Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

J. M. Coetzee – iedereen gelooft dat hij bijzonder is

Opnieuw heeft J.M. (John Maxwell) Coetzee Nederland, of beter, zijn Nederlandse uitgever Cossee, de wereldprimeur van zijn nieuwe roman ‘De kinderjaren van Jezus’ gegund. En een nieuw boek van de Nobelprijswinnaar van 2003 is steevast een literaire belevenis.

 

In dat opzicht stelt de nieuwe roman van een van ’s werelds grootste levende schrijvers niet teleur. Het is in alles typisch een boek van de Engelstalige Afrikaner Coetzee (Kaapstad, 1940). Het boeit en het tintelt, het overtuigt en het wringt, het verwart en het ergert. En het zet tot denken aan. Precies wat Coetzee zelf van goede literatuur verwacht, nee, eist.

De schrijver, zelf geen lachebekje, treedt zelden in de openbaarheid. Verhelderend zijn daarom de vorig jaar verschenen biografie ‘J.M. Coetzee. Een schrijversleven’ door de Zuid-Afrikaanse letterkundige J.C. Kannemeyer en ‘Een manier van vriendschap. Brieven 2008-2011’, waarin Coetzee correspondeert met zijn collega-schrijver Paul Auster. Daarin geeft hij zich verrassend bloot. De schrijver, die bekend staat als een ongrijpbare en zelfverzekerde auteur die zich van niemand iets aantrekt, komt daaruit tevoorschijn als een rusteloze twijfelaar. ‘Om preciezer te zijn’, biecht hij aan Auster op, ‘heb ik genoeg geloof dat als ik maar genoeg tijd en aandacht besteed aan het project dat ik onder handen heb, het zal ‘werken’. En geen duidelijke mislukking zal worden. Maar daar houdt mijn geloof of hoop op. Ik geloof niet zo erg dat mijn werk de tand des tijds zal doorstaan.’

Een mislukking is ‘De kinderjaren van Jezus’ zeker niet geworden. Hoofdpersonen zijn de middelbare Simón en de vijfjarige David. Ze zijn van over de oceaan gekomen en melden zich in het opvangcentrum in een niet met name genoemd Spaanstalig land. De man heeft zich ontfermd over de jongen die zijn moeder tijdens de overtocht is kwijtgeraakt. De manier waarop blijft in nevelen gehuld, net als de tijd waarin het verhaal speelt. Simón vindt werk in de haven bij de graanopslag en sluit vriendschap met de andere stuwadoren.

De havenarbeiders zijn net als de andere personages ‘schoongewassen’ van hun persoonlijke geschiedenis, hoewel Simón zich er tegelijk van bewust is dat er zonder verleden geen heden of toekomst is. Het levert boeiende gesprekken op, tussen Simón en David, die als de meester en zijn leerling zijn, tussen Simón en zijn vriendin Elena. En tussen de havenarbeiders onderling, al doet het soms geforceerd en gratuit aan als zij in klinkende volzinnen met elkaar in discussie gaan.

Intussen gaat Simón op zoek naar de moeder van de jongen. Als hij ‘de moeder’ heeft gevonden, acht hij zijn taak volbracht. Maar hij mist de jongen. Hij voelt zich ‘als zo’n kleurloos mannelijk insect dat als enige functie heeft zijn zaad aan het wijfje door te geven’ en daarna ‘net zo goed kan verkommeren en sterven’. Hij blijft contact houden en zich bemoeien met de opvoeding, tegen de zin van Inés, ‘de moeder’, die haar jongen als een moederkloek beschermt en alles wat hij doet en zegt voor zoete koek slikt. Toch maakt ze een opvallende ontwikkeling door. Als jonge vrouw schikt ze zich in haar lot, als moeder is ze dominant en laat ze niet over zich heenlopen.

