Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Ilja Leonard Pfeijffer, de schrik van dichtend Nederland

Lucebert is van eenzame klasse. En de poëzie van Roland Holst, Kopland, Mulisch en Nooteboom? Weg ermee. Dat oordeel velt Ilja Leonard Pfeijffer (1968), de schrik van dichtend Nederland, in zijn essaybundel ’Het geheim van het vermoorde geneuzel. Een poëtica’.

 

Hierin vereffent de dichter, essayist, romancier en criticus enkele rekeningen. Tegelijk schrijft hij gepassioneerd over poëzie en dichters die hij bewondert. Als een zelfbenoemde inquisiteur van de Nederlandse poëzie verheft Pfeijffer al geruime tijd zijn stem in kranten en (literaire) tijdschriften. Een aantal van die stukken en schotschriften is nu gebundeld in ’Het geheim van het vermoorde geneuzel. Een poëtica’, een even speelse als raadselachtige titel.

 

Pfeijffer, die zelf inmiddels drie dichtbundels, een roman en een boek over de antieke literatuur op zijn naam heeft staan, voert zijn eenmansguerrilla in de Nederlandse poëzie om af te rekenen met ’slechte poëzie’. Dat is een hachelijke zaak, want wie maakt uit wat goede poëzie is en wat slechte? Wat maakt een gedicht goed, wat slecht?

 

EEN WARM PLEIDOOI VOOR ZINNENPRIKKELENDE POËZIE

 

Pfeijffer wil af van het idee dat alles maar mag en moet kunnen in de poëzie. Het is de hoogste tijd voor strenge(re) regels. Tegelijk houdt hij een warm pleidooi voor poëzie die schittert en sprankelt, voor het gedicht dat als een zinnenprikkelend taalbouwsel ons als muziek in de oren klinkt, en waarin de taal, de stijl het werk moet doen, niet een idee, anekdote of wijsneuzig of (quasi-)filosofisch uitgangspunt. Pfeijffer houdt van woorddronken, raadselachtige verzen die moeilijk te doorgronden zijn, de soort poëzie kortom die hij zelf schrijft of probeert te schrijven. Van hapklare brokken en overduidelijk autobiografische verzen gruwt hij.

 

LAK AAN CANON EN REPUTATIES

 

Pfeijffer heeft aan de literaire canon of reputaties geen boodschap, hij volgt zijn eigen smaak en op grond van zijn – onbetwiste – deskundigheid velt hij zijn oordelen. En daarbij spaart hij niemand. Dat is allemaal uitermate verfrissend, alleen al omdat hij dit doorgaans doet op een glasheldere manier. Hij verwijst naar de (moderne) klassieken en onderbouwt zijn strenge kritiek met argumenten, die vaak steekhoudend zijn. Maar soms slaat hij de plank volledig mis.

 

Zo maakt hij gehakt van het modern-klassieke vers ’Jonge sla’ van Rutger Kopland. Kopland vindt hij maar sentimenteel. Maar hoe hij ook zijn best doet, hij krijgt ’Jonge sla’ niet klein. Met iets meer succes zet hij zijn tanden in het dichtwerk van Adriaan Roland Holst. Hij ’herdicht’ zonder scrupules een vers uit de gedichtencyclus ’Winter aan zee’. Hetzelfde doet hij met Harry Mulisch en Cees Nooteboom, die in zijn ogen quasi-filosofisch geneuzel als poëzie proberen te verkopen. Bij de homo-erotische gedichten van Hans Warren schudt hij mismoedig de lange manen. En het dichtwerk van de islamdeskundige en rechtsgeleerde Afshin Ellian ontrafelt hij als deerniswekkend broddelwerk.

 

BIJVAL EN WEERSTAND

 

Het is deze wijze van poëziekritiek bedrijven waarvoor Pfeijffer veel bijval krijgt en waarmee hij tegelijk veel weerstand oproept. Al haalt hij voor kritiek op zijn veldwerk laconiek de schouders op.

 

Maar naast de dichters die hij afserveert, staan dichters die hij grootmoedig bewondert of wier werk hij geestdriftig onthaalt. Hij houdt van het experimentele dichtwerk van woordgoochelaar Tonnus Oosterhoff. Lucebert noemt hij zijn leermeester, en wie Pfeijffers eigen poëzie kent, weet dat hij het werk van de Bergense dichter zorgvuldig heeft gelezen en bestudeerd. Lucebert is de top van de berg, en daarop zal hij – met Vondel – nog lang blijven staan, daarvan is Pfeijffer overtuigd.

 

Maar ook het dichtwerk van Hans Verhagen, Joost Zwagerman en Hans Tentije kan op zijn volledige instemming rekenen. Hetzelfde geldt voor Gerard Reve. Hij analyseert diens gedicht ’Een nieuw Paaslied’ aan flarden, toch blijft het fier overeind staan. Dat kan eigenlijk niet, vindt Pfeijffer, volgens ’de regels’ van het spel is er met Reves vers van alles mis. Toch moet hij erkennen dat het niet stuk te krijgen valt. En zo zijn er meer gedichten die volgens de wet van Pfeijffer niet door de beugel kunnen, waaronder Nijhoffs klassieker ’De moeder de vrouw’ en die toch staan als een huis.

 

ZIEL, HART, VLINDER

 

Verder richt Pfeijffer zijn pijlen op woorden als ziel, hart en vlinder, die als het aan hem lag, in de poëzie verboden zouden moeten worden. Merkwaardig, want wat een gedicht of een dichter juist zo goed maakt is dat hij in staat is om aan woorden, ook aan dichterlijke clichés, een nieuwe betekenis te geven, om sleetse en archaïsche woorden weer als nieuw te laten klinken. Lucebert was daar immers ook een meester in.

 

Hoe het zij, Pfeijffer betoont zich in zijn boek een veelzijdige, erudiete en lenige denker en schrijver met wie je het gloeiend eens of oneens kunt zijn, maar die je wel voor zijn tegendraadse standpunten weet te interesseren. Maar ja, uiteindelijk kun je nog zulke harde noten kraken en interessante theorieën ophangen, smaken verschillen. De al dan niet geoefende poëzielezer maakt uiteindelijk zelf uit wat hij een goed of slecht gedicht vindt.

 

Ilja Leonard Pfeijffer: ‘Het geheim van het vermoorde geneuzel. Een poëtica’, essays, 307 blz, uitgeverij De Arbeiderspers.

 

Juli, 2003

UA-37394075-1