Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Ivo de Wijs: ‘Zo ik iets ben, ben ik een schoolmeester’

Mag je ongestraft een topper uit de Nederlandse literatuur ingrijpend bekorten en bewerken? Volgens Ivo de Wijs wel. Hij zette als een schoolmeester streng maar liefdevol het mes in ‘Woutertje Pieterse’ van Multatuli alias Eduard Douwes Dekker (1820-1887), een van Nederlands grootste schrijvers.

 

,,Woutertje Pieterse is al veel te lang met rust gelaten!’’ zegt cabaretier, tekst- en liedjesschrijver en radiomaker Ivo de Wijs (1945) in zijn juweel van een woning op een idyllische plek in Amsterdam-Noord. ,,De jongen wil weer gelezen worden! En ik ben nog niemand tegengekomen die het boek in z’n geheel gelezen heeft. ‘Woutertje Pieterse’? O nee, daar kom je niet doorheen, neem dan de ‘Max Havelaar’ maar. Dat lukt nog wel. ‘Woutertje Pieterse’ geldt als een onleesbaar werk. Zonde is dat, want het is zó’n leuk boek. Dat heeft een beetje de sfeer bedorven. Tja, zo gaat dat met klassieke boeken die niemand heeft gelezen.’’

 

Uitgeverij Hoogland & Van Klaveren was dat een doorn in het oog. Zij vroeg De Wijs, die voor de Hoornse uitgeverij eerder een voorwoord bij de poëziebloemlezing ‘Uit het hoofd’ maakte, om een streng bekorte versie van de klassieker te maken. De geschiedenis van een dromerige jongen in een kleinburgerlijk milieu in 19de-eeuws Amsterdam verdiende het volgens de uitgevers om voor nieuwe lezers toegankelijk(er) te worden gemaakt. ,,Hoogland & Van Klaveren en ik delen een liefde voor dat boek. Ze vonden het ook jammer dat het zo verstoft is geraakt en nog zo weinig wordt gelezen omdat Multatuli het er lelijk bij heeft laten zitten.’’

 

ZE ZIJN ZO DOM EN PLAT DAT ZE WEER LEUK WORDEN’

 

Multatuli tekende de lotgevallen van Wouter verspreid op in zijn zeven bundels ‘Ideeën’ die hij schreef in de jaren 1862-1865 en 1873-1877. Hij liet het werk echter onvoltooid toen hij enkele jaren voor zijn dood ontmoedigd het schrijven staakte.

 

,,Bovendien fungeerde ‘Woutertje Pieterse’ steeds meer als kapstok voor verhandelingen over opvoeding, geschiedenis, monarchie, taalkunde en wat al niet. Daardoor werd het verhaal minder autonoom en minder boeiend. Het was bedoeld als een opstapje, daarom mocht je het niet losmaken uit het geheel. In zijn ‘Ideeën’, zei Multatuli, hing alles met alles samen. Maar los van de bundels genoot Woutertje Pieterse een grote populariteit. Lezers waren verliefd geraakt op Woutertje. Populair waren zelfs de minder sympathieke figuren als de moeder van Wouter en Stoffel, zijn oudere broer. Dat kun je je wel voorstellen. Ze zijn zo dom en plat dat ze weer leuk worden.’’

 

Dacht hij niet: als ik dit doe, roep ik woede en hoon over me af?

,,Jasperina de Jong vroeg me: mag dat? Ik antwoordde: da’s een goeie vraag. Maar volgens mij mag het. Sterker, het is zelfs een beetje nodig. Een diehard koopt het verzameld werk van een dichter. Ik heb van veel dichters alleen de bloemlezing staan. De beste werken wil je bij elkaar hebben. Zelfs de mensen die het verzameld werk van Couperus samenstelden, hebben een deel van zijn jeugdwerk er gewoon uitgegooid. Nee, dit is het niet, dachten ze, daar gaan we de lezers niet mee lastig vallen. Zoiets heb ik nu met Multatuli gedurfd. Beschouw mijn bewerking als een bloemlezing. En tegen wie liever de hele ‘Woutertje Pieterse’ wil gaan lezen, zeg ik: haal ‘m uit de bibliotheek als ie daar tenminste te krijgen is.’’

