Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

John Cheevers bitterzoete portret van een wispelturige familie

Een gentleman, een neuroticus en een alcoholist die een dubbelleven leidde. Dat was John Cheever (1912-1982), een van de grootste naoorlogse Amerikaanse verhalenschrijvers van wie eindelijk zijn befaamde ‘Kroniek van de familie Wapshot’ (1957) is vertaald.

 

De roman vertelt in een sprankelende stijl de bitterzoete geschiedenis van een ‘gewone’ familie uit de middenklasse aan de Amerikaanse noordoostkust. En John Cheever kende die wereld als zijn broekzak, hij zat er middenin en tegelijk hield hij afstand.

Als de chroniqueur van de suburbia beschreef hij met de precisie van een Zwitsers uurwerk in een elegante, vaak bedrieglijk lichte stijl over de gegoede burgerij in de voorsteden, over de benauwende wereld van forenzen, drinkgelagen en harteloze slippertjes, van intellectuele leegte en oeverloos gebabbel.

Dat deed hij vooral in zijn verhalen. Daarin hekelde deze ‘Amerikaanse Tsjechov’ in milde satire de hypocrisie van ogenschijnlijk rimpelloze levens, waarin het onderhuids gist en broeit.

 

Hij was depressief en worstelde met zijn biseksualiteit, die heimelijk zijn weerslag vindt in zijn werk.

 

Over John Cheever doen de fraaiste anekdotes de ronde. Zo wandelde hij elke morgen als een keurige heer in onberispelijk pak naar zijn kantoor zonder ramen. Daar trok hij zijn goede pak uit en zette zich in onderbroek achter zijn schrijfmachine. Het is niet zomaar een kleurrijke anekdote van een kleurrijk schrijver, maar een die laat zien dat bij de keurig getrouwde Cheever, vader van drie kinderen, vrijwel alles anders was dan het leek.

 

Hij was depressief en worstelde met zijn biseksualiteit, die heimelijk zijn weerslag vindt in zijn werk – bij de Wapshots is Coverly Cheevers alter ego. Hij schreef er onverbloemd over in het magnifieke ‘Verscheurde stilte’, een keuze uit zijn postuum gepubliceerde dagboeken, waarmee Cheever bij ons veel bewonderaars verwierf.

 

Cheever ging er levenslang onder gebukt dat het weinig had gescheeld of zijn ouders hadden in 1912 tot een abortus besloten. Zijn beroerde jeugd, met een drankzuchtige schoenenverkoper als vader en een sterke moeder als motor van de familie, liet diepe sporen na bij de teergevoelige zoon. Zijn seksuele geaardheid, de eeuwige twijfel aan zijn talent, zijn drankzucht, zijn gefrustreerde ambities en honger naar seksuele kicks deden de rest. Begrijpelijk dat zijn vrouw Mary, die door Cheever met weinig warmte werd beschreven, de dagboeken van haar man niet kon lezen. Dat ze niettemin toestemming verleende tot publicatie was bewonderenswaardig.

 

Een superieur verhalenschrijver

 

Cheever was een superieur verhalenschrijver. Maar hij wilde zich ook bewijzen als romancier omdat een schrijver pas écht meetelt – in de VS is het niet anders als hier – als hij werk van langere adem schrijft. Dus zette hij zich ook aan een handvol romans, waarvan ‘Bullet Park’ vorig jaar in een mooie nieuwe Nederlandse vertaling verscheen, eveneens van de hand van Guido Golüke.

 

Zijn romans bezitten stilistisch dezelfde hoge kwaliteit als zijn verhalen, maar missen hun adembenemende spanning. De romans zijn meer een samenraapsel van verhalen die niet door een ontwikkeling worden voortgestuwd. Cheevers laatste roman ‘Falconer’, die hij vlak voor zijn dood voltooide, wijkt daarvan af door de gedreven wijze waarop hij hierin openlijk over homoseksualiteit schrijft.

 

Cheever toont ons het leven zowel in zijn opperste schoonheid als in zijn diepste treurnis.

 

Dat ‘Kroniek van de familie Wapshot’ door de wirwar van verhalen en kleine geschiedenissen geen coherent geheel is, is nauwelijks een bezwaar. Wie, zoals deze lezer, eenmaal de wereld van de Wapshots is binnengetrokken, is verkocht. Die leest met genoegen en vooral langzaam, om van elke zin optimaal te kunnen genieten.

 

De Wapshots wonen aan de kust van New England in het vissersdorp St. Botolphs waar het leven lijkt te zijn bevroren en iedereen elkaar kent. Hoe gewoon en tegelijk vreemd deze familie met haar licht excentrieke trekjes ook is, je krijgt als vanzelf een zwak voor haar.

Dat geldt in hoge mate voor de wispelturige tante Honora, die het familiekapitaal beheert, voor de koppige zeerob Leander (gemodelleerd naar Cheevers vader), zijn dromerige vrouw Sarah en hun zonen, de weinig wellevende Moses en de weifelmoedige Coverly, in wie het trotse geslacht van de Wapshots moet voortleven, al gaat dat minder voorspoedig dan gewenst.

In zijn boek verbeeldt Cheever op bitterzoete wijze vrijwel alle aspecten van hun leven, van de wrijvingen tussen generaties en de seksen, zonder verwijzing naar twintigste-eeuwse gebeurtenissen. Hij schrijft even zintuiglijk als beeldend:

 

‘Het leek of heel zijn hart uitging naar de merrie en zijn tedere gevoelens zich over haar brede rug uitspreidden als een deken.’

 

En:

 

‘Voorbij de boerderij van Covell stroomde de Brown – een smalle beek met een overdekt houten bruggetje dat rommelde als de donder toen ze eroverheen reden.’

 

Cheever formuleert scherp en origineel. Als de begrafenisondernemer zijn bedenkingen heeft over de toename van crematies, staat er:

 

‘Wat moest er van de dag des oordeels terechtkomen met niets dan as?’

 

Cheever beschrijft met warmte zijn personages en roept met lichte weemoed de schoonheid op van het landschap van New England waar hijzelf opgroeide. Hij beschrijft fijnzinnig de geneugtes van het leven, of dat nu een diner is, een zeiltocht of een boswandeling, en weet van een bezoek aan de psycholoog een tragikomische sketch te maken. Cheever toont ons het leven zowel in zijn opperste schoonheid als in zijn diepste treurnis.

 

John Cheever: ‘Kroniek van de familie Wapshot’ (1957), vertaald uit het Engels door Guido Golüke, 333 blz, € 19,90, uitgeverij Van Gennep.

UA-37394075-1