Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Joost Zwagerman en ‘Het wilde westen’

Joost Zwagerman is van alle markten thuis. Hij schrijft romans en poëzie, hij polemiseert met andere schrijvers, en maakt zich als columnist en essayist druk over van alles en nog wat. Ook in zijn bundel ‘Het wilde westen’ (2003), waarin geen cowboy opdraaft, maar Nederland in het pre- en post-Fortuyntijdperk in kaart wordt gebracht.

 

Wisselvallig en veranderlijk volk

 

Joost Zwagerman (1963, Alkmaar) zou je een geëngageerd schrijver kunnen noemen. Dat klinkt ouderwets, het riekt naar de jaren zestig en zeventig. Want bestaan die dan nog, geëngageerde schrijvers? Vormen die niet – om het wat onbeleefd uit te drukken – een uitstervende diersoort? Aan de vooravond van de oorlog in Irak werd de kwestie in de media her en der weer aan de orde gesteld. Moet een schrijver zijn stem verheffen in tijden van crisis en oorlog?

Vreemd is de vraag niet. Van oudsher roeren schrijvers zich tenslotte in delicate kwesties. Tegenwoordig wordt hun stem, in Nederland, veel minder gehoord. Hun rol is in de media gaandeweg overgenomen door een rits deskundigen, historici, columnisten, journalistieke commentatoren en analisten. Betekent dit dat de rol van de (geëngageerde) schrijver is uitgespeeld?

Het lijkt er op. In het openbare debat tenminste. De vraag is of dat erg is. Want doet de mening van de schrijver er (nog) wel toe? Zijn of haar mening hoeft immers niet per se belangwekkender, verstandiger of nobeler te zijn dan die van de gewone burger. De opinie van een schrijver is pas interessant als deze zijn standpunt helder, goed onderbouwd en genuanceerd weet weer te geven, waarbij je van hem bovendien mag verwachten dat zijn bijdrage in krant of tijdschrift stilistisch ook nog iets extra’s toevoegt.

Maar niemand zit te wachten op een schrijver die schuimbekkend zijn weinig genuanceerde mening geeft en daarbij in zijn naïeve verontwaardiging in één moeite door anderen schoffeert, zoals Marion Bloem recentelijk deed in het tv-programma van Barend & Van Dorp. Evenmin heeft iemand iets aan de ‘mening’ van een auteur die weliswaar luidkeels roept dat hij tegen de oorlog is maar vervolgens, zoals Connie Palmen dat deed in Netwerk, toegeeft zich in de kwestie niet of nauwelijks te hebben verdiept en eigenlijk ook niet goed weet wat ze ervan denken moet. Schoenmaker blijf bij je leest, zou je tegen dit soort schrijvers willen zeggen, al zal dit niet altijd meevallen als de camera de ijdelheid streelt.

Toch zijn er schrijvers wier bijdragen aan het openbare debat wel degelijk de moeite waard zijn, zoals Joost Zwagerman. Hij is zo’n schrijver die nooit te beroerd is om zich in het actuele debat te mengen. Hij doet dat met kennis van zaken, met betrokkenheid en in een vaardige stijl. Je kunt het gloeiend met hem eens of oneens zijn, zijn stukken zijn meestal prikkelend en plezierig om te lezen. Lef en bravoure kunnen hem evenmin worden ontzegd, zoals ook weer blijkt uit zijn bundel ‘Het wilde westen’, waarin hij zijn stukken bundelde die tussen 2001 en 2003 verschenen in de Volkskrant en NRC Handelsblad, met een nadruk op 2002, het jaar waarin de wervelstorm Fortuyn door het land woedde.

In zijn boek heeft hij het ook zijdelings over de rol van schrijvers in het maatschappelijke debat, zoals indertijd naar aanleiding van de Kosovocrisis en de elfde september. Zo’n rol past Nederlandse schrijver niet erg, vindt Zwagerman: ‘Ook in tijden van een wereldbrand schrijven en praten wij Nederlandse schrijvers graag over bomen. (…) Dit betekent niet dat ’de’ Nederlandse schrijver zich als verre getuige van het armageddon in de VS niet geroepen voelt tot het literair vormgeven van wat je bij gebrek aan beter misschien een fundamentele weerbaarheid zou kunnen noemen.’

