Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Jan Wolkers, Een grote zilte druppel rouwend in het heelal

Sinds ‘de onverbiddelijke tijd’ uit 1984 publiceerde Jan Wolkers (1925-2007) geen roman meer. Het leek erop dat hij was uitgeschreven, wat zich al openbaarde in de tanende kwaliteit van zijn literaire werk uit het begin van de jaren tachtig. Hij legde zich in zijn atelier op Texel hoofdzakelijk toe op de beeldende kunst waarmee hij al in zijn levensonderhoud probeerde te voorzien voordat hij eind jaren vijftig begon te publiceren en binnen korte tijd uitgroeide tot de een van de meest gelezen, omstreden en tegelijk geliefdste schrijvers van Nederland.

 

DE VERZAMELDE ESSAYS VAN DE HOLLANDSE APOLLO

 

Toch bleef hij naast zijn beeldend werk schrijven, voornamelijk essays. De vier bundels die hij publiceerde – ‘Tarzan in Arles’ (1991), ‘Rembrandt in Rommeldam’ (1994), Mondriaan op Mauritius’ (1997) en ‘Wolkers in Wolkersdorf’ (2000) – werden in 2002 verzameld onder de typisch wolkeriaanse titel ‘De schuimspaan van de tijd’. Tegelijk met dat boek verscheen in dat jaar ‘De weerspiegeling’, de verzameling gesproken columns die hij in het jaar daarvoor uitsprak in het VPRO-radioprogramma OVT (Onvoltooid Verleden Tijd).

 

Als Wolkers sprak, spitste je de oren. Op de radio zingzegde hij zijn gastcolumn. En dat deed hij op zijn karakteristieke wijze, met zijn ietwat hoge, nasale stem, die als hij niet voorlas óók werd gekenmerkt door een lichtelijk gejaagde stem, een vloed aan beelden, nu en dan onderbroken door dat langgerekte, lijzige ‘hè’.

 

Eén van die gastcolumns op de radio staat mij nog haarscherp voor de geest. Hij las het eerste hoofdstuk – ‘Koloniale waren’ – van zijn meer dan een kwart eeuw oude roman ‘De walgvogel’, naar mijn smaak een van zijn beste (met ‘Een roos van vlees’ uit 1963 en ‘Terug naar Oegstgeest’ uit 1965), waarin hij op onnavolgbare manier uithaalt naar de koloniaal Colijn, premier van 1933 tot ‘39.

 

Voorafgaand daaraan vertelde Wolkers dat toen hij het stuk in de jaren zestig voorlas in Bergen, de helft van de aanwezigen demonstratief en gechoqueerd de zaal verliet. Na afloop van de lezing stapte ene meneer Nagel, criminoloog van beroep, op hem af en klopte hem kameraadschappelijk op de schouders met de woorden: ‘Goed gedaan, Jan Wolkers.’ Willem Nagel was de echte naam van de schrijver J.B.Charles, auteur van ‘Volg het spoor terug’ (uit 1953), een indertijd spraakmakende oorlogsroman over een ontgoochelde verzetsstrijder.

 

Jan Wolkers: beeldhouwer, schilder, schrijver – het is de rangschikking die de kunstenaar zelf aanhield. Hij voelde zich in de eerste plaats beeldhouwer, dan schilder en dan pas schrijver. Wolkers, type ruwe bolster blanke pit (ondanks zijn bravoure was hij misschien wel de hartelijkste schrijver van het land), heeft op velerlei wijzen zijn sporen nagelaten.

Hij was de schepper van aantal opmerkelijke beelden en sculpturen, van de geboetseerde kop van de jonge Gerard Reve, ‘De kus’ op de Joop den Uylbrug in Zaandam, het afscheidsbeeld van de gulden in De Nederlandsche Bank (bij de onthulling laatst zei hij over het nieuwe europapiergeld: ‘Het is Habsburgs geld, met een soort operettedecorpilaren erop, die ieder moment om kunnen vallen’) tot een van de indrukwekkendste oorlogsgedenktekens, het Auschwitz-monument in Amsterdam: een liggende gebarsten spiegel waarin de hemel boven het Wertheimpark gebroken weerkaatst wordt om het geschonden aangezicht van de wereld te symboliseren.

