Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

J.M.Coetzee: schuw, verlegen en omstreden

De Zuid-Afrikaanse schrijver J.M.Coetzee (1940, Kaapstad), wiens oeuvre in oktober 2003 door de Zweedse Academie is bekroond met de Nobelprijs voor literatuur, is geen lachebekje. Hij is een schuwe en verlegen man, die zelden in de openbaarheid treedt. Van interviews moet hij niets weten, want die ‘zijn in negen van de tien gevallen gesprekken tussen twee vreemden’. En als hij al toestemt in een gesprek zijn vragen over zijn privéleven taboe.

Het lukte VPRO-programmamaker Wim Kayzer ooit na veel vijven en zessen om de schrijver te strikken voor een tv-serie over ‘de schoonheid en de troost’. Er ontvouwde zich een moeizaam maar fascinerend gesprek tussen inderdaad ‘twee vreemden’, die elkaar ontmoetten in een hotelkamer in Kaapstad en op het strand van Diaz Beach.

Het waren ongemakkelijke gesprekken, waarvoor Coetzee zijn antwoorden keurig uit het hoofd had geleerd. Hij liet zich daarbij in bedachtzame bewoordingen sceptisch uit over het nieuwe Zuid-Afrika, zijn geboorteland, dat het decor vormt van de meeste van zijn boeken. Zoals in beklemmende ‘IJzertijd’ (‘Age of iron, 1990), over een vrouw in Kaapstad die weet dat zij langzaam zal sterven aan kanker.

Maar het hoogtepunt in dit rijke oeuvre is het in 1999 verschenen ‘In ongenade’ (‘Disgrace’), waarmee Coetzee wereldwijd zijn naam vestigde. Hierin fileert hij de gewelddadige Zuid-Afrikaanse samenleving van na de Apartheid. Dat doet hij aan de hand van een hoogleraar Engelse letterkunde die wegens aanranding van een van zijn studentes zijn baan verliest. Het boek bevat de fascinaties waarmee Coetzees boeken zijn doordrenkt: de dunne lijn tussen goed en het kwaad, het menselijk tekort en (on)geloof, en het morele failliet van de moderne (westerse) samenleving. Onder het dunne laagje beschaving gaat veel onbeheersbaar geweld schuil. Dat thema is al terug te vinden in zijn debuut ‘Schemerland’ (1974). Het keert terug in de meesterwerken die Coetzee later zou produceren: donkere en meedogenloze romans als ‘Wachten op de barbaren’ en ‘Leven en werken van Michael K’.

 

‘Hij was een verscheurde jongen in een verscheurd land: bij de mensen voelt hij zich niet thuis, alleen in de natuur kan hij zichzelf zijn.’

 

Het wekt geen verbazing dat het leven van John Mazwell Coetzee grotendeels is bepaald door de Apartheid. Toen hij acht jaar was, kwam zijn vader, een rijksambtenaar, op straat te zijn baan wegens een verschil van mening over het apartheidsregime. De familie verhuisde naar het nabijgelegen provinciestadje Worcester. Coetzee schrijft erover in zijn memoires; hij heeft inmiddels twee autobiografieën geschreven. In ‘Jongensjaren’ (de vertaling van ‘Boyhood’, 1997) beschrijft hij zijn kindertijd – een periode van ‘tandenknarsen en lijden’ – in de periode 1948-1951 in Worcester en Kaapstad. Het is een ontroerend portret van een Afrikaner met een Engelse opvoeding. Desondanks blijft hij een buitenstaander in zowel de Afrikaner als de Engelse gemeenschap. Hij was een verscheurde jongen in een verscheurd land: bij de mensen voelt hij zich niet thuis, alleen in de natuur kan hij zichzelf zijn.

Coetzee wilde als jongetje al schrijven, zo blijkt uit dat eerste deel van zijn memoires. Hij wilde niet schrijven over sport of andere onderwerpen die de leraren hem opdragen, maar over ‘iets donkerders’, ‘iets wat zich, zodra het eenmaal uit zijn pen begon te vloeien, onbeheersbaar over de bladzij zou verspreiden, als gemorste inkt. Als gemorste inkt, als schaduwen die zich over het oppervlak van stilstaand water reppen, als de bliksem die door de lucht kraakt.’

In het genadeloze ‘Portret van een jongeman’ (2002) gaat Coetzee terug naar de periode tussen zijn negentiende en vierentwintigste. De onzekere jongen uit zijn jongensjaren is nu student, ontdekt de liefde, faalt daarin en zet zijn eerste stap in het literaire landschap. Hij neemt in 1960, als de toestand in Zuid-Afrika nog nijpender wordt, de wijk naar Londen. Hij vindt werk als computerprogrammeur, voelt zich een ‘zombie’, en stort zich in al zijn eenzaamheid op de literatuur als vluchtplaats.

 

Een bevlogen en vertwijfelde dierenliefhebber

 

Op grond van ‘Dierenleven’ is Coetzee wel een omstreden en gevaarlijk schrijver genoemd. De schrijver laat zich in dit boek kennen als een bevlogen en tegelijk vertwijfelde dierenliefhebber. Hij klaagt de (westerse) mens aan die volgens hem in zijn wreedheid tegenover de dieren veel te ver is doorgeschoten. Coetzee, die zelf het leven leidt van een monnik (hij rookt en drinkt niet, en hij eet geen vlees), trekt in dat boek moeiteloos een vergelijking tussen de slachthuizen en de nazi-vernietigingskampen en tussen de dierproeven in laboratoria en de proeven van nazi-arts Mengele op mensen.

De hoofdpersoon uit dat boek keert terug in zijn meest recente roman, ‘Elizabeth Costello’. Haar roem als schrijfster voert haar tot over de hele wereld. Ze houdt lezingen, onder meer over het kwaad in de literatuur, en dreigt steeds meer het contact te verliezen met de werkelijkheid, met de snel veranderende wereld om haar heen. Het is een boek waarin Coetzee veel van zijn eigen theorieën in verhalende vorm heeft gegoten.

Coetzee, die jarenlang literair criticus en hoogleraar Engelse taal- en letterkunde aan de universiteit van Kaapstad, is ook ‘bekend’ met het Nederlands. Zo vertaalde hij Nederlandse poëzie en werk van Marcellus Emants. Bovendien schreef hij essays over Nederlandse literatuur, onder meer over Emants (lovend), Harry Mulisch (voorzichtig prijzend) en Cees Nooteboom (afwijzend).

Inmiddels heeft Coetzee zich gevestigd in Australië, het land waaruit ook zijn vrouwelijke alter ego Elizabeth Costello afkomstig is. Hij is momenteel verbonden aan de universiteit van Adelaide, in Australië en aan de universiteit van Chicago. Het lijkt opnieuw een ontsnapping uit een land dat gebukt blijft gaan onder racisme, geweld en wreedheden. Het leverde hem wel de stof aan voor een rijk oeuvre waarvoor hij nu terecht de hoogste eer in de letterkunde heeft mogen opstrijken.

 

Oktober, 2003

UA-37394075-1