Het merkwaardige feit doet zich echter voor dat veel stukken in zijn boek door de actualiteit soms een bijna belegen indruk maken. Want wie maakt zich terwijl de oorlog tegen Irak volop woedt nu nog druk om het allang ter ziele gegane zondagmiddagprogramma van Hanneke Groeteman? Wie maalt er nog om de ‘ziekelijke leugens’ van Tara Singh Varma? Of houdt zich onledig met ‘de tranen van Máxima’? De oorlog in Irak bepaalt in 2003 het nieuws en de discussies, beheerst de hele samenleving. Het kortstondige tijdperk Fortuyn lijkt alweer lang geleden. De grote maatschappelijke onrust over die politieke moord lijkt te zijn weggeëbd, de politiek heeft haar oude plaats hernomen en breekt haar hoofd over de kabinetsformatie en de oorlog. Zelfs de rechtszaak tegen Volkert van der G. veroorzaakt nauwelijks nog enige deining.

In dat opzicht verschijnt Zwagermans boek onder een slecht gesternte. We vergeten blijkbaar snel, niet zozeer omdat we niet meer aan die periode herinnerd zouden willen worden, maar omdat in deze jachtige tijden de wereld er alweer heel anders uitziet dan een jaar geleden. Toen Fortuyn het nieuws beheerste. Hij is dan ook de spil in Zwagermans boek, deze ‘charismatische Don Quichot’ en ‘wild en verleidelijk fladderende paradijsvogel’, die de latente onvrede in brede lagen van de samenleving een stem gaf. Hij haalde de geest uit de fles. Zwagerman plaatst hem in een breder perspectief en probeert aan te geven hoe hij in zo’n korte tijd zo groot kon worden: ‘Fortuyn was voor honderdduizenden het icoon van de typische Nederlander die er eer in stelt te leven volgens het credo van de overtreffende trap: het hardst, het grootst, het hevigst, het ikst.’ En: ‘Pim Fortuyn was de steracteur in een versoapte realityshow.’

Verder richt Zwagerman zijn pijlen op kwesties die raakvlakken hebben met de opkomst van Fortuyn, en schrijft hij over bolletjesslikkers, voetbalhooligans, ‘luidruchtig rechts en zelfvervettend links’, kinderfeestjes voor volwassenen (‘Voor wie erop begint te letten is de infantilisering onder dertigers en beginveertigers alomtegenwoordig’), partycentrum Nederland, Ayaan Hirsi Ali, porno, de Gay Parade en, uiteraard, de literatuur. Verder besteedt hij royale aandacht aan Herman Brood, de rock-‘n-rolljunkie die in de zomer van 2001 van het Hilton sprong. Zwagerman, gefascineerd door het onderwerp zelfmoord, het thema van zijn jongste roman ‘Zes sterren’, was een van de weinigen die de heroïsche daad van de popzanger helemaal niet zo heldhaftig vond. En daarmee zorgde hij voor een verfrissend (tegen)geluid in het koor van blinde bewonderaars.

De epiloog scheef Zwagerman kort na de Tweede-Kamerverkiezingen van januari 2003. Het leek er op dat de Nederlander toen weer pragmatisch en met verstand had gestemd. Maar Zwagerman gelooft niet dat de geest daarmee terug in de fles is en de o zo geroemde Nederlandse nuchterheid zich heeft hersteld. Voor zover de Nederlandse volksaard of identiteit (nog) bestaat in een land met inmiddels zo’n kleurrijke, gemêleerde bevolking is die in zijn ogen vooral wisselvallig en veranderlijk, ‘op het ontoerekeningsvatbare af’. Laten we ons geen illusies maken, waarschuwt Zwagerman met veel aplomb. Er hoeft maar weer een type als Fortuyn langs te komen om het kruitvat aan te steken en de boel ontploft opnieuw.

 

Joost Zwagerman: Het wilde westen. Nederland 2001-2003. De Arbeiderspers, 207 blz.

 

Maart, 2003

UA-37394075-1