Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Joost Zwagerman volgde zijn nieuwsgierigheid, zijn interesses en zijn hartstochten

Enkele keren had ik de eer om schrijver en dichter, essayist, bloemlezer en (kunst)criticus Joost Zwagerman (1963-2015) te mogen interviewen. Ik trof tijdens die ontmoetingen niet alleen een bevlogen en erudiet man, maar ook een aimabele, hartelijke persoonlijkheid, met wie ik nog lang na het ‘officiële gesprek’ door boomde over alles wat ons bond, in de eerste plaats de literatuur, niet zozeer de Nederlandse maar vooral de Angelsaksische, en verder de politiek, de kunsten, de media en de kop van Noord-Holland, zijn Alkmaar en mijn Hoorn, om het in perspectief te blijven zien.

Hieronder volgt een bescheiden eerbetoon aan een veelzijdig auteur die een van de meest gelezen en gewaardeerde schrijvers van zijn generatie was. De ode bestaat eerst uit enkele fragmenten en citaten uit besprekingen en daaronder uit het uitvoerige gesprek dat ik in 2008 met Joost Zwagerman voerde naar aanleiding van de aan hem toegekende Gouden Ganzenveer. De stukken zijn in hun geheel op deze site na te lezen.

Daaronder volgt de integrale versie van een interview uit 2005 naar aanleiding van de verschijning van zijn dichtbundel Roeshoofd hemelt.

Ik zie het als mijn taak om de elite van repliek te dienen, om haar een geweten te schoppen.’

(Joost Zwagerman in 2008)

Zes sterren’ van Joost Zwagerman (1963, Alkmaar), draait om zelfmoord. Zelfmoord – Zwagerman verafschuwt het laffe eufemisme zelfdoding – is een onderwerp dat hem al langer bezighoudt.

Zo hekelde hij ooit in krantenartikelen de manier waarop de fans van popzanger Herman Brood diens sprong van het Hilton verheerlijkten. Hij zorgde voor een verfrissend (tegen)geluid in het koor van blinde bewonderaars.

(…)

De verteller, de 25-jarige Justus Merkelbach, zegt het zelf al ergens: ‘Zelfmoord jaagt iedereen op de vlucht, daar ben ik inmiddels wel achter. Alleen het woord al is taboe.’

(…)

Hij tracht te reconstrueren hoe iemand tot zo’n gruwelijke daad komt. Hij wil stap voor stap laten zien welke impact zo’n ingrijpende gebeurtenis in het leven van de nabestaanden heeft. Eerst is er het ongeloof, dan de wanhoop, het onbegrip, de woede, het zelfverwijt, de berusting. Dát heeft Joost Zwagerman allemaal inzichtelijk proberen te maken, en dat is hem tot op zekere hoogte voortreffelijk gelukt.

(…)

Had hij toch niet succes genóeg? Het zijn vragen waarmee Justus zijn hersens afpijnigt zonder tot een bevredigend antwoord te komen.

Enige spanning ontleent het verhaal verder aan de relatie tussen vader en zoon, die op zijn zachtste uitgedrukt op gespannen voet met elkaar staan. Zijn verbitterde vader blijkt ook in alles de tegenpool van de levenslustige oom te zijn. Het verhaal is bovendien heel ‘herkenbaar’: het speelt grotendeels in Noord-Holland, Zwagermans streek van herkomst. En als de moeder van Justus het op haar heupen krijgt, zoekt ze haar toevlucht tot het West-Fries dialect. Het is Hollands realisme ten top.

(Uit bespreking van de roman ‘Zes sterren’, De Arbeiderspers, 2002.)

Een typisch ’Alkmaarse schrijver’ zal hij zich niet snel noemen, ook al koestert hij nog warme gevoelens voor zijn geboortestad waar hij tot zijn negentiende woonde. Maar als íemand Alkmaar inmiddels op de letterkundige kaart van Nederland heeft gezet, is het Joost Zwagerman zelf wel.

