Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Jan Wolkers 1925-2007 Altijd die glinsterende jongen van achttien

Jan Wolkers was in het laatste kwart van de twintigste eeuw misschien wel ’s lands bekendste schrijver. Ook wie nooit een letter van hem gelezen had, kende hem.

Als het niet was vanwege zijn markante verschijning, dan wel door ‘Turks fruit’, dat tragikomische boek uit 1969 dat in populariteit nog eens werd overtroffen door de fel realistische film uit 1973 die Paul Verhoeven ernaar maakte.

 

ARTISTIEKE REBEL

De jonge Wolkers was een artistieke rebel die in de jaren zestig en zeventig met zijn boeken generaties lezers rode oortjes bezorgde. De oude(re) Wolkers was de ideale grootvader die de jeugd op onorthodoxe wijze de liefde voor de natuur bijbracht. Hij was een man met een groot hart, en of je nu van zijn boeken hield of niet, vanwege zijn grote persoonlijkheid en zijn ontwapenende oprechtheid kon hij op vrijwel ieders sympathie rekenen.

 

Wolkers, type ruwe bolster blanke pit – zo was het in het begin. Maar ook toen al was hij ondanks zijn bravoure een beminnelijk en blijmoedig mens, die zich niet snel uit zijn evenwicht liet brengen en geen blad voor de mond nam. Als Wolkers sprak, spitste je de oren. Elk onderwerp kon hij kleur geven, hij was altijd goed voor een kwinkslag, voor een aardig woord, maar hij kon iemand ook onbarmhartig de oren wassen.

 

GEBOREN VERTELLER

Hij was een geboren verteller. Hij verhaalde even gloedvol over zijn werk en de natuur als over beeldende kunst en zijn zonen. En hij sprak op zeer karakteristieke wijze, met een ietwat hoge, nasale stem, soms lichtelijk gejaagd, met een vloed aan treffende beelden, nu en dan onderbroken door een langgerekt, lijzig ‘hè’.

 

Wolkers begon als beeldhouwer en schilder, maar helemaal groots was hij in zijn schrijverschap. Dat leverde een oeuvre op van ruim dertig boeken, die vanaf zijn debuut ‘Serpentina’s petticoat’ (1961) stuk voor stuk bestsellers werden.

 

EEN SENSATIE

Zijn commerciële succes was immens. Elk nieuw boek van Wolkers was in de jaren zeventig, op het toppunt van zijn roem, een sensatie. De eerste druk van een nieuwe roman van zijn hand bedroeg in die jaren 90.000 exemplaren, ook internationaal brak hij door. Zijn succes was zo groot dat daardoor wel eens het zicht op de artistieke kwaliteiten van zijn werk vertroebeld raakte. Wolkers was in zijn artistieke hoogtijdagen zacht uitgedrukt nogal omstreden.

 

Zo las hij in Bergen, het kunstenaarsdorp dat toch wel wat gewend was, eens het eerste hoofdstuk voor van zijn roman ‘De walgvogel’ (1974), ‘Koloniale waren’, waarin hij onbarmhartig uithaalde naar de ‘koloniaal Colijn’, premier van 1933 tot ’39. De helft van de aanwezigen verliet demonstratief de zaal. Het was niet de eerste en zeker niet de laatste keer dat hij zijn publiek choqueerde. Nog beroemder werd hij in juli 1971 toen hij in navolging van zijn collega-schrijver en tv-komiek Godfried Bomans een week lang moederziel alleen verbleef op het onbewoonde Waddeneilandje Rottumerplaat.

 

Bomans ging er kapot van eenzaamheid, lag ’s nachts als een bang, koortsig kind te luisteren naar de meeuwen die klonken als potige kroegtijgers die om wat te dollen naar een gewillig slachtoffer op zoek waren. Wolkers niet, die voelde zich er volkomen in zijn element, hij waande zich er Robinson Crusoe.

 

DE TALE KANAÄNS

De jeugd van de in 1925 in Oegstgeest geboren Jan Wolkers was doordrenkt met het gereformeerde geloof, de bijbel, God, de tale Kanaäns. Hoe wreed en gruwelijk hij de God der wrake ook vond, ‘die je al vroeg dreef uit het gelukzalig paradijs waar goed en kwaad geen betekenis hadden’, de verhalen in het Oude Testament brachten hem wél de liefde voor de taal bij. Zijn vader, die een kruidenierswinkel dreef, vond de kleine Jan van al zijn elf kinderen veruit de lastigste.

 

Wolkers vocht met hem veel conflicten uit, vooral toen hij op zijn vijftiende besloot niet meer mee naar de kerk te gaan en begon met tekenen en schilderen. ,,Ik denk dat ik van nature atheïst was”, zei Wolkers. ,,Hij sloeg me de trap wel eens op, en dan zei ik: ‘Sla maar christen, ik keer u mijn linkerwang toe.’ Ach God, die man. Soms denk ik met tranen van bewondering aan hem terug.”

