Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Joost Zwagerman: Alleen het woord al is taboe

Zes sterren’ van Joost Zwagerman (1963, Alkmaar), draait om zelfmoord. Zelfmoord – Zwagerman verafschuwt het laffe eufemisme zelfdoding – is een onderwerp dat hem al langer bezighoudt.

 

Zo hekelde hij ooit in krantenartikelen de manier waarop de fans van popzanger Herman Brood diens sprong van het Hilton verheerlijkten. Hij zorgde voor een verfrissend (tegen)geluid in het koor van blinde bewonderaars.

De veelzijdige Zwagerman – hij is schrijver, essayist, dichter, columnist en literatuurcriticus – maakte eerder naam met de romans ‘Gimmick’, ‘Vals licht’ en ‘De buitenvrouw’. In ‘Zes sterren’ laat hij zich van een heel andere kant zien. Zeker vergeleken met zijn roman ‘Chaos en rumoer’, waarin hij een schrijver met een writer’s block opvoert. Dat was een nogal bloedeloos boek zonder ‘levensechte’ figuren.

In dat opzicht revancheert hij zich voorbeeldig, ofschoon ook deze roman niet geheel geslaagd kan worden genoemd. Hij heeft het zichzelf met zo’n zwaar en beladen onderwerp ook niet gemakkelijk gemaakt. De verteller, de 25-jarige Justus Merkelbach, zegt het zelf al ergens: ‘Zelfmoord jaagt iedereen op de vlucht, daar ben ik inmiddels wel achter. Alleen het woord al is taboe.’

De lezer weet dan al dat zijn oom Siem zelfmoord heeft gepleegd. Het leven van deze Siem Merkelbach – de spil waar het verhaal om draait – vertelt Zwagerman in notendop als een speelse variatie op de roman ‘Een lach in het donker’ (1932) van Nabokov: ‘Er was eens een man, Siem Merkelbach genaamd, die in Noord-Holland woonde. Hij was rijk, eenzaam en gelukkig. Op een dag bedroog hij zijn vrouw. Hij verliet zijn vriendin; zijn vrouw verliet hém. En zijn leven eindigde rampzalig.’

(Nabokovs roman begint als volgt: ‘Er was eens een man, Albinus genaamd, die in Duitsland woonde, in Berlijn. Hij was rijk, respectabel, gelukkig; op een dag liet hij zijn vrouw in de steek voor een jonge maîtresse; hij had lief; werd niet liefgehad; en zijn leven eindigde rampzalig.’)

We zijn koud begonnen of de schrijver geeft ‘zijn verhaal’ al weg. Nogal riskant, het haalt de angel uit het verhaal. Maar het is Zwagerman hier uiteraard niet om te doen. Hij tracht te reconstrueren hoe iemand tot zo’n gruwelijke daad komt. Hij wil stap voor stap laten zien welke impact zo’n ingrijpende gebeurtenis in het leven van de nabestaanden heeft. Eerst is er het ongeloof, dan de wanhoop, het onbegrip, de woede, het zelfverwijt, de berusting. Dát heeft Joost Zwagerman allemaal inzichtelijk proberen te maken, en dat is hem tot op zekere hoogte voortreffelijk gelukt.

Deze oom Siem stapt uit het leven, maar waarom? Dat is de vraag die de neef Justus en zijn ouders de hele roman bezighoudt. Omdat zijn vrouw hem na 25 jaar huwelijk had verlaten? Hij had succes als zakenman, als hoofdredacteur van een florerend tijdschrift Goedemorgen over hotels in Nederland, met als zijn rechterhand zijn neef Justus. Hij was een levensgenieter, een tragische rokkenjager, met als lezer een grote voorkeur voor Flaubert (‘Madame Bovary’), van wie de schrijver zelf trouwens ook een bewonderaar is.

Had hij toch niet succes genóeg? Het zijn vragen waarmee Justus zijn hersens afpijnigt zonder tot een bevredigend antwoord te komen. Je vraagt je ook af hoe deze Justus al die tijd de opdringerige aanwezigheid van zijn oom heeft kunnen verdragen. ‘Zijn alomtegenwoordigheid was onbedwingbaar en onbedaarlijk’, staat er ergens. Het lijkt erop dat Justus, eerder een week dan een doortastend figuur, dankzij zijn oom Siem pas echt opleefde. Hij was méér dan zijn steun en toeverlaat, hij was de gedroomde vader.

Aan stilistisch vuurwerk geen gebrek in ‘Zes sterren’. Het is Zwagerman wel toevertrouwd. De roman is in een aangenaam lichte stijl geschreven – nergens hapert het, nergens loopt het stroef. Zwagerman beheerst het ambacht tot in de puntjes, en in die zin heeft hij een knap boek geschreven. In kort bestek kan hij een situatie schetsen, in een paar pennenstreken zet hij een karakter neer. Mooi zijn de beschrijvingen van de logeerpartijen van de kleine Justus bij de kinderloze tante Tilly en oom Siem in Hoorn. Hier voelde de verteller de nestwarmte die hij thuis, in Alkmaar-Noord, zo node miste. Geestig zijn de ingelaste recensies gewijd aan een Limburgs hotel. Als de hoteleigenaar een advertentie plaatste in het blad Goedemorgen, kon hij rekenen op een positieve recensie (****), zo niet, dan ging de duim omlaag (**). Dat zaten er wel haren in het doucheputje of remsporen in de wc-pot, desnoods met ontbijtkoek aangebracht.

Enige spanning ontleent het verhaal verder aan de relatie tussen vader en zoon, die op zijn zachtste uitgedrukt op gespannen voet met elkaar staan. Zijn verbitterde vader blijkt ook in alles de tegenpool van de levenslustige oom te zijn. Het verhaal is bovendien heel ‘herkenbaar’: het speelt grotendeels in Noord-Holland, Zwagermans streek van herkomst. En als de moeder van Justus het op haar heupen krijgt, zoekt ze haar toevlucht tot het West-Fries dialect. Het is Hollands realisme ten top.

Over het onderwerp heeft Zwagerman, of de verteller, genoeg zinnigs te melden. Hoe hij daarnaast echter ook uitweidt over de zelfmoord van zijn oom, het verhaal blijft vooral buitenkant. De oom is een kankerpit à la Archie Bunker. Je zou deze aartsconservatief dan ook graag willen horen tieren en foeteren, maar nee, het wordt alleen verteld in de woorden van Justus. En zo is er wel meer wat wel wordt genoemd en bénoemd maar wat je niet na kunt voelen.

Uiteindelijk schrijnt het nergens. Zwagerman geeft te veel weg, er blijft weinig te raden over, waardoor de verbeelding van de lezer te weinig geprikkeld wordt en ook gaandeweg de interesse voor de personages verflauwt. De schrijver had goud in handen, maar heeft het als zand tussen zijn vingers laten lopen.

 

Joost Zwagerman: ‘Zes sterren’. Roman. 213 blz., uitgeverij De Arbeiderspers.

 

Januari, 2002

UA-37394075-1