Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Jack Wouterse: ‘Als ik speel dan leef ik’

Ook wie nog nooit van de acteur Jack Wouterse heeft gehoord, zal zijn stem herkennen. Die van de joviale marktkoopman in de radiospot De markt van alle markten thuis! De stem achter Haha, je maakt het met Fixit. Of de goedmoedige reus in de reclamespotjes van C1000. Maar hij doet zoveel meer. ,,Ik wil de mensen af en toe laten lachen. Ik ben ook een clown.’’

 

Die daverende lach, die gruizige bas, waarmee hij onheilspellend kan fluisteren en opgewekt dreigen. Jack Wouterse (1957), een boom van een kerel, is een kleurrijke, robuuste acteur, gezegend met een stem die veel registers kan bespelen. Film, tv, toneel, hij draait er zijn hand niet voor om. Zo min als voor een schnabbeltje – reclamespots, voice-overs, tekenfilmfiguren. Niet alleen omdat hij het leuk vindt, ook omdat het lekker verdient.

,,Ja, je moet wel. Het is als acteur keihard werken. Mijn vrouw zit in het onderwijs, dat is heel belangrijk en nog veel harder werken. Ik ben in vaste dienst bij het RO Theater en ik schrok van wat een acteur verdient. Het is echt heel weinig. We hebben geluk dat we er af en toe een schnabbeltje bij kunnen doen. Als je na het harde werken eens lekker op vakantie wilt dan doe je het daarvan. En ik doe veel tekenfilmfiguren. Je hebt ouders, die zeggen, ik kan die stem niet meer hóren. Dat snap ik best, maar ik vind het toch leuk om te doen.’’ (Daverende lach.)

‘Die eerlijkheid, dat simpele, dat trekt mij.

Ik heb een vak, net als een loodgieter.’

Jack Wouterse is indertijd begonnen met een eigen theater, Viaduct, waarvan hij tegelijkertijd de clown, jongleur, pisteknecht en directeur was. ,,Ja, hoe gaat dat? Na de theaterschool kwam de circusschool. Je zet een tribune neer, hangt een paar lampen op, de bezoeker betaalt wat en wij doen een trucje. Dat is natuurlijk ook gewoon toneel. Die eerlijkheid, dat simpele, dat trekt mij. Ik heb een vak, net als een loodgieter. Een bedrijfje dat je draaiende moet houden. Ik doe niet alles, wel veel. Ik heb ooit eens een maand in een uitkering gezeten, dat is niks voor mij, ik verdien mijn geld liever zelf, en dat doe ik hiermee. Ik voel me niks meer dan een groenteboer. Een goeie groenteboer heeft goeie groente. Als je een ouwe krop sla krijgt, is hij een boerenlul. Krijg je een goeie krop sla, is hij een vakman. Zo werkt dat.’’

Hij is immens productief. De waslijst met films, tv-series en theatervoorstellingen is schier eindeloos, met grote rollen – van de film ‘De Noorderlingen’ (1992) tot de theatervoorstelling ‘Koning Lear’ (2007). Hij is als een jongleur die veel ballen in de lucht houdt. Hoe doet hij dat? ,,Vroeger was ik erg op voetballen. Ik deed er weken over om een bladzijde natuurkunde te leren. Ik hoefde maar één keer naar de lijst met voetbaluitslagen te kijken en ik wist ze uit mijn hoofd. Dat geldt ook voor theater. Voor een buitenstaander zal het wel vrij ingewikkeld zijn. Man, hoe hou je dat allemaal uit mekaar? Voor mezelf zit er een logica in. En als ik mijn tekst niet helemaal goed zeg, zeg ik, de tekst is niet goed.’’ (Daverende lach.)

Hij mag bij het grote publiek dan vooral bekend zijn van tv, in de bioscoop en in het theater maakt de toneelreus vooral indruk. ,,Ach, anderen zeggen weer dat mijn kwaliteit vooral bij tv ligt. Het is mij om het even, ik vind het allemaal leuk om te doen. Ik hou zó van mijn werk. Ik werk nu al een week of zeven zeven dagen in de week. Elk weekend zit ik in Spanje, voor de opnamen van een kinderfilm. Waarom? Kan ik met Jan Decleir spelen, een ouwe held van me. De Vlaamse reus, een gigant, ik denk de beste Nederlandstalige acteur. Had ik nooit eerder mee gewerkt. Hoe druk ik het ook heb, hier kón ik geen nee tegen zeggen. Ik woon mezelf uit, ik ben kapot. Kom ’s nachts om vier uur met het vliegtuig aan, moet om zes uur weer door. Het is gekkenwerk, ik ben gewoon verslaafd.’’

‘Als ik speel dan leef ik.’

Waar komt die tomeloze energie, die artistieke bezetenheid vandaan? ,,Als ik speel dan leef ik. Nu ik gesloopt ben merk ik dat ik ouder word, maar op het moment dat zo’n camera aangaat, gebeurt er iets. Maakt niet uit wat ik dan doe, ik ga op een stoel zitten. Of ben bezig dit of dat creatieve probleempje op te lossen. Heerlijk.’’

Maakt het echt niet uit of hij voor de camera of op het toneel staat met publiek in de zaal? ,,Als je het een doet ga je het andere missen. Toneelspelen is een lange boog trekken. Kun je twee uur lang een rol spelen, ergens doorheen gaan, ontwikkeling doormaken. Bij film is het heel lang wachten en dan bám! Moet je er in één keer staan. In het begin dacht ik bij film, dat doe ik nooit meer. Nu vind ik het geweldig.’’