Maar niet alleen de moeder vindt David bijzonder. Iedereen met wie de jongen in aanraking komt, is overtuigd van zijn uitzonderlijke talenten. Aanvankelijk is hij vooral een slimme maar dromerige jongen, die in zijn eigen fantasiewereld leeft. Maar doordat hij zo vaak wordt geprezen, gaat hij in zijn eigen bijzonderheid geloven, waardoor het aardige en ontwapenende kind nu en dan een irritant, ongehoorzaam en verwend joch is. Hij wordt slechts mondjesmaat gecorrigeerd. Dat gebeurt nog het meest door de impulsieve en wereldwijze Simón. Hij zegt: ‘We geloven graag dat we bijzonder zijn, mijn jongen, wij allemaal. Maar dat kan strikt genomen niet. Als we allemaal bijzonder waren, zou er geen bijzonderheid meer over zijn. Toch blijven we in onszelf geloven.’ Zelfs Simón krijgt steeds minder vat op het wispelturige kind en ook hij laat zich meeslepen op de golven van het sentiment.

‘De kinderjaren van Jezus’ is een rijk boek, dat op velerlei manieren te lezen en te interpreteren valt. Het is in de eerste plaats een roman over immigranten die hun plaats in een nieuwe wereld moeten zien te veroveren. Het is ook een allegorie van onze samenleving waarin alles volgens de regels behoort te gaan. Wie afwijkend gedrag vertoont of buiten de lijntjes kleurt, past niet in dat patroon. Coetzee stelt ook de opvoeding en het onderwijs aan de kaak, of beter, hij laat zien waartoe het kan leiden als een kind op een voetstuk wordt geplaatst, ouders hem blind op zijn woord geloven en elk gezag wordt ondermijnd. In dat opzicht sluit Coetzees ‘tijdloze’ roman naadloos aan bij de actualiteit. Uit een recent ‘opvoedonderzoek’ blijkt dat ouders gehoorzaamheid bij hun kinderen niet belangrijk vinden, hoewel de maatschappij vaak om een strengere opvoeding roept. De meeste ouders zijn tevreden over hun eigen kinderen, terwijl ze vinden dat andermans kinderen te vrij worden gelaten. Die blinde vlek legt Coetzee feilloos bloot.

In zijn rijke, meerstemmige ideeënroman haalt hij meer overhoop. Hij stelt zich allerlei levensvragen en zet de lezer herhaaldelijk op het verkeerde been. Wat is geschiedenis, wat is waarheid, wat is verbeelding? Wat is een goede opvoeding en zijn alleen de biologische ouders tot onvoorwaardelijke liefde in staat? Alles verandert. Ook aan de haven, waar het zware handwerk allengs wordt overgenomen door machines. Of zoals Simón zegt: ‘Verandering is als het opkomende tij. Je kunt barricades bouwen, maar het zal altijd tussen de spleten door sijpelen.’

Door informatie achter te houden, werpt Coetzee tegelijk een mist op. Zijn proza, afstandelijk en verfijnd, krijgt er iets onbestemds door. Ook de intrigerende titel schept verwarring. Deze verwijst onder meer naar David en zijn vermeende uitzonderlijke gaven, en voor wie wil, naar de jeugd van Jezus die werd geboren in Bethlehem (‘de stad van David’). De titel verwijst ook naar het visioen van Simón, die lijkt gemodelleerd naar de rechtvaardige Simeon in het evangelie van Lucas. Na een ongeluk in de haven ziet hij in zijn ziekenhuisbed, in het schemergebied tussen slapen en waken, ‘zijn’ jongen ‘naakt op een lendendoek na’. Het is een mooi Bijbels beeld, maar het lijkt er met de haren bijgesleept.

Coetzee koppelt in zijn werk, met als hoogtepunten ‘In ongenade’ (1999) en zijn ontroerende en genadeloze autobiografische romans (in 2012 gebundeld in ‘Scènes uit de provincie’), een sterk humanisme aan een doorgaans somber mensbeeld. Er is in ‘De kinderjaren van Jezus’, met op het omslag het zoete ‘Knabenporträt’ van Johann Eduard Ihlée, veel ruimte voor nuances en tegenkleuren. Daardoor gloort er in het universum van Coetzee meer licht dan we van hem gewend zijn.

 

J.M.Coetzee: ‘De kinderjaren van Jezus’ (‘The childhood of Jesus’), vertaald door Peter Bergsma, uitgeverij Cossee, 320 blz, € 19,90.

 

Januari 2013

In verkorte versie gepubliceerd in de kranten van De Persdienst.

UA-37394075-1