(Uit bespreking van ‘Tussen droom en daad in Dubbelstad. Alkmaar in feit en fictie’, Conserve, 2004)

Met een gedrevenheid die grenst aan obsessie heeft Joost Zwagerman zich de laatste jaren in het onderwerp zelfmoord vastgebeten. In zijn roman ’Zes sterren’ (2002) reconstrueert Zwagerman hoe iemand tot zo’n gruwelijke daad komt. En nu loopt het onderwerp als een rode draad door ’Het vijfde seizoen’.

Zwagerman schrijft: ,,Ik denk nog vrijwel dagelijks aan het toeval dat maakte dat mijn vader bijtijds is gevonden. Mijn moeder had hem in geen weken opgezocht. En ze had geaarzeld: eerst naar Albert Heijn, of eerst wat spullen ophalen in het huis van mijn ex-man? Artsen hebben me verteld dat mijn vader het niet had overleefd als zij een kwartier later was geweest.’’

Zwagerman zet zich scherp af tegen de ’zelfmoordlobby’ zonder al te drammerig te worden. Hij bekijkt het beladen begrip vanuit het perspectief van het slachtoffer en zet daartegenover de verwoestende invloed die zo’n gebeurtenis kan hebben op het leven van de nabestaanden. En hij stelt vast dat ’pleitbezorgers van de zelfmoordpil en van hulp bij zelfdoding bij langdurig depressieven altijd het feit negeren dat het overgrote deel van de potentiële ’doelgroep’ vaak wel dood wil zíjn, maar tegelijkertijd niet dood wil gáán’.

Het vijfde seizoen’ is een rijk en vol boek. Bracht Zwagerman in zijn vorige boek ’Het wilde westen’ (2003) als een ouderwets geëngageerd schrijver het Fortuyntijdperk in kaart, nu richt hij zich op een waaier van onderwerpen. De titel ’Het vijfde seizoen’ verwijst naar het ’extra jaargetijde’ dat is voorbehouden aan creatieve geesten die vatbaar zijn voor depressies. Lijdt de kunstenaar meer dan een gewone sterveling? Volgens Zwagerman is de moderne schrijver of kunstenaar allang niet meer de gekwelde figuur in een samenleving waarin iedereen de bohémien kan uithangen.

(Uit bespreking van ‘Het vijfde seizoen’, De Arbeiderspers, 2003)

Joost Zwagerman (1963, Alkmaar) zou je een geëngageerd schrijver kunnen noemen. Dat klinkt ouderwets, het riekt naar de jaren zestig en zeventig. Want bestaan die dan nog, geëngageerde schrijvers? Vormen die niet – om het wat onbeleefd uit te drukken – een uitstervende diersoort? Aan de vooravond van de oorlog in Irak werd de kwestie in de media her en der weer aan de orde gesteld. Moet een schrijver zijn stem verheffen in tijden van crisis en oorlog?

(…)

Toch zijn er schrijvers wier bijdragen aan het openbare debat wel degelijk de moeite waard zijn, zoals die van Joost Zwagerman. Hij is zo’n schrijver die nooit te beroerd is om zich in het actuele debat te mengen. Hij doet dat met kennis van zaken, met betrokkenheid en in een vaardige stijl. Je kunt het gloeiend met hem eens of oneens zijn, zijn stukken zijn meestal prikkelend en plezierig om te lezen. Lef en bravoure kunnen hem evenmin worden ontzegd.

Ook in tijden van een wereldbrand schrijven en praten wij Nederlandse schrijvers graag over bomen. (…) Dit betekent niet dat ’de’ Nederlandse schrijver zich als verre getuige van het armageddon in de VS niet geroepen voelt tot het literair vormgeven van wat je bij gebrek aan beter misschien een fundamentele weerbaarheid zou kunnen noemen.’

