Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

J. P. Coen, een gedoemde liefde en het ’angstzweet der kolonialen’

Beroemd is de liefdesgeschiedenis van de twee Javaanse kinderen Saïdjah en Adinda uit ’Max Havelaar’ (1860) van Multatuli. Vele jaren eerder, in 1629, speelde zich op hetzelfde eiland Java daadwerkelijk zo’n gedoemde liefde af tussen de toen 17-jarige Pieter Cortenhoef en de 13-jarige Sara Specx.

 

De schrijver en historicus Nico Dros (1956) wekt dit drama tot leven in zijn boek ’Het angstzweet der kolonialen’. De oud-Texelaar roept aan de hand van negen essays een beeld op van drieëneenhalve eeuw Nederlandse heerschappij op Java.

 

Dat essay ’Kalverliefde in de jonge kolonie’ vertelt over twee gevallen kinderen in Batavia anno 1629. Van het liefdespaar was de een, Pieter, een zoon van een opperkoopman van de VOC die wegens wangedrag naar Nederland was teruggeroepen. De ander, Sara, was de dochter van Jacques Specx, de grondlegger van de VOC-handel op Japan. Pieter werd vaandrig, Sara was een zogenoemde staatsdochter in het huishouden van de in Hoorn geboren omstreden gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen, de stichter van Batavia. In diens huis werd het tweetal in ’compromitterende omstandigheden’ aangetroffen.

 

Coen raakte buiten zinnen en wilde het stel liefst meteen ter dood laten brengen. Andere hoge dienaren van de Compagnie staken daar een stokje voor. Er volgde een rechtszaak. Uiteindelijk bepaalde Coen dat de minderjarige Sara een publieke straf diende te ondergaan: een strenge geseling in het stadhuis met open deuren. Pieters lot was veel wreder; hij werd met het zwaard gedood. In Holland, waar het nieuws van de executie pas een jaar later doordrong, werd er schande van gesproken.

 

De precieze rol van Coen in deze affaire bleef onduidelijk. Waarom reageerde hij zo buitensporig? Omdat het liefdesspel zich onder zijn dak had afgespeeld? Nota bene in de ambtswoning van de landvoogd, waardoor het een ’misdaad tegen de staat’ was geworden? Omdat hij zelf heimelijk verliefd was op Sara en wraak wilde nemen op zijn rivaal?

 

Het zijn enkele van de veronderstellingen die in de loop der jaren historici en schrijvers inspireerden, onder wie de dichter en romancier J.J.Slauerhoff voor zijn – helaas door de hedendaagse theatermakers veronachtzaamde – toneelstuk ’Jan Pietersz Coen’ uit 1931.

 

Nico Dros belicht het drama van alle kanten, met een nadruk op de dubieuze (hoofd)rol die J.P.Coen erin speelde. Het is een gedegen stuk, net als de andere essays in het boek. In zijn grote roman ’Ter hoogte van het Salsapaviljoen’ (1999), een ambitieus werk over Texelaars op het vaste land, liep de historicus Dros de romanschrijver Dros nog wel eens voor de voeten. In dit boek vullen die twee elkaar juist perfect aan: de historicus draagt de bouwstenen aan waarvan literator een boeiend verhaal weet te maken.

 

Stijl en informatie, vorm en inhoud houden elkaar in evenwicht. De soms bijna ouderwetse, licht archaïsche en plechtstatige taal van Dros past daar wonderwel bij. Het geeft kleur aan wat gortdroog had kunnen zijn. Het is een stijl die indertijd ook voortreffelijk werkte in zijn debuutroman ’Noorderburen’ (1992), een historische roman over een fictief, onherbergzaam negentiende-eeuws oord op de kop van Texel.

 

Zolderkamertje

 

Boeiend is het stuk over de mythevorming rond het ontstaan van ’Max Havelaar’. Dros rekent af met het romantische verhaal als zou het boek in vier á vijf weken zijn geschreven op een tochtig zolderkamertje ergens Brussel. Dros komt met overtuigende argumenten, waaruit blijkt dat Douwes Dekker in klad een en ander al had klaarliggen maar dat hij in Brussel pas echt Multatuli (’ik, die veel gedragen heb’) werd en de vorm vond waarin hij zijn meesterwerk moest gieten.

 

Volgens Dros bezat in de Nederlandse literatuur naast Multatuli alleen Louis Couperus de literaire verbeeldingskracht om het beeld dat het thuisfront van de kolonie had ingrijpend te veranderen. Daarover gaat het titelstuk van de bundel, ’Het angstzweet der kolonialen’.

 

De stille kracht

 

Hierin gaat Dros in op Couperus’ roman ’De stille kracht’, waarmee de Haagse dandy als een van de weinige Nederlandse schrijvers wist door te dringen tot de Javaanse cultuur en tradities. Couperus laat in zijn boek overtuigend zien dat een westerling, zeker als vertegenwoordiger van een overheersende macht, geen vat kan krijgen op een voor hem wezensvreemde cultuur.

