Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Judith Herzberg: versluierende omwegen

Judith Herzberg (1934) is een van de meest gelezen Nederlandse dichters. Een publiciteitsschuwe persoonlijkheid wier poëzie en toneelwerk niet los van elkaar te zien zijn. Vriend Frans Weisz: ‘Ik begrijp wel waarom ze soms lastig is.’

 

Judith Herzberg houdt er niet van om in het openbaar over zichzelf te praten. In een van de schaarse (televisie)interviews, in 1984, zei ze tegen Ischa Meijer: ,,Vóór mijn huwelijk was ik een uitbundig meisje. Daarna ben ik verlegen geworden. Dat heeft lang geduurd, en nog ben ik tamelijk stil in grote gezelschappen. Juist omdat ik zo goed weet dat wat ik zeg persoonlijk tot één mens gericht is.”

Vooral de vragen over de Tweede Wereldoorlog, een periode die haar tekende, gaat ze uit de weg. Erover praten, doet ze liever niet, zeker niet in het openbaar, beducht als ze is voor opdringerige, intieme vragen. Ze slaat dan dicht of stelt een wedervraag. Zo vroeg interviewster Hanneke Groenteman haar eens: ,,Heb je afscheid van je ouders genomen toen je ging onderduiken?” Herzberg reageerde bits, afgemeten: ,,Dat is een pijnlijk onderwerp, daar heb ik geen zin in.” Erover schrijven kan ze wel, maar dan in versluierende omwegen. Zoals in een klassiek gedicht als ‘Meeuwen’, dat als een metafoor voor de deportatie van de joden is te lezen:

 

Toch, het geluid hield aan; het geweld van machines

werd zelfs overstemd door het schreeuwen.

De kranen hevelden lichte, niet helemaal dichte kisten.

Tussen de brede spleten leefde opeens de lading: vlerken

en veren. Zo werden de meeuwen het ruim in gehesen.’

 

Herzberg sluit zich liefst af van de buitenwereld. Dat is ook de ervaring van Saskia van Schaik, die werkt aan een filmportret van de auteur dat in het najaar bij de VPRO wordt uitgezonden. Verder wil de maakster er niet op ingaan, want ,,ik zit nu te diep in mijn film om even iets over haar te kunnen zeggen’’.

Tocht treedt Herzberg nu en dan naar buiten. Niet zo lang geleden was ze te gast in het discussieprogramma Buitenhof. Ze sprak daarin over de situatie in Israël, waarover ze, toen ze er langere tijd woonde, regelmatig berichtte in beschouwende stukken. ,,Kort en bondig wist ze tijdens dat gesprek een ingewikkelde situatie duidelijk te maken,’’ zegt Alexandra Koch, een van oorsprong Duitse theatermaakster die Herzbergs toneelstuk ‘Thuisreis’ (2004) regisseerde dat in Duitsland werd ontwikkeld en bij Het Nationale Toneel zijn Nederlandse première beleefde.

 

Judith (Frieda Lina) Herzberg werd op 4 november 1934 te Amsterdam geboren. Bij haar thuis waren ze met zijn vijven: drie kinderen en de ouders. Het was een geletterd milieu waarin haar moeder, zoals ze zich niet zonder genegenheid herinnerde, zo’n beetje de man in huis was en haar vader, de schrijver Abel J.Herzberg (1893-1989), de vrouw. ,,Mijn moeder kon timmeren en had een gereedschapskist. Mijn vader kon heerlijk koken. Al die functies liepen een beetje door elkaar.’’ Ze bracht als kind van joodse komaf, gescheiden van haar ouders, een groot deel van de oorlogsjaren door op onderduikadressen. Die jaren bleven haar hele schrijversleven beheersen. Ze schreef er indirect over in haar bekende toneeltrilogie ‘Leedvermaak’, ‘Rijgdraad’ en ‘Simon’, over lief en leed binnen een clan die wordt gevolgd van de jaren zeventig tot aan het eind van de 20ste eeuw. Drie drama’s over mensen die worstelen met de nasleep van de oorlog. Toch hield ze vol dat ze haar joodse verleden nooit als de leidraad in haar werk zag. In 1995 zei ze: ,,Over het verleden schrijven was altijd de taak van mijn vader: het was zijn terrein. Ik kon me, in de wetenschap dat iemand anders in huis zorg droeg voor het verleden, met andere dingen bezighouden.’’

 

Als dichteres debuteerde ze in 1961 in het weekblad Vrij Nederland. Dichter Jan Eijkelboom (1926-2008) staat te boek als haar ‘ontdekker’. De Dordrechtse stadsdichter die indertijd redacteur bij VN was, zei daar zelf over: ,,Ja, dat zegt zij zelf ook voortdurend. Ik vind het zelf teveel eer. Maar het klopt dat ik indertijd het idee opvatte om elke week een gedicht te publiceren van een onbekende. Zij zond enkele gedichten in die ik goed vond. Ze wilde een pseudoniem gebruiken, maar ik heb haar overgehaald om ze onder haar eigen naam te brengen.’’

Zelf zei ze daarover: ,,Ik was getrouwd, heette toen Van Leeuwen, had geen geld en dacht: leuk, vijfentwintig gulden voor een gedicht, laat ik het eens proberen. Daardoor kwam het, zoals mensen een kruiswoordpuzzel insturen om een boekenbon te winnen.’’

