Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

J.J. Slauerhoff, Een verborgen, bijna schuwe tederheid

Jan Jacob Slauerhoff (1898-1936), dichter, schrijver, scheepsarts. Op 14 september is het precies honderd jaar geleden dat de dichter en prozaïst, een van de grootsten die Nederland in de twintigste eeuw heeft voortgebracht, in Leeuwarden werd geboren.

 

 

De dichter van Friese komaf, die nergens kon aarden en zijn heil op zee en in vreemde oorden beproefde, zocht tussen zijn reizen door naar rust en stilte, in en buiten Nederland. Ook in Noord-Holland, vooral in Bergen, waar hij betrekkelijk gelukkig moet zijn geweest.

 

VERKNOCHT AAN DUINEN EN ZEEKUST

 

Maar hij was niet alleen verknocht aan de Noord-Hollandse duinen en zeekust, die hem herinnerden aan zijn geliefde eiland Vlieland waar hij vanwege zijn wankele gezondheid veel had gekuurd. Ook Warmenhuizen, waar hij korte tijd als huisarts had waargenomen, droeg hij een warm hart toe.

 

Slauerhoff was een man van uitersten. Bij leven ging hij meer over de tong vanwege zijn onstuimige levenswijze dan zijn scheppend werk. Hij werd bewonderd, op handen gedragen, welhaast verafgood. Maar hij werd ook verguisd, beschimpt en veracht.

 

EEN ROTVENT, EEN ZWERVENDE CATASTROFE

 

Tijdgenoten noemden hem een rotvent, een klier, een zwervende catastrofe. Een driftkop. Maar ook een ‘schitterende dwaas’. Voor de ware intimi kon ‘Slau’ echter geen kwaad doen. Hij was voor hen een bon vivant met wie je moest weten om te gaan.

 

Door vijanden omringd,

Door vrienden in den nood

Geschuwd als aas dat stinkt,

Houd ik mij lachend groot,

Al is mijn ziel verminkt,

Mijn lief voor driekwart dood.

 

(Uit ‘In memoriam mijzelf’)

 

De onverbeterlijke hartenbreker had talrijke vriendinnen en versleet talloze minnaressen. De dichter, die met zijn steile zwarte haar dat veelal los over zijn voorhoofd hing eerder een Slavisch dan een stug Fries uiterlijk had, had de naam vrouwen gemakkelijk te kunnen inpalmen. Bij hen luchtte de liefhebber van vrouwelijk schoon onbezwaard zijn hart, maar, zeker in zijn adolescentenjaren, ontvluchtte hij ze meestal ook weer snel uit angst voor een (al te) vaste band.

 

LOVENDE PATIËNTEN

 

Zijn patiënten, zowel op het vaste land als die op de schepen waarop hij voer, waren vol lof over hun lichtelijk excentrieke dokter. Zo ook in Warmenhuizen, waar de jonge arts in 1924 met grote toewijding de praktijk van zo’n 2500 patiënten waarnam voor G.J.E. van Hesteren. Van Hesteren had uiterst gunstige berichten uit Kampen ontvangen, waar Slauerhoff daarvoor had waargenomen.

 

Slauerhoff voelde zich thuis tussen de overwegend rooms-katholieke tuinders en boeren van het West-Friese dorp. In zijn schaarse vrije tijd zocht de dokter rust en fietste hij acht kilometer naar zee om daar over zijn toekomst na te denken. Hij speelde zelfs enige tijd met de gedachte om zich definitief als arts in Warmenhuizen te vestigen. Bij zijn afscheid voegde Slauerhoff de doktersvrouw toe: ‘Ik hoop uw vriendelijk aanschijn nog eens te zien’.

 

SUMMUM VAN WEERLOOSHEID

 

Simon Vestdijk, die in 1928 dezelfde praktijk waarnam, vond dat het summum van weerloosheid. Hans Feriz, een Oostenrijkse arts die een van Slauerhoffs beste vrienden was, zei later tegen Vestdijk (eveneens een schrijver van Friese afkomst): ‘Jij bent net als Slauerhoff, die is ook weerloos tegenover vrouwen.’