 

GOD EN DE VADER

De zoon die rechtlijnige vader schreef veel over zijn gereformeerde jeugd in de crisis- en oorlogsjaren. Maar nergens zo pregnant als in ‘Terug naar Oegstgeest’ (1965). In deze literaire autobiografie zijn alle thema’s samengebald die Wolkers vroege werk al kenmerkte: seks en wreedheid, God en de vader (van de schrijver), broederliefde en eenzaamheid, verval en dood, oorlog en kunst.

 

De thema’s zetten de toon in de verhalen in ‘Serpentina’s petticoat’ en de romans ‘Kort Amerikaans’ (1962) en ‘Een roos van vlees’ (1963) en zouden als vanzelfsprekend ook het latere werk blijven beheersen. Wolkers maakte thuis ook kennis met Nederlands-Indië. Zijn vader verkocht koloniale waar, zijn inwonende oom Hendrik was er geweest en bracht de verzamelde werken van Multatuli mee. Na de oorlog wilde Wolkers weg uit Nederland. Hij meldde zich aan om Indië te bevrijden van de Japanners. Hij werd echter afgekeurd, een vriend en broer gingen wel.

 

EEN ROOS VAN VLEES

Op hun verhalen baseerde hij deels ‘De walgvogel’ (1974), een noodlottige liefdesgeschiedenis tegen de achtergrond van de politionele acties, en ‘De kus’ (1977), waarin een groepsreis door Indonesië herinneringen aan een jeugdvriendschap oproept Intussen volgde hij een opleiding aan de Rijksacademie voor de Beeldende Kunst en ontmoette zijn eerste vrouw, Maria, bij wie hij twee zonen en een dochter kreeg. Daarover schreef hij in het aangrijpende meesterwerk ‘Een roos van vlees’.

 

,,Zij is als baby verbrand in een teil met kokend heet water”, vertelde hij daarover. ,,Het beeld van die verbrande huid die er als vellen bij hing, kan ik niet vergeten. Daar denk ik elke dag een paar keer aan. Later zijn Maria en ik gescheiden, maar tot aan haar dood hebben we een heel goede relatie gehouden.”

 

De grote liefde in Wolkers leven was Annemarie, de Olga uit ‘Turks fruit’. Een semi-autobiografisch liefdesverhaal, zoals alles wat hij schreef aan zijn eigen leven was ontleend. ,,Zij was niet alleen beeldschoon, ze had iets speciaals. Net als Marilyn Monroe. Als zij op haar hakken over straat liep, lag het hele verkeer plat. Mijn lust voor haar werd niet minder, maar haar moeder zat in de relatie te stoken, zodat het uiteindelijk uitging. Daarna zat ik in een rouwproces, in ‘Turks fruit’ gesymboliseerd door Olga’s kanker en haar sterven.”

 

EEN HUISELIJK LEVEN

In tegenstelling tot wat je op grond van zijn boeken en reputatie misschien verwachtte, leefde Wolkers in die tijd allang niet meer als een bohemien of roekeloze kunstenaar. Hij leidde een opvallend huiselijk leven. Liefst omringde hij zich door familie en vrienden en was hij dagelijks in zijn (volks)tuin aan de rand van Amsterdam te vinden, waar hij tot 1980 woonde.

 

Daarna verhuisde hij naar Texel waar hij zich thuis voelde met zijn vrouw Karina, die als zeventienjarige scholier bij zijn Amsterdamse atelier aanklopte om hem een vragenlijstje voor te leggen voor haar examen. Ze is daarna nooit meer weggegaan bij de man die ze liefkozend ‘beesteke’ noemde. Na ‘De doodshoofdvlinder’ (1979), een juweel van vertelkunst over de dood van een vader, volgde nog een reeks romans, maar gelet op de tanende kwaliteit ervan zag het ernaar uit dat Wolkers was uitgeschreven. Hij legde zich in zijn atelier op Texel weer hoofdzakelijk toe op de beeldende kunst waarmee hij al in zijn levensonderhoud probeerde te voorzien voordat hij eind jaren vijftig begon te publiceren.

 

EEN VOLKSVROUW

Jan Wolkers: beeldhouwer, schilder, schrijver: het is de rangschikking die de kunstenaar zelf aanhield. Al hield hij van al zijn kunst evenveel: ,,Het is hetzelfde als een volksvrouw met twaalf kinderen vragen om wie ze het meest geeft. Dat is beledigend.” Het duurde lang voordat Wolkers’ meesterschap werd erkend. Voor de top werd hij een maatje te klein bevonden. Nu de stof van jaren is neergedaald, kun je vaststellen dat enkele van zijn boeken moderne klassieken zijn geworden, zoals ‘Kort Amerikaans’, ‘Terug naar Oegstgeest’ en ‘De walgvogel’.

 

,,Ze doen vaak net of ik alleen maar over seksualiteit heb geschreven”, zei Wolkers. ,,Terwijl de dood veel pregnanter aanwezig is. De dood is de reden waarom we leven. Als er geen dood was, dan kón je driehonderd jaar worden, terwijl je kinderen al tweehonderd jaar in de AOW zitten. Daar moet je toch niet aan denken. De dood is een mooie oplossing, eigenlijk.” In 1989 werd hem de P.C.Hooftprijs toegekend. Die hij prompt weigerde, ‘geschoffeerd’ als hij zich voelde. Want, verklaarde de eigengereide schrijver bij gelegenheid, ‘je weet nooit wie de prijs het jaar daarop zal krijgen’.