 

WREEDHEID! MAAR HET MOEST!’

 

Is De Wijs niet te rigoureus te werk gegaan? ,,Het was voornamelijk wegzagen’’, beaamt de bewerker een beetje vilein. ,,Wreedheid! Maar dat moest wel. Er valt natuurlijk altijd over te twisten. Ik had een soort leidraad van de uitgever die me verzocht op zo’n twee honderd bladzijden te mikken. Ik dacht al bladerend door de 556 bladzijden: dit kan weg, dat kan weg. Maar met potlood in de aanslag kwam ik erachter dat ik niet helemaal consequent kon zijn. Passages die ik had willen gebruiken, gooide ik weg, niet gebruikte stukken nam ik weer op omdat het verhaal ook zijn lassen moet hebben.’’

 

De Wijs is zich ervan bewust dat de oprechte Multatuliaan zijn bewerking hoofdschuddend afkeurt. ,,Je hoort het ze denken’’, zegt hij met kwajongensachtige grijns: ,,‘Ivo de Wijs? Cabaretier? Iemand van de radio? Hadden ze niet iemand kunnen vinden die doctor, professor, ingenieur was of zo?’ Op hun website staat inmiddels wel een bespreking. Die is trouwens niet onvriendelijk. Er staat dat in korte hoofdstukjes zo’n beetje door het boek wordt gebladerd. Verbazend, want het tweede hoofdstuk in het origineel is niet langer dan één bladzijde! Waar ik korte hoofdstukjes heb losgelaten, heb ik dat zeker gedaan naar het voorbeeld van de meester. Ach, sommige Multatulianen kennen hun eigen Multatuli niet.’’

 

De Wijs heeft ‘Woutertje Pieterse’ niet alleen ingrijpend bekort, hij heeft het paradoxaal genoeg óók verlengd. In een toegevoegd slothoofdstuk in een afwijkend lettertype knoopt De Wijs een aantal losse eindjes aan elkaar. Gaat hij hier niet echt te ver?

 

,,Het was niet mijn idee. Hoogland & Van Klaveren vonden dat het een end moest krijgen. Zou je dat durven, vroegen ze me? Mijn eerste gedachte was: Aan Multatuli een eind breien? Nee! Dat durf ik niet. Maar ik begon er weldra milder over te denken. Multatuli specialiseerde zich in gekwelde hoofdpersonen die het geluk niet deelachtig zouden worden. Max Havelaar vond de gerechtigheid niet, maar Woutertje Pieterse is een kind. En met kinderen moet het goed aflopen, vind ik. Ik was ook te veel van de jongen gaan houden. Ik heb een paar voorzetten gegeven van hoe het zou kúnnen aflopen. En daar kun je het mee eens zijn of niet. Je kunt het te rooms vinden, te zoet of te gelukkig.’’

 

EEN VAT VOL TEGENSTRIJDIGHEDEN

 

Eduard Douwes Dekker was een vat vol tegenstrijdigheden. Hij was een idealist en een baantjesjager, een charmeur en een charlatan, een gokker en een pathologische leugenaar. ‘Waar haalt zoo iets ordinairs zoo’n kolossaal talent vandaan?’ oordeelde zijn minnares en latere echtgenote Mimi (Maria Hamminck Schepel) over haar ‘Dek’.

 

,,Hoe meer je over hem leest hoe meer dingen haaks op elkaar staan. Waar hij lelijk deed tegen zijn eigen kinderen was hij aardig voor het pleegkind dat hij later aannam. Hij schreef: Er is geen God en werd toch katholiek. Hij was geneigd tot ruzie zoeken, hij verkocht wel eens een klap. En dan te bedenken dat hij een mannetje van één meter vijfenzestig was, toch niet echt groot. Zijn chronische geldgebrek staat weer haaks op zijn verlangen om er keurig uit te zien. Hij was een flamboyant heerschap. Je kéék naar die man als je hem zag.’’

 

Waarom is ‘Woutertje Pieterse’ nog steeds zo’n goed boek?