 

In de zomer van 1928 maakte Slauerhoff een lange wandeling naar Callantsoog om het Zwanenwater te zien. Het viel hem niet mee: ”t Is een aardig duinmeertje, maar niet mooier dan bv dat Doodemanskisten op Terschelling…’ In die dagen sprak hij veel met Roland Holst en schaarde zich in Camperduin bij de dichter en balletcriticus Werumeus Buning en andere artiesten. Voor het eerst kwam hij in contact met het balletmilieu, waarin hij zijn latere vrouw Darja Collin trof.

 

ONTEMBARE EISLUST EN GRENZELOZE ONRUST

 

Slauerhoff was geen gemakkelijke man, een gecompliceerd mens, behept met een ontembare reislust en grenzeloze onrust, met wie je gemakkelijk ruzie maakte. Hij verlangde naar eenzaamheid en avontuur en paarde dat aan een welhaast kinderlijk verlangen naar geborgenheid en saamhorigheid. Hij voelde zich een uitgestotene, iemand die nergens bij hoorde, hij was compromisloos, een dwarse geest, die daardoor veel wrevel en weerstand wekte.

 

Hij was een man van de paradox: hij wilde altijd wat er niet was en als het er was, wilde hij het niet, zoals Cees Nooteboom, een bewonderaar van Slauerhoff, het uitdrukte. Maar Slauerhoff mocht dan een bohemien zijn, burgerlijkheid was hem ook niet vreemd. Hij verlangde er wel eens naar om bij thuiskomst met de sloffen aan bij het haardvuur te zitten.

 

Van Slauerhoffs tijdgenoten vertegenwoordigden Adriaan (Jany) Roland Holst en Victor E. van Vriesland de uitersten. Roland Holst, de ‘prins der dichters’, steunde zijn vriend door dik en dun, leverde hem adresjes in Bergen (zoals aan de Doorntjes 32, pal achter het huis van Roland Holst in Bergen-Binnen. Zijn ouders hadden in 1928 aan de Meerweg 21 een villa gehuurd) waar de ziekelijke dichter – hij leed aan astma en tuberculose – in alle stilte en afzondering kon werken of zich ontspannen.

 

VAN VRIESLAND, EEN VERGETEN LITERATUURPAUS

 

De periode dat Slauerhoff op de Gelria voer (1928-1929) verbleef Slauerhoff als hij in Nederland was in Bergen. Van Vriesland, een nu vrijwel vergeten literatuurpaus maar eens buitengewoon invloedrijk, had een gruwelijke hekel aan Slauerhoff, ‘… een mispunt, een nietsnut, geen artiest’. Hoe diep de weerzin en de wrok bij Van Vriesland zat, blijkt wel uit het legendarische verhaal dat zich afspeelde in Bergen. Het is opgetekend door Alfred Kossmann, een bewonderaar van Van Vriesland (over wie hij zijn roman ‘Huldigingen’ schreef).

 

Van Vriesland bazuinde rond dat Slauerhoff iedereen had gepest, ‘ook Roland Holst, die hem liet logeren in zijn huisje aan de Nesdijk. Het is een wonder dat het niet is afgebrand. Hij is daar weggegaan en heeft, echt iets voor hem, de warmwaterkoker in het stopcontact laten staan. De houten bank waarop het ding stond is doorgebrand tot op de grond. Gelukkig kwam Jany op tijd thuis.’

 

Of dit een typische vuile streek van de pestkop Slauerhoff was (waar Du Perron over kon meepraten), is twijfelachtig. Waarschijnlijk was het niet meer dan een daad van slordigheid. Slauerhoff liep er meestal slordig bij, het ontbrak hem volgens de moeder van Du Perron aan tafelmanieren (‘Laat die meneer Slauerhoff toch een voorbeeld nemen aan meneer Jany’, voegde zij haar zoon toe).

 

DE GRENZENLOZE SLORDIGHEID

 

Maar legendarisch is de grenzeloze slordigheid die Slauerhoff in zijn literaire werk demonstreerde. Zijn rommelige, chaotische manier van werken – zijn handschrift was soms volstrekt onleesbaar, ook voor hem zelf – is zelfs wetenschappelijk onderzocht.

