Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

James Joyce en de taalsoep van een briljant dyslecticus

Als kinderen op een partijtje, zo uitgelaten wordt in literair Nederland gereageerd op de vertaling van het onvertaalbaar geachte ‘Finnegans wake’ van de Ierse schrijver James Joyce (1882-1941). De ene literair criticus na de andere struikelt in zijn geestdrift over de superlatieven om de loftrompet te steken over deze sisyfusarbeid, verricht door het begenadigde vertalersduo Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes.

 

In 2002, 63 jaar na verschijning, is het magnum opus van Joyce eindelijk in het Nederlands vertaald. ‘Finnegans wake’ (1939)? Het magnum opus? Voor Joyce zelf gold dat misschien, maar in de klassieke canon en in de handboeken wordt die plaats toch sinds jaar en dag ingeruimd voor ‘Ulysses’? Wonderlijk, had ik toch altijd gedacht dat ‘Ulysses’ (1922) hét ultieme Joyceboek was! Blijkt in de ronkende besprekingen over ‘Finnegans wake’ deze nauwelijks nog genoemd wordt, ja, haast terloops, alsof dit ‘werkje’ net zo toegankelijk en vlot leesbaar is als een Jip & Janneke.

En dat is wel eens anders geweest. Op de middelbare school konden we Joyce’ verhalenbundel ‘Dubliners’ (1914) en ‘A portrait of the artist as a young man’ (Een portret van de kunstenaar als jongeman, 1916) met een gerust hart op onze boekenlijst zetten, maar ‘Ulysses’? Nee, dat was iets voor snobs, zelfs in Ierland en het Verenigd Koninkrijk, vertelde de leraar Engels, was er maar een handjevol dat het boek aankon. Deze zogenaamde lezers (want gelezen hadden ze het natuurlijk niet, hoonde onze docent) plakten, zoals een huisarts de esculaap, een sticker op de voorruit van hun auto, waaraan je kon aflezen dat ze Joyce gelezen hadden. Dat genootschap moest haast nog geheimzinniger zijn dan de vrijmetselaarsloge.

Jaren later werd ik zelf zo’n snob, want ik las ‘Ulysses’, aangespoord door de verhalen over het fantastische laatste hoofdstuk waarin Molly Bloom onverbloemd haar erotische gedachten spuit (geschreven in de beroemde stream of consciousness). En wat bleek? Ik raakte gefascineerd, geërgerd ook, maar bewondering overheerste. ‘Ulysses’ is een magistraal maar ook wisselvallig boek, bij vlagen fabelachtig mooi, buitengewoon erudiet, vol stilistische brille, dat in achttien episoden vertelt over de omzwervingen op 16 juni 1904 (door Joycebewonderaars Bloomsday genoemd) door Dublin van de advertentieverkoper Leopold Bloom. Hoezo ontoegankelijk, moeilijk en elitair? Het is zo’n rijk boek dat je er niet in uitgelezen raakt. Je kunt er hapsnap in blijven bladeren zonder je te vervelen.

De eerste degelijke Nederlandse vertaling, uit 1969, was van John Vandenbergh. Over de wijze waarop hij – volgens de Britse literaire kritiek in 1999 – hét boek van de twintigste eeuw voor ons, Nederlandse lezers, ontsloten had, werd nadien nogal eens neerbuigend gedaan, ook door de Vlamingen Paul Claes en Mon Nys. Zij vertaalden ‘Ulysses’ een kwart eeuw later opnieuw, buitengewoon sprankelend en toegankelijk, ze veroorloofden zich meer vrijheid, maar het resultaat was, in mijn ogen, niet per se beter dan de vertaling van hun voorganger.

 

Zelfs een hooggeleerde schrijver als de Argentijn Jorge Luis Borges vond ‘het niet te doen’.

 

‘Finnegans wake’ is door de jaren heen in de kritieken en verhalen over Joyce vaak afgedaan als een voetnoot, domweg omdat deze vuistdikke roman onleesbaar zou zijn. Zelfs een hooggeleerde schrijver als de Argentijn Jorge Luis Borges vond ‘het niet te doen’. ‘Finnegans wake’ is dan ook een waanzinnig boek van een geschift genie – dat is tenminste de eerste indruk die je van het boek krijgt. Het is niet negatief bedoeld – zijn waanzin en genie immers niet elkaars extremen én gelijken, want schurken ze tegelijk niet dicht tegen elkaar aan?