 

SCHATPLICHTIG

Dat werd de literatuurcriticus Kees Fens, die Wolkers bewonderde, net als de jongeren Herman Brusselmans, Ronald Giphart, Arnon Grunberg en Joost Zwagerman die allen schatplichtig zijn aan de schrijver. Met sommige collega’s was Wolkers bevriend, onder wie Remco Campert en Hugo Claus. In de jaren zestig ging hij ook om met Gerard Reve. Toen in februari 1959 zijn eerste verhaal ‘Het tillenbeest’ werd gepubliceerd, schreef Reve hem een brief, waarin hij Wolkers complimenteerde: ,,Hij wilde langskomen om met me praten, om te kijken of ik homoseksueel was, denk ik.”

 

Wolkers was een eenling in de literatuur, met een volmaakt eigen stem. Hoe vaak hij ook mag zijn nagevolgd, zijn werk is niet inwisselbaar, zo min als dat van Reve, Hermans en Mulisch. Ook de wijze waarop hij de essayistiek beoefende was voorbeeldig. Geen schrijver wist in al zijn ongeremde levenslust zo te enthousiasmeren, schreef met zoveel kennis van zaken en ongebreidelde hartstocht over zoveel uiteenlopende onderwerpen, van kunst, literatuur en de bijbel tot sport, natuur en de liefde voor de kleine geneugten des levens.

 

En dat alles in een grillige omhaal van woorden en een stortvloed van metaforen, waarbij hij zich wel eens al te zeer door zijn geestdrift liet meeslepen. Wie het vroege werk – de romans en de verhalen – van deze Hollandse Apollo naast de essays legt, zal zich verbazen over het sobere, precieze taalgebruik uit de beginjaren en de barokke, weelderige penvoering in het latere werk.

 

HET GESCHONDEN AANGEZICHT VAN DE WERELD

Wolkers heeft op velerlei wijzen zijn sporen nagelaten. Zo is hij de schepper van aantal opmerkelijke beelden en sculpturen, van de geboetseerde kop van de jonge Gerard Reve, De Kus op de Joop den Uylbrug in Zaandam, het afscheidsbeeld van de gulden in De Nederlandsche Bank en een van de indrukwekkendste oorlogsgedenktekens, het Auschwitzmonument in Amsterdam: een liggende gebarsten spiegel waarin de hemel boven het Wertheimpark gebroken weerkaatst wordt om het geschonden aangezicht van de wereld te symboliseren.

 

Het monument werd enkele keren vernield, waarop Wolkers altijd een alert antwoord formuleerde. Over de literaire kritiek was Wolkers nooit erg te spreken. Hij miste diepgang en ernst. Te vaak ging het naar zijn smaak in de trant van: Wolkers, die vieze schrijver. Een van de weinigen die volgens hem zijn werk goed wisten te duiden, was zijn collega-schrijver Hella Haasse. Zij vatte Wolkers werk kernachtig samen in drie woorden: ‘begeerte naar zuiverheid’.

 

Haasse was het ook die Wolkers inleidde toen hij in 1962 zijn allereerste lezing hield. Meer dan veertig jaar later stonden ze samen op het podium op de Dag van de Literatuur in Den Haag. ,,Ze greep me ineens vast en vroeg: ‘Jan, waarom zijn we toen niet met elkaar naar bed gegaan?’ Ik zei: ‘Nou, Karina was toen zeventien jaar en die zat op mij te wachten.’ Ik vond dat zó aardig van Hella, zó’n dame die zoiets spontaan zei, terwijl iedereen eromheen stond.”

 

EEN GRIEKSE GRIJSAARD

Door de jaren heen veranderde de jonge god met zijn weelderige krullen in een Griekse grijsaard met een markante kop vol woeste witte golven. De imposante torso die Wolkers zo kenmerkte, was niet meer. Maar achter die oude man in zijn kobaltblauwe jack, met zijn gestaag uitdunnende bos witte krullen en broze gezichtshuid rond zijn blauwe ogen kon je nog altijd die ‘glinsterende jongen van achttien jaar’ vinden die de kern van zijn wezen bleef. Over zijn dood en nalatenschap maakte hij zich niet druk. ,,Nee, ik heb geen testament”, zei hij. ,,Karina zorgt wel voor mijn werk. Ze kent alles.”

 

Jan Wolkers was tot aan zijn dood vrijwel dagelijks in zijn atelier te vinden om alles wat hem fascineerde te vangen in beelden of woorden: ,,Dat is een niet-aflatende drang in mij: vormgeven wat er in me leeft. Het is er altijd, sinds ik begon te tekenen als kind. En schrijven, vanaf het moment dat ik het beeld van mijn stervende oudere broer wilde vastleggen. Toen ik hem vanachter de ruit in het ziekenhuis in Leiden voor het laatst zag, werd ik me sterk bewust dat je het verleden moet vastleggen.”

 

oktober, 2007

UA-37394075-1