Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

J. Rentes de Carvalho blaast ‘Gods toorn over Nederland’

,,Hoe langer ik met hen omga hoe minder ik hen begrijp,’’ verzucht J. Rentes de Carvalho over de Nederlanders in ‘Gods toorn over Nederland’. In zijn boek getuigt hij van zijn afkeer en affectie voor een land waar hij na een halve eeuw geworteld is. Het is tegelijk een portret van een gezegend volk dat zich geen raad weet met zijn welvaart.

 

Veel buitenlanders hebben over Nederland geschreven. De meesten keken hier even rond om daarna weer ijlings te vertrekken. Hun geboekstaafde bevindingen stonden dan ook meestal bol van de clichés en vooroordelen. Sommigen bleven iets langer of vestigden zich hier. Wat ze schreven was soms een openbaring.

 

EEN INDRINGER TUSSEN VREEMDEN

Tot de laatste categorie behoort de Portugees-Nederlandse schrijver J. (José) Rentes de Carvalho (1930), die hier nu langer dan een halve eeuw woont. Hij schreef in de tussentijd een aantal romans en verhalenbundels, waarmee hij een trouwe schare lezers aan zich wist te binden. Maar hij verwierf vooral bekendheid met zijn ‘Portugal, een gids voor vrienden’, waarvan later een zusje verscheen, ‘Lissabon: een nieuwe gids voor vrienden’.

 

Rentes de Carvalho spreekt weliswaar vloeiend Nederlands, maar hij is in tegenstelling tot bijvoorbeeld Kader Abdolah als schrijver zijn moedertaal trouw gebleven. Uit respect, schrijft hij: ,,Alleen wie zich zo niet sinds zijn geboorte dan toch sinds zijn schoolgaande jeugd een taal heeft eigen gemaakt, is in staat die zo te gebruiken dat het maximum van haar rijkdom en uitdrukkingsmogelijkheden kan worden benut.’’

 

ALLES HIER STOND HEM TEGEN

Rentes de Carvalho, geboren in het bergdorp (Vila) Nova de Gaia, arriveerde in 1956 in Nederland om te werken voor de Portugese ambassade, na eerst in het cultureel bruisende Parijs te hebben gewoond. Hij zou hier maar kort blijven, al was het maar omdat hem hier alles tegenstond. Alles leek hem niet alleen anders, maar vooral minder. Het lot hield hem echter hier. Hij trouwde, werd vader van drie kinderen, doceerde van 1964 tot en met 1988 Portugese taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, en draaide langzaam bij.

 

In vijftig jaar heeft hij Nederland zien veranderen van een keurig aangeharkt land met een stug, zuinig en schijnbaar tolerant volk in een onoverzichtelijke verscheidenheid van bevolkingsgroepen met eigen zeden, geloven en gewoonten. Gaandeweg groeide zijn genegenheid voor zijn tweede ‘vaderland’ zonder zijn eerste te verloochenen. Al is de liefde dubbelzinnig gebleven. Afkeer en affectie blijven om voorrang strijden.

 

WAAR DIE ANDERE GOD WOONT

In ‘Gods toorn over Nederland’ legt hij daarvan getuigenis af. Eerder schreef hij al eens over zijn ‘tweede vaderland’ in ‘Waar die andere God woont’, maar daarin zette hij zich tegen Nederland af als een opstandige puber tegen zijn ouders. Hij is nu bezonkener in zijn oordeel. Op zijn 78ste durft hij zelfs te stellen dat Nederland hem heeft gemaakt tot wie hij is:

 

,,En men mag weten dat ik het land er dankbaar voor ben: het zorgt dat ik me goed voel, het biedt me de middelen voor een fatsoenlijk en waardig leven, met voldoende vrijheid.’’

 

Zijn liefde gaat nog dieper. Hij zou nu het liefst als Nederlander wedergeboren worden:

 

,,En het doet er me weinig toe of ik het nieuwe levenslicht aanschouw in Groningen of in Limburg, aangezien de ervaring leert dat niet alle noorderlingen somber zijn en dat de overgrote meerderheid van Belgiës naaste buren evenmin een chronische levensvreugde tentoonspreidt.’’

 

Toch voelt hij zich ‘inwendig pijnlijk in tweeën gesneden’. Voor hem is Nederland geen tweede vaderland, maar ,,een van de twee die het Lot mij heeft willen geven’’. Hij voelt wroeging en pijn tegenover Portugal, alsof hij zijn armlastige geboorteland in de steek heeft gelaten.

 

VENIJN

Gods toorn over Nederland’ is een even grondige als lichtvoetige analyse, al storen de herhaling van zetten soms. Aangenaam is de mix van milde ironie en weloverwogen venijn. Het boek zit vol (opbouwende kritiek) en is niet zonder zelfspot, ,,aangezien God en mijn verwekkers er niet helemaal met hun hoofd bij waren toen ik werd gemaakt, zodat ze me op de wereld zetten met een onbeholpen karakter’’.

