Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Joost Zwagerman over plagiaat en gekwelde kunstenaars

Zelfmoord is een van de fascinaties van Joost Zwagerman (Alkmaar, 1963). Maar het gaat in zijn essaybundel ’Het vijfde seizoen’ (2003) niet alléén daarover. Hij schrijft over gekwelde kunstenaars en hysterische cultuurkritiek, over plagiaat en moderne kunst. Van Flaubert tot Mulisch, van Warhol tot Madonna.

 

Gekant tegen de zelfmoordlobby

 

Met een gedrevenheid die grenst aan obsessie heeft Joost Zwagerman zich de laatste jaren in het onderwerp zelfmoord vastgebeten. Hij schreef er uitvoerig over naar aanleiding van de zelfmoord van Herman Brood in 2001, toen hij zich groen en geel ergerde aan de manier waarop sommigen de fatale sprong van de popzanger van het Hiltonhotel verheerlijkten. In zijn meest recente roman ’Zes sterren’ (2002) reconstrueert Zwagerman hoe iemand tot zo’n gruwelijke daad komt. En nu loopt het onderwerp als een rode draad door ’Het vijfde seizoen’. De stukken hierover variëren van de zelfmoord van Edie Sedgwick, vriendin van Andy Warhol en Bob Dylan, tot die van popzanger Kurt Cobain. Maar het meest indringend is het stuk waarin Zwagerman aan de hand van een aantal boeken, waaronder ’De dood in doordrukstrip’ van Karin Spaink en ’Klein leed’ van Betsy Udink, over de zelfmoordpogingen schrijft van een goede vriend en zijn vader.

Zwagerman schrijft: ,,Ik denk nog vrijwel dagelijks aan het toeval dat maakte dat mijn vader bijtijds is gevonden. Mijn moeder had hem in geen weken opgezocht. En ze had geaarzeld: eerst naar Albert Heijn, of eerst wat spullen ophalen in het huis van mijn ex-man? Artsen hebben me verteld dat mijn vader het niet had overleefd als zij een kwartier later was geweest.’’

Zwagerman zet zich scherp af tegen de ’zelfmoordlobby’ zonder al te drammerig te worden. Hij bekijkt het beladen begrip vanuit het perspectief van het slachtoffer en zet daartegenover de verwoestende invloed die zo’n gebeurtenis kan hebben op het leven van de nabestaanden. En hij stelt vast dat ’pleitbezorgers van de zelfmoordpil en van hulp bij zelfdoding bij langdurig depressieven altijd het feit negeren dat het overgrote deel van de potentiële ’doelgroep’ vaak wel dood wil zíjn, maar tegelijkertijd niet dood wil gáán’.

 

Lijdt een kunstenaar meer

dan een gewone sterveling?

 

Het vijfde seizoen’ is een rijk en vol boek. Bracht Zwagerman in zijn vorige boek ’Het wilde westen’ (2003) als een ouderwets geëngageerd schrijver het Fortuyntijdperk in kaart, nu richt hij zich op een waaier van onderwerpen. De titel ’Het vijfde seizoen’ verwijst naar het ’extra jaargetijde’ dat is voorbehouden aan creatieve geesten die vatbaar zijn voor depressies. Lijdt de kunstenaar meer dan een gewone sterveling? Volgens Zwagerman is de moderne schrijver of kunstenaar allang niet meer de gekwelde figuur in een samenleving waarin iedereen de bohémien kan uithangen. Hij schrijft over de ’hysterische cultuurkritiek’ naar aanleiding van rampen als de ’11e september’. En hij stelt zich de vraag of Andy Warhol de moderne kunst inderdaad voorgoed heeft veranderd.

 

In zijn essays durfde Orwell alles –

en kón daardoor ook alles.’

 

Een onderscheid tussen ’hoge’ en ’lage’ cultuur maakt hij niet. Alleen kwaliteit telt. Over George Orwell, ooit beroemd door de toekomstroman ’1984’ en ’Animal farm’, schrijft Zwagerman: ’Orwell de essayist kent nauwelijks zwakke momenten. In zijn essays durfde hij alles – en kón daardoor ook alles.’ Het is alsof Zwagerman het over zichzelf heeft. Ook Zwagerman permitteert zich in het genre van de essayistiek veel meer vrijheid dan in zijn romans. In zijn essays (en columns) is hij losser, brutaler, scherper en gedrevener.