 

De stille kracht’ is in dat opzicht allerminst gedateerd, want in het huidige Indonesië botsen de westerse en oosterse cultuur nog steeds. De spanningen tussen traditie en de moderne tijd nemen eerder toe dan af, en ook de invloed van de islam is alleen maar groter geworden.

 

Zo bezien hebben de stukken van Dros weinig aan actualiteit ingeboet. Neem de herdenking in 2002 van het feit dat de fiere Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) vier eeuwen geleden is opgericht. Dros herinnert ons er fijntjes aan dat die herdenking niet zozeer gericht was het op het herinneren als wel op het vergeten.

 

Hij verwijst daarbij naar een gitzwarte bladzijde uit onze koloniale geschiedenis die zorgvuldig uit de geschiedenisboeken is weggelaten: het jaar 1740 toen in Batavia tienduizend Chinezen over de kling werden gejaagd. Volgens Dros de bloedigste pogrom ooit door Hollanders aangericht. Etnische zuiveringen zijn van alle tijden.

 

Slachting

 

De grote Chinese gemeenschap vormde economisch de ruggengraat in Batavia, maar de Chinezen waren een eigenzinnig volkje dat niet naar het pijpen van de Hollandse kolonisten wenste te dansen. De Chinezen, vooral die buiten de stad woonden, vormden meer en meer een bedreiging voor de Hollandse overheersers, zeker toen het economisch tij kenterde. Weldra ging het mis, ontstak de furie in de stad en werd alles wat Chinees was uitgemoord. De slachting was volgens de overlevering zo groot ’dat het bloed ter hoogte van de enkels langs de straten stroomde, en van daar in de rivier’.

 

De onlusten sloegen later over naar andere delen van Java. In Holland werd verteld dat er op Java sprake was van een samenzwering door de Chinezen die alle blanke mannen ter dood hadden willen brengen om hun vrouwen tot slavin en bijzit te maken. Volgens Dros ontbreekt daarvoor alle bewijs. Volgens hem moet als hoofdschuldige van dit drama gouverneur-generaal Adriaen Valckenier worden aangewezen.

 

Oproer en belegering

 

Toch is het aannemelijk dat de slachtpartij van welk bevel dan ook zou zijn aangevangen’, meent Dros. ’In de dramatische situatie van oproer en belegering was het vijandbeeld van de Chinees dat vanouds bij het kerkvolk door dominees was ingeprent ruw uit zijn onbehaaglijke sluimering gewekt. En juist in deze omstandigheden gaf het immer gesloten karakter van de Chinese gemeenschap voedsel aan allerlei verdenkingen. In Batavia regeerde de angst zozeer dat het volk afgleed naar een mentale geestesgesteldheid die zich als massapsychose laat karakteriseren.’

 

De massamoord moge dan in het moederland onder het tapijt zijn gemoffeld, de Chinezen van Indonesië gedenken de moord op hun voorzaten in een naam, de rivier Kali Besar in Jakarta, die in de Chinese volksmond nog steeds Hongqi heet: rode rivier.

 

Fantoomboek

 

Een ander opmerkelijk stuk in ’Het angstzweet der kolonialen’ is gewijd aan het fantoomboek van Rob Nieuwenhuys (1908-1999). Deze publicist en Indië-kenner wilde ooit een roman schrijven over de moord in 1935 op Leonard Born in Semarang. Het was een geruchtmakende affaire die speelde op de grens van de koloniale en Javaanse leefwereld, ’het niemandsland tussen Europese kring en kampong’.

 

Nieuwenhuys had goud in zijn handen, het lukte hem echter niet om er een aangrijpende roman van te maken. Hoe dat kwam? De botsing van twee werelden was inderdaad een kolfje naar de hand van Nieuwenhuys, maar de moordenares, de Javaanse schoonheid No-ie, en haar slachtoffer, de Indo-europeaan Leonard Born, bleken te weinig tot de verbeelding sprekende figuren om tot interessante romanpersonages uit te groeien. Anders gezegd, Nieuwenhuys wilde zich bovenal aan de feiten houden, waardoor hij zijn roman al bij voorbaat in de kiem smoorde.

 

Inmiddels heeft een andere auteur zich over het koffertje met het dossier-Born ontfermd. Hij wil er alsnog een roman over schrijven. Dros, die Nieuwenhuys op diens ziekbed nog voorzichtig over de affaire heeft gepolst, wil de naam niet onthullen. Maar voor het schrijven ervan zou hij geknipt zijn.

 

Nico Dros: ’Het angstzweet der kolonialen’, 210 blz, uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam.

 

Juli, 2003

UA-37394075-1