 

Het is indirect ook een openhartig zelfportret, al bewaart de schrijver afstand en waakt hij ervoor al te intiem te worden. Zijn vrouw komt bijvoorbeeld terloops ter sprake in een passage over de jaren zestig waarin een hippe notaris en zijn frivole hippievrouw het verbijsterde echtpaar Rentes de Carvalho voorstellen om aan partnerruil te doen.

Zijn observaties zijn soms verrassend, vaak herkenbaar, treffend en juist, maar niet zonder generalisaties, al is dat onvermijdelijk als je een land en volksaard probeert te typeren. Een van de clichés is dat van de Nederlandse vakantieganger die in het buitenland opvalt door zijn luidruchtige gedrag. Dat inspireert Rentes de Carvalho wel tot een van de mooiste zinnen uit zijn boek:

 

,,Als u weet dat in het land waar u werd geboren een flink aantal, ongeacht rang of stand, grofgemanierd is en meer de neiging vertoont tot arrogantie dan tot bescheidenheid, dan is het naïef te verwachten dat het passeren van een landsgrens op hen hetzelfde effect heeft als dat van wijwater op Beëlzebub.’’

 

EEN TERRITORIUM VAN ENCLAVES

Veel bespiegelingen stemmen tot nadenken. Hoezo, Nederland een eenheid? Volgens Rentes de Carvalho is het nog altijd ,,een territorium van enclaves, een republiek van provincies, al zijn het er dan een paar minder dan de zeventien uit de tijd van Karel V’’.

Hij is soms vernietigend in zijn kritiek. Veel glijdt hier in zijn ogen af naar ‘oppervlakkigheid en verslonzing’. Gêne bevangt hem als de Nederlander zich geestelijk uitkleedt op de tv: ,,Hij die privacy als een onschatbaar goed beschouwt, gedraagt zich – en geniet daarvan – als de meest verstokte exhibitionist.’’ En hij acht het kwalijk dat ,,zoveel autochtonen zo weinig trots tonen tot hun land te behoren en zo weinig waarde hechten aan de taal die ze spreken’’.

In zijn woonplaats voelt hij zich steeds minder op zijn gemak. ,,Het Amsterdam van meer dan honderdvijftig nationaliteiten is een wereld geworden waar ik me voel zoals ik me nooit eerder voelde: een indringer in een menigte vreemden.’’ Op straat wordt hij naar zijn gevoel steeds vaker met de nek aangekeken. Niet door mannen, maar door ‘burgerdames van middelbare leeftijd van het type ‘ons soort mensen’. ,,In de blik die ze me toewerpen vermengt een uitdrukking van superioriteit zich met een intense minachting.’’

Hij legt de vinger op de zere plek als hij constateert dat de Nederlandse samenleving niet ziek maar kwetsbaar is geworden. Uit onverschilligheid, gemakzucht en lafheid gaat men voorbij aan kwalijke tendensen:

 

,,Als dit land, dat me dierbaar is, iets kwaads overkomt, ben ik ervan overtuigd dat dat wellicht evenzeer van buiten als van binnenuit komt, uit de ongelukkige situatie die het in de afgelopen drie decennia voor zichzelf heeft geschapen.’’

 

TRADITIES

Nee, een optimist is hij niet. Dat wil niet zeggen dat ‘Gods toorn over Nederland’ een somber of zwaarmoedig boek is, maar Rentes de Carvalho ontbeert nu eenmaal het talent van de blijmoedige die het leven door een roze bril ziet. Deze lectuur is ook zeer aan te bevelen aan een ieder die direct betrokken is bij integratie en migratie. Want de nieuweling of migrant blijft altijd een vreemde:

 

,,De immigrant kan de taal leren, zich aanpassen aan het leven, maar de tradities noch de instituties, de gewoonten, de opvattingen noch de geschiedenis zullen ooit de zijne worden. Daarentegen zal vrijwel alles daarvan eens van zijn kinderen zijn, een pijnlijk besef waardoor het gevoel verscherpt wordt dat hij er niet bij hoort.’’

 

Aan het slot wordt de schrijver licht pathetisch als hij zich ‘dubbel verdoemd’ noemt. Maar hij herpakt zich en concludeert: ,,Al is er in Nederland en de Nederlanders een overvloed van wat me ergert en niet bevalt, er is veel meer dat ik waardeer en hoog aansla.’’ Een woord van bewondering wordt overstemd door dat van kritiek. Misschien is dat juist het summum van integratie, want hierin onderscheidt José Rentes de Carvalho zich niet van veel andere Nederlanders.

 

J. Rentes de Carvalho: ‘Gods toorn over Nederland. Getuigenis van een halve eeuw: 1956-2006’ (’A ira de Deus sobre a Holanda. Testemunho de um meio século 1956-2006’). Vertaald door Arie Pos . Uitgeverij Atlas, 222 blz.

 

November, 2008

UA-37394075-1