demonstreren.

Er is een liefdespoëem, een vers over poëzie (‘Is dat ook poëzie, Remco?’), een ‘Objet trouvé in de tram’ (dat hij baseerde op een gesprek bij een tramhalte op het Leidseplein), een actueel gedicht over Afghanistan (‘Inch Allah’), en een mooi ‘verdwaald liedje’:

 

De mens dat arme beest

dat vraagt en vrijt en vreest

in de schaduw van de torens

En ik ik ben de kleine bruid

van het goede en het boze

ik maai het onkruid

en ik maai de rozen’.

 

Er is een mooie ode aan ‘0, Antwerpse’ Jan Decleir, de Vlaamse toneelreus die in veel toneelstukken en films van Claus heeft gestaan. Voor Claus is hij een inspirerende figuur:

 

0, dwingeland der zinnen,

heraut van het onhelder minnen,

omdat gij een lichaam geeft aan onze spoken

hebben wij de lelie op de mesthoop geroken!’

 

Architect’ is een ode aan bouwmeester Jan Denkens, die ‘weet welke stoel past bij welke reet./ Hij herkent de tering in de lokale gesteenten/ Hij zweert bij het strakke./ Het leven is vaak een asbak zo abstrakt’. Het gedicht eindigt in een even kleurrijk als troosteloos beeld:

 

Ooit gooide hij een roestvrije bal

tot in de wispelturige wolkenvelden.

De bal kwam niet meer terug.

Nooit meer.’

 

Voor de bloemlezing ‘Ik schrijf je neer’ maakte Claus zelf een ruime selectie uit zijn verzamelde gedichten (‘Gedichten’, 1994), meer dan achttienhonderd gedichten die hij in een halve eeuw bij elkaar schreef, en uit zijn bundel ‘Wreed geluk’ (1999). De uitverkoren gedichten geven een mooi beeld van wat de dichter in zijn mars heeft. Van een dichter die wars van trends en modes en niet gehinderd door ‘de goede smaak’ altijd zijn eigen weg is gegaan. Ook het herlezen van Claus’ poëzie blijft een belevenis. Zijn visie op mens en wereld is zowel ontroerend als ontluisterend, zowel bizar als lucide, vrijblijvend en jolig, hermetisch als klassiek, bloedserieus als boertig, zowel fascinerend als irritant.

‘Ik schrijf je neer’ is een klassiek liefdesgedicht uit de naoorlogse Nederlandstalige letteren. Het begint aldus:

 

‘Mijn vrouw, mijn heidens altaar,

Dat ik met vingers van lucht bespeel en streel’

 

En eindigt met de regels:

 

Ik schrijf je neer op papier

terwijl je als een boomgaard in juli zwelt en bloeit.’

 

De bloemlezing geeft een indruk van Claus’ enorme veelzijdigheid, het is een mooie selectie, al volgt die de persoonlijke smaak van de dichter. Lang niet alle ‘klassieke’ gedichten heeft de eigengereide Claus daarom een plekje in het boek gegund. Zo heeft hij zijn bekende ‘Op Thomas zijn vierde verjaardag’ eenvoudig genegeerd, een prachtig en o zo herkenbaar ‘vadergedicht’, waarin de vader zijn jongen waarschuwt voor alles wat hem in het leven nog te wachten staat. Om het gemis een beetje goed te maken toch een paar citaten eruit:

 

Later mijn jongetje, word je een man,

Later reikhals je als een giraffe naar het hoe en het waarom.

Men zal je stempelen als bagage.

Men zal je kwetsen om je wens en je droom.

(…)

En nog later, jongetje, wordt

je leven een plakboek.

Maar nog lange niet, nog lange niet.’

 

Zijn poëzie bedient alle mogelijke humeuren en stemmingen. Claus is de dichter van de overvloed. Hij lijkt overal en altijd gedichten te kunnen maken, over van alles en niets. Hij draait er zijn hand niet voor om. Neem ‘Asperges me’, waarin de dichter zich vereenzelvigt met een asperge, met alle seksuele toespelingen van dien:

 

En ook als ik reïncarneer,

dan niet Oosters in een kever

of een jonge loopse hond

maar als in de tijd van mijn leven

door een prinses vastgebonden,

oprecht rechtop klaargestoomd

en dan glijdend in haar mond.’

 

Er zijn gedichten over Vlaanderen, de klassieke oudheid, de Vijftigers, Chet Baker, de poëzie, de (schilder)kunst, de beeldhouwkunst en het theater, zijn literaire en artistieke ‘helden’, over de jeugd, de ouderdom en de dood. Neem de volgende nenia, een aangrijpende lijkzang over de dood van zijn broer:

 

‘Het is hard, zei hij, godverdomme hard.

En onrechtvaardig, voor het eerst word ik mager.’

 

Er staan mooie liefdesgedichten in, zoals ‘Love me or leave me’, dat eindigt met de luchthartige verzuchting: ‘is het niet bij de beesten af/ dat van allen die ik begeerde/ zij mij het allerliefst blijft,/ zij die deserteerde?’ Een reeks prachtige sonnetten:

 

‘Als dan het koperen keteltje vol as

van wat ik was wordt leeggeschud

over het geduldig gras,

mijn lief, sta daar niet voor schut’).

 

En uiteraard ontbreekt ‘Envoi’ niet, een ode aan Claus’ geestelijke kinderen die, eenmaal volwassen, de wijde wereld worden ingestuurd:

 

‘Mijn verzen staan nog wat te gapen’

(…)

Genoeg. Ik stuur ze ’t huis uit, ik wil niet wachten

tot hun tenen koud zijn.

(…)

Genoeg. Nog twaalf regels lang op dit blad

hou ik ze de hand boven het hoofd

en dan krijgen zij een schop in hun gat.’

 

Veel had Claus niet op met (‘snurkende’) recensenten en de talloze geleerde duiders van zijn werk. In het lange vers ‘Interview’ wordt de oude dichter bestraffend toegesproken door een vervelende wijsneus, die Claus verwijt niet met zijn tijd mee te gaan. Het gedicht besluit zo: ‘Buiten wijs ik met mijn vinger naar de maan./ Hij blijft kijken naar mijn vinger.’

Soms veranderde Claus heimelijk een al jaren oud gedicht, hij schoof met een woord, voegde iets toe, liet iets weg. Dat vond hij nu eenmaal leuk: ‘Ik verander niet met de seniele zelfgenoegzaamheid van de dichter die ik nu ben’, zei hij daarover. ‘Sommige woorden horen bij een andere tijd, daar moet je niet de demiurg van nu in los laten. Maar ik wil dat mijn gedichten erbij staan als mooie, goede, speelse gedichten, zoals ik dat nú vind. Een ingreep die niet altijd even gelukkig uitpakt.’

Claus blijft intrigeren. Hij dreef de spot met alles en iedereen, maar spaarde zichzelf allerminst. Geen dichter, zo blijkt eens te meer uit deze vorstelijke bloemlezing en uit het bundeltje ‘De groeten’, hoe bescheiden ook van omvang, was zo grillig en onvoorspelbaar, zo abstract en tegelijk zo kristalhelder:

 

Als je haar ziet is het te laat.

Sterf terwijl je zoals altijd

staat te groeten.’

 

Hugo Claus: ‘De groeten’, Poetry International/De Bezige Bij. Hugo Claus: ‘Ik schrijf je neer – De mooiste gedichten’, bloemlezing, 320 blz, uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam.

 

Februari, 2002

UA-37394075-1