Wouterse is een acteur met bravoure. Type zachtmoedige reus. Ruwe bolster blanke pit. Of is hem dat te clichématig? ,,Ik probeer altijd een tegenkleur te geven aan mijn rollen. Speel ik een boef geef ik ‘m iets goeds mee. Is het een braverik geef ik ‘m iets slechts mee. Om ‘m menselijker te maken. Ik hou heel erg van arbeidersdrama’s, voor zover dat woord bestaat. Stukken die over gewone mensen gaan. Bij ‘Oud geld’ denk ik, wat zeur je nou? Je hebt toch geld? Het lijkt alsof ik die andere mensen beter ken, alsof ik daar meer mee heb.’’

Heeft hij die sympathie voor de kleine man van huis uit meegekregen?

,,Ik kom uit een middenklasse milieu. Maar ik heb nu eenmaal meer met zwervers en alcoholisten, met mensen die het net niet halen. En die hebben vaak heel veel talent. Het is leuk om te onderzoeken waarom het met hen dan toch niet lukt.’’

 

‘Ik kijk nu anders naar

mensen die op straat leven.’

Mensen aan de rafelrand van de samenleving. Het doet denken aan ‘Nachtasiel’ (regie Alize Zandwijk; RO Theater), waarin Wouterse jaren geleden schitterde. ,,Dat was een voorstelling die mijn leven behoorlijk veranderd heeft. ‘Nachtasiel’ ging over mensen die op de bodem zaten en die zeer veel talent hadden. Ik kijk nu anders naar mensen die op straat leven. Ik had de neiging om er een blokje omheen te lopen. Hard werken moet je joh! Daar kijk ik nou toch wel anders tegen aan. Als ik een junk zie trek ik gemakkelijker mijn portemonnee. Denk ik, die man heeft het veel moeilijker dan ik. Ik ben zo blij dat ik niet in zijn schoenen sta. Ik kan me heel goed voorstellen dat ik daar zelf had kunnen zitten. Het zijn misschien wel losers, maar het is zo’n dun draadje. Hoe komt het nou dat wij wel en zij niet, snap je? Die mensen moeten ook gehoord worden.’’

Hij excelleerde als Koning Lear, een voorstelling die wegens succes werd hernomen. ,,Shakespeare is Shakespeare. Normaal weet ik het na een keer of twintig/dertig wel. Bij Shakespeare ligt dat meestal anders. Zo’n mooie taal, zo’n rijke wereld. Ik heb Othello gespeeld. Toen dacht ik, die man heeft dit in 1605 of zo geschreven, over racisme, over jaloezie, maar het is zo scherp, zo goed gezien. Elke avond zag ik er weer iets nieuws in. O, nou snap ik dit, nou snap ik dat. Ik hoop dat die voorstelling nog jaren blijft gaan, en ben benieuwd hoe ie zich verder ontwikkelt, want volgens mij kan ie zich nog meer verdiepen.’’

Hij is een jaartje met toneel gestopt omdat het hem te zwaar werd. ,,Ik deed ‘Blasted’ van Sarah Kane, met Ariana Schluter, bij Johan Doesburg. Ging over zo’n zelfmoordmeisje. Heftig, oorlog, verkrachting, zó zwart. De man die ik speelde, had longkanker. Dan begin je met drie keer hoesten en stopt het niet meer. Je staat op het toneel over te geven. Mensen zeggen, wat mooi, maar ik had het niet meer in de klauwen. Daarna deed ik ‘Keefman’ van Arends. Toen kon ik niet meer. Er hing een wolk van depressie om me heen. Ik wil de mensen af en toe ook laten lachen, ik ben ook een clown. Toen ben ik een tijdje voor oppervlakkigheid gegaan. Beetje tv-werk, beetje grappen maken. Nu kan ik weer. Het moet met mate.’’

‘Ik ben toch wel het type vrije jongen.’

Hij is nu in vaste dienst bij het RO Theater. ,,Ik ben toch wel het type vrije jongen. Maar hier loopt zoveel goed spul rond, hier worden zulke goede voorstellingen gemaakt. Er is altijd reuring, het stinkt naar theater. De mensen hier zijn allemaal vrienden, ze hebben allemaal een handicap of een beperking, maar ze hebben allemaal vreselijk veel talent. Hier zit de crème de la crème. Wat wil je nog meer?’’

Wouterse heeft na zijn vijftigste nog veel plannen. ,,Als je vijftig bent geworden, wil je iets doen wat je nog niet gedaan hebt. Ik kan wel een toneelstukkie gaan doen, filmpie hier, serietje daar, wat ik allemaal hartstikke leuk vind en met liefde doe, maar je wilt ook doen wat je nog niet gedaan hebt.’’ Hij gaat speciaal voor hem geschreven monologen spelen, die op film worden gezet. ,,Heel klein, als ‘Nachtasiel’, maar dan in de metro.’’

Hij wil best een miljoen verdienen of winnen, zegt hij, ja, wie niet, maar daar doet hij het niet voor. ,,Ik heb als clown eens een jongetje met zijn vuist op de tafel zien beuken van het lachen. Dat staat op mijn netvlies gebrand. Dat is mijn ijkpunt. Of iemand komt me tien jaar na dato vertellen dat hij zich nog haarscherp het dansje herinnert dat ik deed met Sacha Bulthuis in een stuk van O’Neill. Zo’n kleine vrouw tegen de buik van zo’n dikke man, die nauwelijks kan dansen. Die wat staan te wiegen op de muziek van ‘The last walz’ van Engelbert Humperdinck. Dat is de impact die theater kan hebben. Dáár doe je het allemaal voor.’’

www.rotheater.nl

 

november, 2008

UA-37394075-1