Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Jonathan Littell: De mens is een afgrond

Geen boek heeft de laatste jaren wereldwijd zoveel stof doen opwaaien als ‘De welwillenden’ (2006), de in het Frans geschreven debuutroman van de Amerikaan Jonathan Littell (1967). Het is een van de weinige romans waarin de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog niet door een slachtoffer maar door een dader worden verteld.

 

De hoofdpersoon van Littells oorlogsroman ‘Les Bienveillantes’ (‘De welwillenden’) is de SS-Obersturmbannführer Maximilien Aue. Hij is een erudiet jurist die als rapporterende SD-officier (SS-Sicherheitsdienst) betrokken is bij de liquidaties van Joden, politieke tegenstanders, saboteurs, communisten en zigeuners.

Na de oorlog weet hij zich onopvallend op te werken tot directeur van een Franse kantfabriek en besluit na lang zwijgen zijn herinneringen op te schrijven. Het resultaat is een maniakale monoloog van bijna duizend bladzijden, waarin de in 1913 geboren oud-nazi gedetailleerd zijn leven beschrijft tussen 1941-44 aan het Oostfront – in Rusland, Oekraïne, Hongarije, Polen – en later in het door de Russen ingenomen Berlijn.

Aue is een SS’er die met zijn laarzen letterlijk in het bloed staat. Tegelijk is hij een buitenstaander, een kille en analytische rapporteur van de hel, onder meer bij Stalingrad, waar hij zwaar gewond raakt. Hij is bovendien biseksueel, tamelijk riskant in Hitlers Derde Rijk. Het biedt de schrijver de gelegenheid te graven in Aue’s zonderlinge familiegeschiedenis en de broeierige passie voor zijn tweelingzuster Una. Het voorziet de roman van diepere lagen, met verwijzingen naar de Griekse mythologie en Sophokles’ tragedie ‘Elektra’.

Aue pleit zichzelf niet vrij. Hij bekent schuld zonder zich schuldig te voelen, want ieder ander, redeneert hij, zou precies hetzelfde gedaan hebben. Of, in zijn argumentatie over de Endlösung: ,,Wie draagt er schuld? Allemaal, of niemand? Waarom zou de arbeider die het gas moet opendraaien, schuldiger zijn dan de arbeider die met de zorg voor de verwarmingsketels, voor de tuin of voor de transportmiddelen is belast?’’

Nee, Aue doet geen moeite om onze sympathie te winnen, eerder het tegendeel. Dat maakt hem enerzijds ‘menselijk’, anderzijds antipathiek en bij wijlen weerzinwekkend, omdat hij niet ‘alleen doet wat hij móet doen’ (‘Befehl ist Befehl’), maar er tegelijk van overtuigd is dat het gegeven de omstandigheden noodzakelijk was, dat hij niet anders kon. Maar je moet een narcistische figuur als Aue natuurlijk niet op zijn woord geloven.

Deze man was fout, een oorlogsmisdadiger, maar geen psychopaat of monster. Dat zou een al te plat karakter en een saaie roman opleveren. Hij is een ploert maar ook een vertwijfeld mens, intelligent, neurotisch. Hij wordt gekweld door inktzwarte dromen en hallucinaties, en is aan het eind van de oorlog gedemoraliseerd.

Max Aue is kortom een ‘gewoon’ mens, hardvochtig maar niet gevoelsarm, in wie het kwaad bandeloos kan ontkiemen. Misschien is dat wat dit boek zo indringend en onheilspellend maakt, net als de wetenschap dat na de oorlog de meeste beulen als kameleons in de maatschappij konden verdwijnen om daar elk moment weer uit tevoorschijn te kunnen komen.

Op sleeptouw door de grootste wereldbrand in de geschiedenis

Littell neemt de lezer aan de hand van de overtuigde nazi op sleeptouw door de grootste wereldbrand in de geschiedenis. En dat doet hij in natuurlijke dialogen, in minutieuze beschrijvingen van het geweld, het leed, de ellende, van de natuur, de cultuur, en met een verbluffende kennis van het militaire, politieke en bureaucratische apparaat.

Alles moet geregistreerd, hoe vies, voos en vulgair, bruut en ijzingwekkend ook. Niets mag ongezegd blijven, waardoor er soms te weinig ruimte is voor de verbeelding van de lezer. De stijl balanceert tussen functioneel en bezeten, maar het is vooral de dwingende stem van de verteller die het verhaal voortjaagt, als in een achtbaan waarin je heen en weer wordt geslingerd tussen afschuw en fascinatie.