(Uit bespreking van ‘Het wilde westen. Nederland 2001-2003’, De Arbeiderspers, 2003)

Hij is spraakmakend, veelzijdig, strijdbaar, betrokken en beschikt over een gouden pennetje. Het zijn de kwalificaties die de jury opvoert bij de toekenning van de Gouden Ganzenveer 2008 aan schrijver, dichter en essayist Joost Zwagerman (Alkmaar, 1963). ,,Ik zie het als mijn taak om de elite van repliek te dienen, om haar een geweten te schoppen.’’

Joost Zwagerman is zeer verguld met de Gouden Ganzenveer, waarmee hij zich voegt in het rijtje illustere voorgangers als Jan Blokker, Kees van Kooten, Maria Goos en de Vlaamse schrijver Tom Lanoye. Volgens de Academieleden slaat de jongste laureaat als essayist, columnist, debater en presentator een brug tussen kunst, literatuur en samenleving. Hij beschikt bovendien over een sterk gevoel voor maatschappelijke betrokkenheid. ,,Ja’’, zegt hij met een kwajongensachtige grijns, ,,dat is zo, dat is een beschuldiging die ik niet kan ontkennen.’’

Boven zijn bord gepocheerde eitjes met gerookte zalm in een chique Amsterdamse brasserie zegt hij: ,,In het tv-programma ‘De wereld draait door’ zei ik gekscherend: Jan Blokker kreeg ‘m toen hij over de tachtig was, ikzelf ben net 26 geworden. Dus, je begrijpt, het is een enorme eer.’’

Ernstiger nu: ,,Ik vind het ook echt een mooie prijs omdat hij nadrukkelijk is verbonden aan ‘aandacht vragen voor het geschreven woord in een multimediale samenleving’. Dat is wat ik op mijn manier ook doe: het geschreven woord een plek te geven in de samenleving waar het geschreven woord onder druk staat of onder druk komt te staan.’’

(…)

Wat is zijn drijfveer? ,,Ik denk omdat het kunstenaars zijn, net als ik. Ik zou het vreselijk vinden als ik beknot zou worden in mijn vrijheid van uiten. Alleen daarom al voel ik me betrokken bij degene die het overkomt.’’

Daarnaast veronderstelt hij dat het te maken heeft met Ayaan Hirsi Ali, die hij in 2004 als presentator voor Zomergasten interviewde, kort voor de moord op Theo van Gogh met wie ze de film ‘Submission’ had gemaakt. ,,Tijdens de voorgesprekken van Zomergasten waren we altijd in gezelschap van zes mannetjes om de boel te beveiligen. Zelfs in de toiletten werd ze beveiligd. Wat dat voor een impact heeft op je leven, beseffen mensen niet. Dat heeft me duchtig aangegrepen. Wat mij trof was haar betrekkelijke flinkheid en daartegenover de wreedheid waarmee de intellectuele elite over haar oordeelde. Zeg je openlijk dat de moslimvrouw een beter lot verdient in het westen, word je beschuldigd van aandachttrekkerij! Alsof je het over jezelf hebt afgeroepen als je met de dood wordt bedreigd! En zoiets wordt dan gezegd door wat wij beschouwen als de elite van Nederland, de denkers, het geweten van het land. Ik ben door die elite enorm teleurgesteld. En ik zie het als mijn taak om haar in dit opzicht heel sterk van repliek te dienen, een geweten te schoppen.’’

In zijn toespraak bij de uitreiking van de Ganzenveer zal hij ,,grof gezegd iets zeggen over onze traditie van zelfdebunking die grenst aan zelfhaat. Wij genieten ervan als prominente Nederlanders dit land afkraken. Zoals Jacob Israël de Haan eens zei: ‘Dikwijls droom ik dat ik in de hel ben. Na het ontwaken merk ik, tot mijn schrik, dat ik in Holland ben.’ Ik zie je nu glimlachen. In dat soort uitspraken grossieren wij. Maar ik steek de hand in eigen boezem, want ik ben zelf ook geneigd om Nederland te geselen, zoals in mijn essayboek ‘Het wilde westen’.’’