En nu heeft het begenadigde schrijvers- en vertalersduo Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes het aangedurfd om deze onmogelijke turf in het Nederlands over te zetten (eerder verschenen van het boek alleen vertalingen in het Frans en Duits). De twee zijn bepaald geen groentjes. In 2001 verrasten ze al met een mooie nieuwe en door theatergroep ’t Barre Land gespeelde vertaling van Shakespeares ‘Hamlet’ omdat ze die van Gerrit Komrij ondeugdelijk achtten. Van een heuse vertaling kun je in het geval van Joyce eigenlijk niet spreken, Bindervoet en Henkes hebben van het Engels (of Iers) van Joyce Nederlands gemaakt.

 

Het is een bombardement van niet-bestaande woorden, neologismen, woorden uit andere talen, levensgeschiedenissen, historische gebeurtenissen, anekdotes, sprookjes, verhalen, religies, mythen.

 

‘Finnegans wake’ is taal- en gedachte-experiment ineen. Het speelt zich allemaal af in het bewustzijn of onderbewustzijn van een dromer. Joyce, die zestien jaar aan het boek werkte, probeert de ongrijpbare gedachtegangen van een dromer in taal te vangen. Een verhaal is er niet, slechte enkele rode draden bieden houvast. De titel verwijst naar een Iers lied waarin een timmerman dood van een ladder valt. Er is een dodenwake bij het lijk van Finnegan, die ontaardt in een zwaar drankgelag en heftige ruzies. Een aantal figuren uit een gezin keert telkens terug, onder wie de kastelein, zijn vrouw en drie kinderen. Het boek zit vol raadsels en verwijzingen. Het is een bombardement van niet-bestaande woorden, neologismen, woorden uit andere talen, levensgeschiedenissen, historische gebeurtenissen, anekdotes, sprookjes, verhalen, religies, mythen. En zo gaat het 628 bladzijden lang door, met op de linkerpagina de oorspronkelijke Engelse tekst en op de rechter de Nederlandse vertaling.

 

Niet het doel heiligt de middelen, maar de middelen heiligen het doel.

 

Joyce speelt hier zo bezeten met woorden en constructies dat zijn proza de grenzen van de begrijpelijkheid geregeld verre overschrijdt. Techniek om de techniek. Niet het doel heiligt de middelen, maar de middelen heiligen het doel. Het is vaak koeterwaals van een onnavolgbare taalvirtuoos. De schrijver speelt hier een sardonisch hoog spel met de lezer, voor zover deze niet allang is afgehaakt.

Toen Joyce werd gevraagd waarom hij zo’n monstrum van taal had geschapen, merkte hij niet voor niets onverstoorbaar, zelfverzekerd en niet zonder hooghartigheid op: ‘Om mijn critici de eerstkomende driehonderd jaar bezig te houden.’

Chaosmos

Bij het lezen – van lezen kun je soms nauwelijks spreken, zeg maar proeven en doorploegen van een wonderlijke, bedwelmende orgie van taal – van chaosmos spreekt het boek zelf – vroeg ik mij af hoe tegen dit boek zou zijn aangekeken wanneer het níet was geschreven door James Joyce of wanneer het zijn debuut was geweest. Zou het dan ooit uitgegeven zijn? Zou men het dan niet hebben afgedaan als de taalsoep van een briljant dyslecticus?

Bleek het ooit onleesbaar geachte ‘Ulysses’ een verrassend toegankelijk boek te zijn, deze onmogelijke ‘Finnegans wake’ wenst zich vooralsnog slechts mondjesmaat prijs te geven. Voor het overige blijft het – voor deze lezer in elk geval – een gesloten boek. Er bestaat een bandopname van James Joyce die een fragment uit het boek voorleest. Met zijn stem blaast hij zijn proza leven in, zoals Auden, Lucebert, Hugo Claus en Gerrit Komrij dat met hun gedichten zo oorstrelend konden doen. Misschien moet je dat met dit boek ook doen, gewoon hardop (voor)lezen. Wie weet komen de zinnen die op papier zo dood als een pier lijken dan vanzelf tot leven.

 

James Joyce: ‘Finnegans wake’. Nederlands van Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes. Tweetalige editie, gebonden met stofomslag in cassette. Athenaeum Polak en Van Gennep, 1272 blz.

 

2002

UA-37394075-1