Wat dit boek tot een zeldzame leeservaring maakt is de wijze waarop Littell zich in een SS’er verplaatst en de manier waarop hij ons dwingt te kijken in de duistere krochten van de menselijke geest. Hij roept wezensvragen op en daagt uit. Littell laat in dat opzicht zelfs die andere provocateur van de Franse letteren, Michel Houellebecq, ver achter zich.

De mens is een speelbal van zijn tijd. Of in de woorden die Georg Büchner zijn personage soldaat Woyzeck bijna twee eeuwen geleden in de mond legde: ieder mens is een afgrond, je duizelt als je erin kijkt.

 

Jonathan Littell: ‘De welwillenden’ (‘Les Bienveillantes’, 2006). Vertaling: Jeanne Holierhoek en Janneke van der Meulen. Uitgeverij De Arbeiderspers, 962 blz.

Een boek van

superlatieven

,,Ik dacht dat er tussen de 3000 en 5000 exemplaren van verkocht zouden worden. Mijn uitgever hoopte op iets meer, maar daar stond ik erg sceptisch tegenover. En toen kwam volstrekt onverwacht die explosie,’’ aldus de Amerikaanse schrijver Jonathan Littell nadat zijn Franstalige boek ‘De Welwillenden’ aan zijn wereldwijde zegetocht was begonnen.

In Frankrijk begon het succes. Daar zijn meer dan een miljoen exemplaren van het boek verkocht. Littells vuistdikke oorlogsroman werd er meteen met de twee grootste Franse literaire prijzen bekroond, de Prix Goncourt en de Grand Prix du Roman de l’Académie Française.

De vertaling leidde tot veel ophef en discussies in Italië, Spanje en vooral in Duitsland, waar het zeer verdeeld is ontvangen. De schrijver werd verguisd maar vooral bejubeld, en zijn roman overladen met superlatieven. Het is hier en daar al een van de belangrijkste publicaties van de laatste kwart eeuw genoemd.

De joods-Poolse familie Littell (Lidsky) emigreerde aan het eind van de 19de eeuw naar Amerika. Jonathan Littell (10 oktober 1967, New York) heeft een Franse moeder en een Amerikaanse vader, de spionageschrijver Robert Littell. Zoon Jonathan groeide deels op in de Verenigde Staten, deels in Frankrijk. In zijn jeugd maakten de tv-beelden van de Vietnamoorlog een verpletterende indruk op hem, net als later Claude Lanzmanns film ‘Shoah’. Littell is begaan met het lot van Israël, dat volgens hem nog altijd door de Holocaust is getraumatiseerd. ,,Dat land, gecreëerd als een veilige haven voor Joden, is voor Joden de gevaarlijkste plek op aarde geworden. Het heeft ook het leven voor Joden elders op de wereld gevaarlijker gemaakt.’’

Littell studeerde aan Yale. Na zijn studie werkte hij voor verschillende humanitaire organisaties in Bosnië, Tsjetsjenië, Rwanda, Afghanistan en Congo. Hij spreekt Frans, Engels, Russisch en Servo-Kroatisch. In 2001 nam hij ontslag en begon aan de research voor zijn boek. Hij reisde naar Stalingrad, Kiev en Charkov, raadpleegde honderden boeken, oorlogsarchieven, notulen van processen, beeld- en geluidsmateriaal. Na drie jaar onderzoek schreef hij zijn boek, naar eigen zeggen in vier maanden. Hij kon, verklaarde hij, ‘zijn verhaal’ alleen kwijt als hij in de huid van een SS-officier zou kruipen: ,,Want ik had door mijn werk ervaring met beulen. Ik was met ze omgegaan. Ik ben uitgegaan van wat ik wist, dat wil zeggen, ik met mijn manier van denken en mijn kijk op de wereld, en met het idee dat ik in de huid van een nazi zou kruipen.’’

Historici en vele anderen hebben zijn boek nagevlooid, maar vooralsnog hebben ze hem niet op feitelijke onjuistheden kunnen betrappen. Littell leeft in Barcelona, met zijn vrouw en twee kinderen.

 

Oktober, 2008

UA-37394075-1