,,Maar in deze tijden moet daar wel wat tegenover staan. Want wat willen wij met Nederland? Wat zijn onze gedeelde basiswaarden? Waar sta je voor, waar ben je trots op? En kun je die trots delen met nieuwe Nederlanders. Dat is onder de elite een taboe, lijkt het wel. De elite weet precies waar ze níet voor staat, waarmee zij zich níet wenst te engageren, maar waarmee engageert ze zich dan wél? Rita Verdonk en haar Trots Op Nederland (TON) werden door de progressieve elite meteen collectief over de kling gejaagd. Terecht of niet? Daarover ga ik een heel moeilijke vraag stellen aan de Academie. Want wat is er mis met trots zijn op Nederland?’’

(…)

Joost Zwagerman begon als romanschrijver en dichter, en in die laatste hoedanigheid is de Amsterdammer al enige jaren stadsdichter van zijn geboortestad Alkmaar. De laatste jaren volgt de ene essaybundel op de andere. Recentelijk oogst hij lof met zijn bloemlezingen van de Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 korte verhalen (het eerste deel) en 60 lange verhalen/novellen (het tweede deel). Het derde deel verschijnt in de loop van het jaar en bevat 200 essays.

Is het schrijven van romans en poëzie daardoor op het achterplan geschoven? ,,Helemaal niet. Maar ik ben niet zo’n planmatige carrière-invuller. Ik doe wat mijn hart me ingeeft en volg mijn hartstochten en interesses en als er iets meer jaren tussen de ene en de andere roman zitten moet dat maar. Mijn uitgever vraagt er af en toe wel eens naar, maar daar luister ik niet naar. Ik ben geen koopman. We leven in tijden die van mij vragen dat ik mij roer als essayist en columnist en zelfs als pamflettist. Mijn literaire kracht wil ik nu inzetten voor stukken waarmee ik hoop bepaalde dingen te kunnen bereiken in het land. Dat klinkt hoogdravend. Maar het geschreven woord heeft wel degelijk invloed.’’

(…)

Zijn romans ‘Vals licht’ en ‘De buitenvrouw’ prijken sinds jaar en dag op de boekenlijsten van middelbare scholieren. ,,Zelf lezen ze nu liever Kluun of Saskia Noort. Daar is niet tegen op te klunen. Toen vijftien jaar geleden ‘Vals licht’ uitkwam, waren het de scholieren zelf die vroegen of ze mijn boek op hun lijst mochten zetten. Leraren trokken hun wenkbrauwen op. Nu is het andersom. Zeggen ze: Leg die Kluun maar weg en lees Zwagerman. Dat is wel geestig.’’

(Vraaggesprek uit januari 2008. Verschenen in de GPD-kranten.)

***

Hieronder de integrale versie van een interview met Joost Zwagerman uit januari 2005.

JOOST ZWAGERMAN OVER DICHTER DES VADERLANDS, VAN GOGH, GEKTE, KRITIEK EN ‘ROESHOOFD HEMELT’

‘JE ZAG ZE DENKEN: DAAR STAAT EEN MANIAK’

Hij verwacht niet tot de nieuwe Dichter des Vaderlands te worden uitgeroepen. Het is toch al een uitgemaakte zaak, denkt Joost Zwagerman (Alkmaar, 41), veelzijdig schrijver en stadsdichter van Alkmaar. De opvolger van Gerrit Komrij zal de dichter worden die het sterkst campagne heeft gevoerd.

Een gesprek met een veelzijdig schrijver. Over het hofdichterschap, Theo van Gogh, succes en kritiek, en vooral over ‘Roeshoofd hemelt’, zijn nieuwe, ambitieuze ‘roman in versvorm’, waarin het deksel van de put van de waanzin wordt gelicht.