 

Maar hij was toch bovenal de schrijver aan wie in 1989 de P.C.Hooftprijs werd toegekend, die hij prompt weigerde, ‘geschoffeerd’ als hij voelde, want, verklaarde de eigengereide schrijver bij gelegenheid, ‘je weet nooit wie de prijs het jaar daarop zal krijgen’ (dat werd de literatuurcriticus Kees Fens, die Wolkers bewonderde).

 

Je vraagt je wel eens af of de man, die eens op vrijwel alle boekenlijsten van middelbare scholieren prijkte en de held was van menig puber en adolescent, vandaag de dag nog wel wordt gelezen. Onlangs viel mijn oog bij een tweedehandsboekenmarkt in de plaatselijke bibliotheek op Wolkers’ ‘Een roos van vlees’. Niemand nam het boek op, besnuffelde het. Niemand.

 

Vier dagen later, nadat de populaire titels uit het lichte genre allang door begerige handen voor een habbekrats waren weggekaapt, lag het boek er nóg. Had iedereen het al in zijn boekenkast staan? Hadden al deze mensen het al gelezen? Of was Wolkers’ populariteit – ooit een van de best verkopende schrijvers van Nederland – de afgelopen decennia zo hard achteruit gehold?

 

Wie het vroege werk – de romans en de verhalen – van deze Hollandse Apollo nu naast de essays legt, zou soms even denken dat er twee verschillende schrijversharten in zijn borst klopten. Leg de veertig jaar oude verhalenbundel ‘Gesponnen suiker’ of ‘Een roos van vlees’ maar eens naast zijn essays in ‘De schuimspaan van de tijd’. Een sober, bijna kaal en precies taalgebruik naast een barokke, weelderige en overdadige penvoering. Toch herken je ze beide onmiddellijk als die van Wolkers. Sla ‘Een roos van vlees’ open. Je leest:

 

De lucht is staalblauw en bezaaid met heldere sterren alsof er kleine gaten in het donkere papier van de hemel geprikt zijn.’

 

Uit ‘Dominee met strooien hoed’, een van de mooiste verhalen uit onze naoorlogse letterkunde:

 

Uit wraak liet ik een kloddertje spuug op haar hoofd vallen dat als een zilveren balletje tussen haar haar bleef hangen.’

 

Mijn vader bad hardop, net als thuis. Als hij even ophield hoorde ik de branding zachtjes grommen, als antwoordde God van ver op zijn vragen.’

 

Of neem deze zinnen uit ‘De walgvogel’:

 

Denk maar niet dat je de psalmen en de catechismus en de artikelen des geloofs om je oren krijgt. O, nee! Keiharde zilveren guldens met God Zij Met Ons op de rand spuiten als een fontein omhoog. Rinkelen verlokkelijker dan alle koralen van Johann Sebastian Bach bij elkaar.’

 

Of deze weerbarstige volzin uit ‘Een schuimspaan van de tijd’:

 

Was het bij willekeurig welke andere schilder om het even geweest of er een schotel franse frietjes of gebakken kriel op tafel had gestaan, bij hem (Vincent van Gogh, red.) moesten het die ongelikte knollen zijn die De Aardappeleters zelf in het zweet huns aanschijns uit de grond geklauwd hadden, alsof hij, met zijn verstikkende messiascomplex volop in de penseelvoering, die sombere vruchten van moeder aarde als het ware wilde laten roepen tot die uit de klei getrokken avondmaalgangers, ‘Neemt, eet, dit is mijn lichaam!’

 

Het is allemaal onmiskenbaar Wolkers, met zijn volmaakt eigen stem. Het maakt hem uniek in de Nederlandse literatuur, al veertig jaar, zijn werk is niet inwisselbaar zoals dat van Reve en Mulisch evenmin is. Ook de wijze waarop hij de essayistiek beoefent is voorbeeldig.

 

Niemand kan zo meesterlijk, bezield en vol vervoering schrijven over beeldende kunst dan Wolkers. Zijn proza en werkwijze is met geen andere essayist in Nederland te vergelijken, – al kun je je soms afvragen of zijn ‘opstellen’ wel echte essays zijn en geen verhalen – geen schrijver weet in al zijn ongeremde levenslust zo te enthousiasmeren, schrijft met zoveel kennis van zaken en ongebreidelde hartstocht, kan op zo’n aanstekelijke manier vertellen over zoveel uiteenlopende onderwerpen, en dat alles in een grillige omhaal van woorden en een stortvloed van metaforen, van beeld op beeld. Dat Wolkers zich daarbij in zijn geestdrift soms wel eens al te zeer laat meeslepen, zij hem dan ook vergeven.