 

Het incident waarover Van Vriesland zich zo had opgewonden, had plaats in ’34. Roland Holst verbleef toen in Griekenland en had zijn huisje voor een week afgestaan aan Slauerhoff en zijn echtgenoot, de danseres Darja Collin, met wie hij een weinig gelukkig huwelijk had van nog geen vijf jaar. Nadat het echtpaar was vertrokken, nam een vriend van Roland Holst poolshoogte, zag dat het broodrooster nog aanstond en dat een Oudhollandse kist voor een deel was verschroeid. Roland Holst, schriftelijk op de hoogte gesteld, reageerde zeer ontstemd. Onaangename brieven volgden over en weer. Terug in Bergen bekoelde Roland Holsts woede vrij snel:

 

‘Waar maak ik me eigenlijk dik over? Dat huisje staat nog, ik zit erin, nietwaar? En tenslotte mag ik Slau eigenlijk heel graag’, relativeerde hij.

 

De correspondentie tussen de twee boezemvrienden werd kort daarop weer op warmere toon vervolgd. Roland Holst bestookte Slauerhoff met ‘dadaïstische onzin’. ‘En toen heeft Slau – die ook wel een beetje op mij gesteld was – gedacht: hij is niet meer goed bij zinnen’, vertelde de Bergense dichter vele jaren later tijdens radiogesprekken met Simon Carmiggelt.

 

‘Dus schreef hij mij een heel voorzichtig briefje: ‘Ik heb zo’n gevoel dat het niet erg goed met je gaat. mag ik ‘ns bij je komen?’ Toen is hij bij me gekomen en hebben we ons alle twee doodgelachen. Je moest met hem weten om te gaan.’

 

Als woelige zee en hemel strak en wijd

Zijn wij elkander vreemd en toch vertrouwd:

De een altijd met stilte en rust in strijd,

De ander vol ijle vrede, sterk en koud.

 

En waar de wereld met haar wilde kimmen

Vergeefs naar ’t onbereikbre golft en smacht,

Hoe vonden wij dan, zwervers, weldra schimmen,

Verstandhouding in scheemring, weldra nacht?

 

(Uit ‘Wandeling’, opgedragen aan Adriaan Roland Holst)

 

EEN GROTE WEDERZIJDSE AFKEER

 

Tussen Van Vriesland en Slauerhoff zat veel oudzeer. Dat had zijdelings met het eigen literaire werk van doen. Er was waarschijnlijk ook een vrouw in het spel. Veel van de wederzijdse afkeer was terug te voeren tot het legendarische en buitengewoon invloedrijke literaire tijdschrift Forum, van onder anderen Menno ter Braak, Edgar du Perron (de oprichters) en Simon Vestdijk, waarin de persoonlijkheid van de auteur centraal stond, de vent dus, en niet de vorm of inhoud. Slauerhoff was ‘onafhankelijk’ medewerker, Van Vriesland redacteur.

 

Slauerhoff vond Van Vriesland maar een ‘overbodig element’ die in de Forum-redactie ‘niets toevoegde’. Slauerhoff schreef aan Ter Braak, in 1934:

 

‘Nu vind ik dat er een van de redacteuren zeer weinig uitgaat en allerminst geschikt is, de jeugd te boeien, te trekken, te bezielen. Ik bedoel V.v.Vriesland. In het tijdschrift is niets van hem te merken.’

 

‘JAN PIETERSZOON COEN’

 

Van Vriesland kon door de onderlinge vete onmogelijk nog objectief oordelen over het werk van Slauerhoff, de dichter van bundels als ‘Archipel’, ‘Soleares’, ‘Saturnus’, ‘Eldorado en ‘Een eerlijk zeemansgraf’ (een oeuvre van zo’n vijfhonderd gedichten), de schrijver van de verhalenbundel ‘Schuim en as’, en van het spraakmakende en helaas zelden gespeelde toneelstuk ‘Jan Pieterszoon Coen’. Daarin matigt hij zich over de stichter van Batavia, wiens standbeeld op de Rode Steen in zijn geboorteplaats Hoorn staat, geen politiek oordeel aan, maar ‘ontmaskert’ hij wel een autoriteit, een ‘vaderlandse held’.