Nee, druk kan hij zich er niet om maken. Toch zit de hele kermis rond de verkiezing van de Dichter des Vaderlands hem dwars. ,,Aanvankelijk was ik er helemaal niet mee bezig. Ik wist dat ik op de lijst van genomineerden stond, maar ik had er verder geen gedachte aan verspild, totdat ik hoorde van een lek op het internet, en dat de Groningse dichter Driek van Wissen op afstand aan kop ging. Toen dacht ik, dat is wel een rare gang van zaken. Overal wordt inmiddels de stem van het volk geraadpleegd. Zelfs bij de Dichter des Vaderlands.”

,,Op deze manier wordt niet de meest geschikte dichter gevonden, maar de dichter met de grootste familie, met de breedste vriendenkring. Als de stadsdichter van Oeteldonk van huis naar huis gaat en als een soort jehovagetuige zijn voet tussen de deur zet, dan wordt híj dus onze nieuwe Dichter des Vaderlands. En dat kan de bedoeling toch niet zijn. Daarom vind ik dat het reglement moet worden veranderd. Als de grootste natuurkundige van Nederland moet worden gekozen, ga je toch ook niet bij de bakker te rade? Die hoeft, die wíl daar geen verstand van hebben. Waarom bij een dichter dan wel? Mijn voorstel is om een groep van mensen – hartstochtelijke lezers van poëzie, dichters en critici – in goed overleg te laten bepalen wie de nieuwe Dichter des Vaderlands wordt. Het door ons populistisch genoemde Amerika doet dat al jaren zo met de poet laureaat, en daar staan prachtige namen tussen. En moeten wij dan genoegen nemen met een of andere lolbroek die kan rijmen en dichten zonder zijn hemd op te lichten? Omdat iemand dus heel erg voor zichzelf aan het campagne voeren was, heb ik in de krant geschreven dat ik vond dat alle dichters dat eigenlijk moesten doen. Ik weet niet in hoeverre daar gehoor aan gegeven is, maar ik heb via internet wat boodschappen rond laten gaan. Al valt dat in het niet bij alle intensieve werkzaamheden die Van Wissen heeft verricht. Ik denk en vermoed dat we in hem onze nieuwe Dichter des Vaderlands krijgen.’’

,,En wat zo’n man drijft? Een dampende ambitie, denk ik, dat moet het zijn. Maar het heeft ook iets vernederends en klefs en amateuristisch om zo voor jezelf langs de deur te gaan. Daarom moet het protocol misschien worden veranderd. Zodat er tenminste kan worden gekozen voor een Remco Campert, Leo Vroman of Judith Herzberg, in ieder geval een dichter, geen rijmer.’’

POËZIE OVER EEN MAN IN CRISIS

Als stadsdichter, met een eigen, kleine werkplek in de bibliotheek van Alkmaar, heeft hij als ‘hofdichter’ inmiddels ervaring kunnen opdoen. ,,Laatst dacht ik: ik moest iets schrijven over die messenstekers in Alkmaar. Maar ja, ze zijn inmiddels opgepakt. Stel dat ik zou worden gekozen tot Dichter des Vaderlands, dan zou ik eerder dit soort incidenten kiezen als aanleiding voor een gedicht dan dat ik mij zou aanschurken tegen de folkloristische elementen, als bij de geboorte van een prinsje of prinsesjes. Ik vind niet per se dat de Dichter des Vaderlands dan in de pen dient te klimmen.’’

Het zijn schermutselingen in de marge, want Joost Zwagerman heeft het deze week veel drukker met de presentatie van zijn vierde dichtbundel ’Roeshoofd hemelt’. Een ambitieus boek. Het ontstond in 2003, toen hij voor de manifestatie Antwerpen Boekenstad samenwerkte met de Vlaamse beeldend kunstenaar Hans Op de Beek, wiens kunst is geïnspireerd op de suburbia, de verstedelijkte gebieden. ,,In Nederland en Vlaanderen wonen de meeste mensen niet in een stad of dorp, maar in een tussengebied, het verstedelijkte gebied. Toch zijn er opvallend weinig kunstenaars mee bezig zijn. Hij wel, en ik had er onder meer in ’De buitenvrouw’ over geschreven.”