 

De kwaliteit van de stukken is wisselend. Prachtige essays over Rembrandt, Hals en Van Gogh staan tegenover meer vrijblijvende stukken als ‘Wolkers in Wolkersdorf’, waarin hij een reis naar Wenen beschrijft en ‘het dreutelige dorpje’ Wolkersdorf. De dweperige geestdrift van de geweldenaar Wolkers werkt soms averechts, dan is het allemaal iets te veel van het goede; overdaad schaadt. Deze essays laten zich het best smaken als ze met mate worden genoten.

 

De grote verscheidenheid van de onderwerpen komt dan beter tot haar recht: veel beeldende kunst, literatuur (Poe, Toonder, Multatuli), sport, poëzie (Gorter, Dylan Thomas, Keats, Schierbeek), natuur (Jac.P. Thijsse), en de liefde voor de kleine geneugten des levens. Hij schrijft met evenveel elan over de moederborst als over de boomkikker en over zijn liefde voor Texel waar hij sinds 1981 woonde met zijn vrouw Karina en zijn twee jongens.

 

Of over de film, over Johnny Weissmuller alias Tarzan, en Marilyn Monroe. Als man, filmliefhebber en beeldhouwer had zij een magische kracht op hem. De dood van het sekssymbool en de filmdiva, in 1962, bracht hem volkomen van zijn stuk, zoals je volslagen geschokt en verslagen kunt reageren op de dood van een held of idool uit je jeugd. Als Wolkers ‘met gepaste opwinding’ over Monroe schrijft – ‘nog nooit heeft een vrouw op het witte doek zo de volheid van haar vlees in alle natuurlijkheid tentoongespreid’ – is hij als vanouds op dreef, kan hij typisch wolkeriaanse zinnen als deze schrijven:

 

Ik had het gevoel of de aarde een grote zilte druppel was die rouwend in het heelal hing.’

 

En dan de bijbel. De kleine Jan Wolkers heeft de heilige schrift met de moedermelk ingezogen:

 

Zonder twijfel moet het woord Gods, dat in het Oude Testament bij monde van de Profeten als manna uitgestrooid werd, al prenataal tot mij zijn doorgedrongen, want mijn Bijbelvaste vader had zo’n welluidend plechtig stemgeluid dat de buren hem tijdens de schriftlezing na de maaltijd woordelijk door de muur heen konden verstaan, laat staan een zich onder de hete adem van de voordracht bevindende menselijke vrucht.’

 

Het gereformeerde geloof, de bijbel, God, de tale Kanaäns – Wolkers’ werk is ermee doordrenkt. Hoe wreed en gruwelijk hij de God der wrake, ‘die je al vroeg dreef uit het gelukzalig paradijs waar goed en kwaad geen betekenis hadden’, van de verhalen in het Oude Testament ook vindt, de bijbel heeft hem wél de liefde voor de taal bijgebracht. Zijn stilistische kwaliteiten zijn daaraan rechtstreeks toe te schrijven. In het essay ‘Een paradijsvogel boven het aardappelloof’ schrijft hij:

 

Er is geen schrijver die zo beïnvloed is door de Heilige Schrift als Douwes Dekker. Het verhevene, het zalvende, het opzwepend sarcastische ervan, heeft hij tegen zijn vijanden uitgespeeld als geen ander. Gewapend met de bijbel als pijlkoker heeft hij onverdroten jacht gemaakt op christenen en ander eigengereid tuig.’

 

Wolkers heeft het hier over de door hem mateloos bewonderde Multatuli alias Eduard Douwes Dekker. Hij had hetzelfde over collega-schrijver Maarten ’t Hart kunnen zeggen. Maar het zou me niet verbazen als hij tijdens het schrijven van deze zinnen heimelijk of onbewust óók zichzelf in gedachten had.

 

Jan Wolkers: ‘De schuimspaan van de tijd’, verzamelde essays, 479 blz. ‘De weerspiegeling’, 46 pag. Beide uitgaven: De Bezige Bij, Amsterdam.

 

Januari, 2002, geactualiseerd in 2007

UA-37394075-1