 

Daarnaast schreef Slauerhoff enkele uitzonderlijke romans als ‘Het verboden rijk’ en ‘Het leven op aarde’, literaire parels die met hun ‘exotische’ elementen de Nederlandse literatuur verrijkten. En wie zijn gedichten, verhalen en romans leest, zal het niet ontgaan hoe springlevend en ‘modern’ Slauerhoffs werk nu nog aandoet.

 

Met de Bergense schilderes Charley Toorop kon Slauerhoff het ook uitstekend vinden. Ze voerden talrijke gesprekken, zowel in Amsterdam als in Bergen. Aanvankelijk vond zij hem ‘een gek’, maar later herzag zij haar oordeel en bewonderde ze hem als een van de beste jonge dichters.

 

Slauerhoff had iets met Bergen. Tijdens zijn eerste reis naar Zuid-Amerika, voorjaar 1928, maakte hij voortdurend aantekeningen. De oevers van het eiland Wright noemde hij lieflijk. Hij schrijft:

 

‘Hoe ver is de tijd dat het staren naar een kustlijn en bevallige oevers mij emoties van mysteries gaf! Hoeveel meer genot vrij te wandelen en te leven in een landschap zoals Bergen, niet exotisch.’

 

Koud op zee dacht de dichter alweer met weemoed terug aan een kortstondig verblijf in Bergen.

 

EEN VOORKEUR VOOR DE SCHADUWZIJDE

 

Slauerhoff was een romantisch dichter, met een voorkeur voor de schaduwzijde van het bestaan, verwant aan Byron en Baudelaire. Een poète maudit (gedoemde dichter). Hij is niet zomaar wel de ‘Rimbaud van het Noorden’ genoemd. Vrouwen, rebellie en ‘weltschmerz’, geneeskunde, literatuur, ziekte, varen en de zee, zijn tegenstrijdige relatie met zijn geboortegrond (‘In Nederland wil ik niet sterven/ en in de natte grond bederven’) – daar draaide Slauerhoffs leven om.

 

Ik deins niet voor de grens,

Nam afscheid van geen mensch,

Toch heb ik nog een wensch,

Dat men mij na zel geven:

‘Het goede deed hij slecht,

Beleed het kwaad oprecht,

Hij stierf in het gevecht,

Hij leidde recht en slecht

Een onverdraagzaam leven.’

 

(Uit ‘In memoriam mijzelf’)

 

Tegen het einde van zijn leven had Slauerhoff met de meeste van zijn ‘oude’ literaire vrienden nauwelijks meer contact. Met Edgar du Perron, eens zijn wapenbroeder, was hij ernstig gebrouilleerd geraakt. Roland Holst was een van de weinigen met wie Slauerhoff tot aan diens dood op goede voet bleef. Ook na de breuk met Du Perron trok Slauerhoff geregeld naar Bergen. Vlak voor zijn dood kwam Roland Holst hem vrijwel dagelijks opzoeken in rusthuis Villa Carla in Hilversum. De Bergense dichter had hiervoor speciaal logies in Hilversum gezocht.

 

Jan Jacob Slauerhoff stierf op 5 oktober 1936, op 38-jarige leeftijd. Roland Holst schreef aan Slauerhoffs moeder:

 

‘Ik verloor in hem een vriend, die mij vooral in de laatste twee jaren, dierbaar was geworden. In veel opzichten was hij een moeilijk mens, vooral voor zichzelf, en u zult dat in de loop der jaren wel dikwijls ondervonden hebben. Maar hij had een verborgen, bijna schuwe tederheid, die alles goedmaakte.’

 

 

Geraadpleegde literatuur: Wim Hazeu: ‘Slauerhoff, een biografie’, De Arbeiderspers, 1995. S.Vestdijk: ‘Gestalten tegenover mij’, De Bezige Bij, 1961; Victor E. van Vriesland, ‘Herinneringen, verteld aan Alfred Kossmann’, 1969. J.Slauerhoff: ‘Brieven aan Hans Feriz’, privé-domein De Arbeiderspers, 1984.

 

September, 1998

UA-37394075-1