,,We zouden een verhaal maken over de T-wijk, waar we samen thee drinken, dat is langzaam overgegaan in een T-supermarkt, en dat is T-markt geworden. Tegelijk was ik wat gedichten aan het maken over een man in crisis, wiens oppervlakte niet verder reikte dan een bed. Op het moment dat de man in bed moest worden vastgesnoerd, moest het gedicht worden vastgesnoerd in de vorm van het klassieke sonnet. En toen kwamen die verhalen spelenderwijs bij elkaar. Toen had ik, geloof ik, in 2004 het eureka-gevoel: dit past naadloos in elkaar. Toen heb ik die vastklant R. geïntroduceerd die door dat bizarre Team-Art dwaalt, die niet iets koopt maar steelt. En toen die fantasie eenmaal in werking was gezet, brak er een heerlijke tijd aan.’’

ZELFS EEN EZEL MOET HET KUNNEN LEZEN’

‘Roeshoofd hemelt’ is een uiterst gevarieerde bundel geworden, een kleurrijk taalfeest. De meanderende Team-Artgedichten wisselen af met de Roeshoofd-verzen, het vrije vers versus de in het keurslijf van het klassieke sonnet geperste Roeshoofd-poëzie. Opvallend is de variatie in stijl en toon, van onstuimig tot sober, en vice versa. ,,Die wisseling van stijl en toon heb ik expres zwaar aangezet om te laten zien dat het eigenlijk twee verhalen zijn die eventueel los van elkaar te lezen zijn en uiteindelijk dwingend in elkaar grijpen.’’ Een gemakkelijk boek is het niet. Het wemelt van de verwijzingen, maar zoals de dichter zegt: ,,Die hoeven niet gezien te worden. Dat heb ik van Harry Mulisch geleerd. Die zegt het dan wat directer: zelfs een ezel moet het kunnen lezen.’’

DE GEKTE IS BIJ MIJ ALTIJD AANWEZIG GEWEEST’

De bundel zit vol surrealistische en bizarre, zwarte en burleske beelden. Voor wie Zwagermans werk kent, hoeft dat geen verrassing te zijn. Het zit al in zijn vroegste verhalen. En in zijn romans. ,,In de roman ’Chaos en rumoer’ denkt de man in andermans werk te zitten, hij is aan het hallucineren. Bij mij vind je geen giphartiaanse gevoeligheid. Bij mij gaat het nooit goed in de wereld. De gekte is bij mij altijd al aanwezig geweest, maar dat is veel mensen niet altijd opgevallen. Mijn ervaring is dat veel lezers geconcentreerd zijn op andere aspecten die ook in mijn werk zitten. Men leest ’Vals licht’ omwille van de liefde. ’Gimmick’ omwille van seks, spanning en sensatie, en drugs en rock-’n-roll. En ’De buitenvrouw’ omwille van het puur Hollands realisme. Maar de gekte die overal doorheen kiert zien ze niet. Een element waarvan ik denk dat het veel meer de rode draad in mijn werk vormt. Zwagerman schrijft altijd over de liefde en seks, hoor je wel. Wel, dat idee heb ik niet.’’

,,Ik dompelde me dagelijks onder in die rare wereld van Team-Art en vooral in de beklemmende wereld van die Roeshoofd, met die verschrikkelijke waanvoorstellingen. Die grimmigheid en die onttakeling en die wrok. De roes waarin die man verkeerde is bijna een gevolg geweest van een soort scheppingsroes, die eigenlijk het tegendeel was van de roes waarin die man zit. Hoe slechter het met hem ging, hoe meer euforie mij beving tijdens het maken.’’

