Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

J.M.Coetzee en de kleur en geur van het kwaad

Waar ruikt het kwaad naar? Sulfer? Zwavel? Zyklon B? Of is het kwaad kleurloos en geurloos geworden zoals zoveel van de rest van de morele wereld?’ Het is een uitspraak van Elizabeth Costello. Zij is de hoofdpersoon van de ’roman’ ’Elizabeth Costello’ (2003) van de Zuid-Afrikaanse schrijver J.M.Coetzee (Kaapstad, 1940).

 

In dit boek vormen de dunne lijn tussen goed en het kwaad, het menselijk tekort en (on)geloof, en het morele failliet van de westerse samenleving de voornaamste thema’s.

Het zijn fascinaties waarvan John Coetzee al eerder blijk gaf in zijn meesterwerk ’In ongenade’ (‘Disgrace’). Maar wie een nieuwe ’In ongenade’ verwacht, het gitzwarte boek over de gewelddadige Zuid-Afrikaanse samenleving dat hem in Nederland eindelijk bekendheid verschafte, komt bedrogen uit. Dit boek moet het tegen die roman op alle fronten afleggen.

In dit boek voert hij Elizabeth Costello op, die ook de hoofdpersoon was van ‘Dierenleven’, waarin Coetzee een gewaagde vergelijking trekt tussen de slachthuizen en de nazi-vernietigingskampen en tussen de dierproeven in laboratoria en de proeven op mensen door nazi-arts Mengele. De roem van de 66-jarige Australische schrijfster Elizabeth Costello, beroemd van één boek, ‘The house on Eccles Street’, voert haar tot over de hele wereld.

Ze houdt lezingen, onder andere over ‘De roman in Afrika’, het realisme en het kwaad in de literatuur. Ze ontmoet een voormalige minnaar, een Afrikaanse schrijver die zijn brood verdient in het lezingencircuit waarin hij de ‘orale Afrikaanse roman’ verdedigt (een roman die nog voeling heeft met de menselijke stem). Ze bezoekt haar oudere zuster, een missiezuster in Zoeloeland, die er opmerkelijke ideeën en theorieën op nahoudt die je niet snel in haar positie zou verwachten. Elizabeth ontdekt dat ze met haar zus nog maar weinig gemeen heeft, ze ervaart op haar oude dag dat ze zich steeds vaker moet verantwoorden voor haar werk en gedrag. De schrijfster dreigt steeds meer het contact te verliezen met de werkelijkheid, met de snel veranderende wereld om haar heen.

In haar lezing over het kwaad stelt ze het schrijversschap, het kunstenaarsschap aan de kaak: hoe ver mag de schrijver, de kunstenaar gaan? Sommige gruwelen, zoals die van de nazi’s, zijn te erg om in literatuur ‘tot leven te wekken’, meent ze op zeker moment. Het is een standpunt dat haar zelf tot wanhoop drijft. Want is het immers niet de ‘plicht’ van de kunstenaar niet alleen het goede maar ook het kwade in de mens aanschouwelijk te maken? En zo verdedigt ze meer dwarse en prikkelende theses, zoals: ‘De dood is een privé-zaak; de kunstenaar zou niet mogen binnendringen in de dood van een ander’. Er valt veel te zeggen voor haar standpunten (die ze even later weer net zo gemakkelijk weerlegt), die herhaaldelijk de wenkbrauwen doen fronsen, zeker als Costello impliciet pleit voor het muilkorven van de kunstenaar.

 De vrijplaats die kunst is of zou moeten zijn, staat bij haar ter discussie. En tegelijk erkent ze de onhoudbaarheid van die stelling. Die dubbelhartigheid keert voortdurend terug. Het zegt ook iets over Coetzee zelf, het verklaart de reden waarom hij zijn theorieën in deze verhalende vorm heeft gegoten.

Aan het slot zit ze in een kafkaësk visioen gevangen; om ‘de poort’ te mogen binnengaan dient ze eerst een geloofsverklaring af te leggen. Haar oprechte antwoord dat het braaf katholieke meisje van vroeger nu ‘geen geloof’ meer aanhangt, wordt niet geaccepteerd. Een reden voor haar om zich in haar nadagen diepgravend op het (on)geloof te beraden.

 

Het moge duidelijk zijn, Elizabeth Costello is het vrouwelijk alter ego van Coetzee, de tweevoudig winnaar van de Booker Prize (in 1999 voor ‘Disgrace’). De overeenkomsten zijn te groot en te opzichtig om toevallig (gekozen) te zijn. Neem alleen de naam al (Coetzee/Costello) of de opvattingen van de schrijver als publieke figuur. Een ander opvallend verschil tussen die twee is dat de imaginaire schrijfster Costello zich in het openbaar soepeler beweegt en een gemakkelijker spreekster is dan de bestaande – schuwe en verlegen – schrijver Coetzee.

Dat Costello een Australische is, is ook niet toevallig, aangezien Coetzee de gewelddadige samenleving van Zuid-Afrika onlangs verruilde voor de betrekkelijk rustigere van Australië. Nadeel is dat Coetzee als een wethouder Hekking soms hinderlijk voor zijn hoofdpersoon gaat staan en haar opvattingen in de mond legt die je eerder uit die van een man zou verwachten.

Elizabeth Costello’ is geen ’echte’ roman. Het is meer een essay in verhalende vorm. Net als in ’Dierenleven’ verschuilt Coetzee zich achter zijn personage voor het uitventen van zijn (morele en politieke) ideeën en (literaire) opvattingen, die weliswaar niet per se zijn eigen ideeën hoeven te zijn, maar die ongetwijfeld dicht tegen de zijne aanschurken. Coetzee neemt Costello, of zichzelf hier veel te serieus. Bovendien: het leven van publieke figuur, of dat nu een politicus, een pop-, film- of musicalster, kan buitengewoon boeiend zijn, dat van een schrijver of dichter is dat veel minder. Tenzij het een fascinerende figuur is als Dostojevski, over wie Coetzee eerder ’De meester van Petersburg’ schreef, een roman die wél staat als een huis omdat de grote Russische schrijver eenvoudigweg een meer dan boeiend karakter oplevert.

Waarmee allerminst gezegd is dat Coetzees nieuwe boek slecht is. Als een bundeling van essays is het soms briljant, als roman schiet het tekort. Het lijdt door de essayistische vorm aan samenhang en spanning, en wat fnuikender is aan humor en speelsheid. Het boek is bovendien wisselend van kwaliteit. De eerste hoofdstukken zijn sober en kristalhelder geschreven, maar het proza sprankelt nergens.

Subliem daarentegen zijn de hoofdstukken over het kwaad, de lezing die Costello in Amsterdam houdt, de uitweidingen over de eeuwige fascinatie van de man voor de vrouwenborst, en het kafkaeske slot. Maar van Coetzee verwacht je meer. Deze diepgravende studie naar het menselijk tekort is nu vooral een ’must’ voor zijn groeiende schare fans, voor fijnproevers én (beginnende) schrijvers die ongetwijfeld lering kunnen trekken uit de wijze lessen van de meester.

 

J.M. Coetzee: ‘Elizabeth Costello’. Vertaald uit het Engels door Peter Bergsma en lrving Pardoen. 217 pagina’s, uitgeverij Cossee.

 

Augustus, 2003

UA-37394075-1