,,Vanwege de psychologische ontwikkeling van de jongensziel, de ontworsteling aan het milieu. Dat is toch een beetje de drijvende kracht ervan. Je wilt weten wat er van die jongen wordt. Multatuli vindt dat zelf ook belangrijk, want hij levert af en toe commentaar op ontwikkelingen van Woutertje. Sterk is Multatuli’s visie op de samenleving, op de kleinburgerlijkheid. Daarnaast is het een geestig boek. Maar dan hebben we het vooral over het begin hè? Verderop in het boek moet je de leuke scènes een beetje bij mekaar zoeken.’’

 

,,In zijn avontuurlijke stijl gaat Multatuli niets uit de weg. Opsommingen, rubriceringen, verzen, doorbrekingen van verwachtingspatronen. In de ‘Max Havelaar’ kon je al zien dat Multatuli kon schrijven als ik weet niet wat. Hij had geen universitaire opleiding, zat op kantoor voordat hij naar Indië ging, en dat moet hem hebben verdroten want alles wat kantoor is, krijgt er van langs. Werken op kantoor betekende voor hem je leven weg bezemen.’’

 

,,Multatuli was een oertalent. Hij was de eerste die de running gag loslaat. Pater Jansen zegt bijvoorbeeld alsmaar: ‘M’n oor is niet helemaal goed, maar dat leg ik je nog wel eens uit.’ En dat komt nooit aan een end. En dan de combinatie van proza en poëzie, de gedichten die erin voorkomen. Zeer vermakelijk allemaal. Het zit vol met allerlei stilistische en compositorische foefjes waarmee wij pas later vertrouwd zijn geraakt.’’

 

De Wijs schrijft in zijn nawoord: ‘Multatuli verklaarde eens dat hij wilde schrijven ‘als een god en een duivel’, maar over Woutertje Pieterse schrijft hij als een mens, als een vader.’ De Wijs nu: ,,Wouter heeft geen vader en het lijkt alsof de schrijver zich opwerpt als een soort vader. Die jongen moet weg uit dat milieu en daar zal hij voor zorgen. Multatuli is in zijn oeuvre soms echt aan het geselen, maar hier bekommert hij zich echt om die jongen.’’

 

 

IK LIJK EEN BEETJE OP WOUTERTJE PIETERSE’

 

 

Welke figuren zijn hem het meest dierbaar? ,,Ik lijk een beetje op Woutertje Pieterse. Ook ik was op zoek naar boeken, liefst met avonturen die je weg tilden uit het benauwde bestaan, al was het bestaan bij mij thuis in Tilburg niet eens zo benauwd. Erg leuk is Leentje, de meid in huize Pieterse, en juffrouw Laps die een rare draai maakt, van een oude kwezel naar een soort merkwaardige nymfomane. Waar zij in het boek voorkomt krijgt het swung en brille. In Meester Pennewip herken ik de eeuwige schoolmeester die ook in mijzelf zit. Zo ik iets ben, ben ik een schoolmeester. Altijd genegen om het rode potlood te trekken en te kapittelen: Foei! Daar staat een t waar een d hoort, jongeheer! Hoe is dat toch mogelijk?’’

 

Hoe zal de meester zelf tegen deze bewerking hebben aangekeken? Ivo de Wijs, bedachtzaam:

 

,,Als je hem op zijn woord moet geloven, had hij haar afgekeurd. Zou ie hebben gezegd: je mag ‘m niet losmaken van de ‘Ideeën’. Dan zou ik zeggen: Doch uwe weduwe, heer Douwes Dekker, heeft het na uw dood meteen ook gedaan. Is dat zo, zou hij dan zeggen. Ja, kijk maar, en dan zou hij misschien zeggen: Meneer de Wijs, als dat zo is, zal ik u het genadiglijk toestaan. Laten wij een borrel gaan drinken.’’

 

Multatuli: ‘Woutertje Pieterse’, bewerkt en bekort door Ivo de Wijs. Uitgeverij Hoogland & Van Klaveren, 222 blz.

 

December, 2006

UA-37394075-1