TERUG NAAR DE MIDDELBARE SCHOOL

Voor de ontstaansgeschiedenis moet hij misschien wel verder terug. ,,Op de middelbare school in Alkmaar las ik eens een verhaal van Borges, ‘De Aleph’, daar open ik ook mee, als motto. De ik-figuur ziet een steen waarin alles is wat ooit was, dat er nu is en wat zal zijn. Hij ziet de hele kosmos in die steen weerspiegeld. Het is een prachtig kort verhaal. Dat is me altijd bijgebleven. En dat schreef ik dus al in de schoolkrant van wat toen nog heette de Rijksgemeenschap Noord-Kennemerland, en ik wist toen al, als ik blijf schrijven wil ik ooit iets met die aleph gaan doen. Maar hoe moet zoiets van zo’n overweldigende omvang er in onze consumptiegerichte tijden uitzien? Dat wordt dus een winkel. Het is een handelsoord geworden. Die steen is getransformeerd in Team-Art. Een kapitalistisch geworden steen.’’

IN DE PUT VAN DE WAANZIN

In ’Roeshoofd hemelt’ gaat ,,de put van de waanzin open’’. ,,Hier krijg je een blik in het hoofd van iemand die meer dan ernstig de weg kwijt is. Tegelijk is het een clownesk verhaal omdat je via de Team-Art erachterkomt hoe hij de weg is kwijtgeraakt. Waarbij je je afvraagt: krijgt hij die gekte nou omdat hij dat artikel uit Team-Art opent en meepikt of was hij er toch al vatbaar voor? Was dit slechts een duwtje over de rand? Moest deze man eigenlijk allang als verloren worden beschouwd? Die vraag blijft open. En ja, wat is nou gek? De gedichten waarin hij het er ergst aan toe is, zijn heel helder. Gaat het iets beter met hem, dan wordt het hier en daar misschien een soort geheimtaal.’’

Als extraatje zijn vijfhonderd exemplaren voorzien van een cd, waarop cabaretier Hans Teeuwen een aantal gedichten uit de bundel voorleest. ,,Het is een toegevoegde waarde. Het geeft misschien ook beter aan wat voor soort project ’Roeshoofd hemelt’ is. Kijk, Hans is iemand die voorstelling na voorstelling speelt met dat idee van gekte. Maar schemert achter die clownerie van hem nu authentieke gekte of speelt hij ermee? Je voelt je niet op je gemak als je in de zaal zit. Je ziet hem de clown spelen, maar het wordt nu en dan wel heel griezelig. Tegelijkertijd neemt hij dat weer op de hak door de gekte als een soort onschadelijke kolderiek voor te stellen. Precies die twee polen bestrijk ik in ’Roeshoofd hemelt’.”

JE ZAG SOMMIGEN DENKEN: DAAR STAAT EEN MANIAK.’

Een aantal gedichten las hij al eens een aandachtig gehoor voor. Hij glimlacht als hij eraan terugdenkt. ,,Je laat wel eens een proefballonnetje op als je gaat voorlezen. Ik las een aantal sonnetten uit ’Roeshoofd hemelt’ voor. Achter elkaar, zonder de Team-Art-episode ertussen. Nou, ik verzeker je, dan gebeurt er wel wat in de zaal. Dan zijn de eerste drie rijen heel snel leeg, figuurlijk dan, het is niet meteen poëzie waarmee je vrienden maakt. Je zag sommigen denken: daar staat een maniak. Er kwamen na afloop mensen naar me toe die dachten dat ik ook de ik-figuur was. Vond ik wel leuk, alsof de tijd van ’Gimmick’ herleefde, toen sommige lezers ook dachten dat ik een personage uit mijn eigen boek was. Bij ’Roeshoofd hemelt’ herhaalt zich dat.”

IK ZEIL VROLIJK VAN GENRE NAAR GENRE.’