Helaas heeft Zwagerman, zoals veel andere Nederlandse auteurs, de hinderlijke gewoonte om in zijn essays over werk van anderen zijn eigen boeken te betrekken. Dat gekoketteer heeft hij niet nodig. Als essayist heeft hij persoonlijkheid genoeg. En met zijn kritisch vermogen is evenmin iets mis, óók als hij bevlogen schrijft over door hem bewonderde schrijvers en kunstenaars. Zijn stijl is soepel, hij is deskundig, hij vervlecht feiten met smeuïge anekdoten en persoonlijke (lees)ervaringen.

Met elan schrijft Zwagerman bijvoorbeeld over plagiaat. Letterdiefstal is zo oud als het schrift en vrijwel alle schrijvers maken zich er min of meer schuldig aan, weet Zwagerman. Zij het dat dit bij grote schrijvers meestal ’ontlenen’ heet en bij de ’kleine krabbelaars’ plagiaat. Hij wijst erop dat in de beeldende kunst of de (pop)muziek er allang niemand meer van opkijkt wanneer een schilderij, een popsong of een film wemelt van de verwijzingen, ontleningen of bestaande melodieën. Maar zodra een schrijver wordt betrapt op ’ontleningen’, beginnen bij de plagiaatpolitie onmiddellijk de alarmbellen te rinkelen.

Zwagerman stelt vast dat wie ruiterlijk toegeeft dat hij bij anderen ’steelt’ zelden iets kwalijk wordt genomen. Zolang het tenminste maar goed en ’met liefde’ gebeurt. Wie bij ontdekking echter niet meteen in het stof bijt, wordt met pek en veren overladen, zoals Adriaan van Dis indertijd ondervond. Daarentegen werd er slechts gegniffeld toen werd ontdekt dat de Vlaming Hugo Claus zich voor zijn romandebuut ’De Metsiers’ wel erg royaal had laten inspireren door een boek van William Faulkner. (Overigens was dat niet, zoals Zwagerman abusievelijk meent, ’The sound and the fury’, maar Faulkners roman ’As I lay dying’.) Zwagerman is wel zo sportief en grootmoedig om toe te geven dat ook hij in zijn boeken nu en dan leentjebuur speelt bij andere schrijvers.

 

‘Tolstoj had, denk ik, bloemen

voor Anna meegebracht.’

 

Op zijn best is hij in de stukken over de schrijvers en kunstenaars die hij bewondert, zoals Mulisch en Flaubert. In een daarvan, over zelfmoord in de (literaire) kunst, haalt hij twee grote romans uit de wereldliteratuur aan, ’Madame Bovary’ van Flaubert en ’Anna Karenina’ van Tolstoj, waarin de beide hoofdfiguren de hand aan zichzelf slaan. De een vergiftigt zichzelf (Emma Bovary), de ander werpt zich voor de trein (Anna Karenina).

Mooi is het slot van dit essay waarin Zwagerman de grote Rus en de (letterlijk) kleine Fransman de denkbeeldige graven van hun romanheldinnen laat bezoeken. De karakters van de schrijvers weet hij in enkele zinnen te treffen: ’Flaubert had, vermoedelijk met een klinisch oog het onderhouden van de grafsteen gepeild. Hij zou hebben gekeken of de tekst er wel zorgvuldig in was gebeiteld. ’Zijn arme dametje’, zoals hij Emma wel eens in zijn brieven noemde, moest er netjes bij liggen. Tolstoj had, denk ik, bloemen voor Anna meegebracht. Staand aan haar graf had hij eerst luid gevloekt en direct daarna koortsig een gebed gepreveld.’

 

Joost Zwagerman: ’Het vijfde seizoen’. Uitgeverij De Arbeiderspers; 349 pagina’s.

 

Oktober, 2003

UA-37394075-1