Joost Zwagerman beweegt zich van meet af aan in vrijwel alle literaire genres. ,,Ik zeil vrolijk van genre naar genre. Dat blijk ik in de loop der jaren ook echt nodig te hebben gehad. Dat ik een genre tijdelijk tot de bodem uitgraaf tot een soort metaalmoeheid ontstaat. Daarna kan ik met hernieuwde energie en enthousiasme aan een ander genre beginnen. Ik kan mij bijvoorbeeld niet voorstellen dat ik als A.F.Th. van der Heijden alleen maar romans onder de hand zou hebben. Die afwisseling houdt mijn motor draaiende.’’

DE EEN DWEEPTE MET ‘GIMMICK’, DE ANDER VOND HET VERSCHRIKKELIJK’

Hij is succesvol. En wie succes heeft, maakt vrienden en vooral vijanden. Hoe ondergaat hij de soms niet misselijke kritiek op zijn werk? ,,Ik heb er in de loop van de jaren steeds minder over te zeggen. Het zal wel. Het voordeel is dat ik dit al vrij vroeg heb meegemaakt, met ’Gimmick’. Mijn uitgever zei indertijd: met dit boek kom jij in een storm te staan en die storm zal niet meer luwen. Sterker nog, die storm moet blijven, want dat hoort bij schrijvers die er echt toe doen. Ik begreep toen niet helemaal wat hij bedoelde, maar nadat ‘Gimmick’ (in 1989) eenmaal was verschenen, begreep ik het terdege. Het is een boek dat de meest uiteenlopende reacties heeft gekregen. Ik merkte dat de ene helft van de lezers met het boek dweepte, als het lijfboek van een generatie, terwijl daarnaast een hele groep mensen het verschrikkelijk vond, een nachtmerrie, het dieptepunt van de laatste tien jaar literatuur. Met andere woorden, het hoort erbij, het is een gegeven.’’

VALS LICHT’ EN DE SLAAK VAN WANHOOP

Een van zijn succesvolste romans ‘Vals licht’ werd in 1992 verfilmd door Theo van Gogh. Zwagermans literaire hoogtepunt is Van Goghs cinematografisch dieptepunt. ,,Achteraf gezien was dat voor hem niet zo’n gelukkige keuze. Het was veel minder een verhaal dat in zijn filmtaal paste. Het is toch een heel gevoelig verhaal. Hij was toch meer een filmer van een rauw verhaal met een slaak van wanhoop. ’Gimmick’ was meer op zijn lijf gesneden. Dat is niet van de grond gekomen omdat Van Gogh ruzie kreeg met de beoogde producent, zoals hij wel meer ruzie kreeg, maar dat hoef je tegenwoordig aan niemand meer uit te leggen.’’

,,De makke van ‘Vals licht’ was dat de film de stempel ging dragen van de producent in plaats van de regisseur. Van Gogh ging toen voor het eerst en voor het laatst in zee met Matthijs van Heijningen, die hem met zoveel woorden had opgedragen om er een soort ’Spetters’ van de jaren negentig van te maken. Daar was Theo, toen, niet mee bezig. Bij hem was het veel praten en weinig actie. Psychologische oorlogsvoering tussen twee mensen, toen al. ’06’ zou hij na ’Vals licht’ maken, en ’Blind date’. Zo had ik het me ook voorgesteld. Lange gesprekken tussen een klant en prostituee, tussen twee geliefden. In plaats daarvan werd het een patat-met-mayonaisefilm.’’

,,Ik was zéér teleurgesteld. Dat heb ik hem veel later onder vier ogen verteld. Ik heb dat nooit eerder naar buiten gebracht, ik vond niet dat ik zijn feestje moest verpesten. Ik denk dat we daarom in de loop van de jaren goed met elkaar zijn blijven omgaan. Hij wist wel dat ik er niet gelukkig mee was. Maar ik ben niet zo’n klager, ik ben niet iemand die zoiets aan de grote klok gaat hangen. Hij was wel sportief. Jaren later erkende hij ook dat ’Vals licht’ niet zijn meest geslaagde film was.’’

(Interview uit januari 2005, Noordhollands Dagblad/GPD.)

 

UA-37394075-1