Twee jaar later verscheen haar debuutbundel ‘Zeepost’, die lovend werd ontvangen. Met deze gedichten zette ze de toon voor de bundels die zouden volgen, zoals ‘Beemdgras’ (1968), die in minder dan vijftien jaar negen drukken beleefde. Niet minder succesvol waren ‘Dagrest’ (1984) en ‘Zoals’ (1992), om maar te zwijgen van de bloemlezing ‘Doen en laten’ (1994) die tot op de dag van vandaag een van de best verkopende poëziebundels is.

 

Herzberg is in haar poëzie gefascineerd door het absurde en wonderlijke in de alledaagse werkelijkheid. Daarover schrijft ze in een heldere, bedrieglijk eenvoudige taal die tegen de gewone spreektaal aanleunt. Haar gedichten hebben vaak iets ‘grappigs’ en getuigen van een sterk inlevingsvermogen:

 

‘Als ik een vis was wist ik wel

hoe ik moest zwemmen, zachtjes door het water

wimpelen en met een wending remmen.

Ach waarom voel ik wat nooit voor mij

bedoeld is in mijn ruggengraat terwijl ik

toegerust als mens zo moeizaam

door de kamers waad.’.

 

Voor haar toneeldialogen geldt hetzelfde: alles komt via een omweg ter sprake. De personages spreken zich niet direct uit, ze lijken alleen maar te praten om de (pijnlijke) stilte te vullen. In een beschouwing over haar eigen werk schreef Herzberg dat ze in haar gedichten twee zaken met elkaar probeert te rijmen die ogenschijnlijk niets met elkaar te maken hebben. Zo wordt in de bundel ‘Botshol’ (1980) in ‘Boomchirurg’ het snoeien van een boom in verband gebracht met de operatie aan een hersentumor. Voor deze bundel ontving ze in 1981 de Jan Campert-prijs. Dertien jaar later volgde, voor haar hele oeuvre, de Constantijn Huygensprijs, en in 1997 de P.C.Hooftprijs.

Alles kan bij haar in een gedicht terechtkomen. Zo was de aanleiding van ‘Afscheid’ een walmende peuk die ze van de straat wilde ‘redden’. ,,Ik dacht: als ik het nu niet opraap ligt het er straks nog en word ik er misschien bedroefd door, door het zo onpersoonlijk te laten worden,’’ zei ze daarover.

Jan Eijkelboom noemde haar dichtwerk sterk autobiografisch. Zelf heeft ze die veronderstelling altijd resoluut van de hand gewezen: ,,Nee, ze gaan vaak over andere mensen.” Het is inderdaad moeilijk om in een gedicht als ‘Beemdgras’ (‘Mijn vader zong de liedjes/ die zijn moeder vroeger zong/ later voor mij, die ze half verstond.’) niet de vader van de dichteres te zien. Of neem ‘Ziekenbezoek’:

 

,,Mijn vader had een lang uur zitten zwijgen bij mijn bed.

Toen hij zijn hoed had opgezet

zei ik, nou, dit gesprek

is makkelijk te resumeren.

Nee, zei hij, nee toch niet,

je moet het maar eens proberen.”

 

Vanaf de jaren zeventig legde Herzberg zich meer toe op film- en tv-scenario’s en toneelstukken. Ze kwam in contact met regisseur Frans Weisz die zich hun eerste ontmoeting feilloos herinnert. ,,In de schouwburg van Haarlem stelde iemand mij toen aan Judith voor. Ze had een toneelstuk geschreven en vroeg of ik interesse had. Het was liefde en belangstelling op het eerste gezicht. Ik voelde dat er een zielsverwantschap was. Ik begon over dingen te praten waarover ik met niemand eerder gesproken had. We hebben allebei ondergedoken gezeten. Ik heb óók de eerste jaren van mijn leven weggeduwd en er nooit over willen praten. We hebben tot diep in de ochtend zitten praten over het toneelstuk ’Dat het ’s ochtends ochtend wordt’ dat ik uiteindelijk ook heb verfilmd.’’

Het was het begin van een lange en hechte samenwerking. Weisz: ,,Het was 1973. Ik had net ‘Naakt over de schutting’ gemaakt en wilde andersoortige films maken. Ik vroeg of ze bijdragen wilde leveren aan mijn volgende film ‘Rooie Sien’ (1975). Een aantal van de beste dialogen daaruit zijn van haar.’’

Het duurde vervolgens zes jaar voordat ‘Charlotte’ (1981) tot stand kwam, een film over de joodse schilderes Charlotte Salomon die in 1943 op 26-jarige leeftijd door de nazi’s werd vermoord. ,,Die film was ons grote succes’’, aldus Weisz. ,,We werkten eraan tussen 1975 en 1980. We deden samen research, reisden ervoor naar Berlijn en Zuid-Frankrijk.’’

Daarop volgde ‘Leedvermaak’ (1982), dat draait om de menselijke twijfel en gehechtheid aan het leven. Tegelijk gaat het, zoals zoveel van haar werk, over de onmogelijkheid om (echt) met elkaar te kunnen communiceren. ,,Uiteindelijk gaan zowel mijn gedichten als mijn toneelstukken’’, zei Herzberg in 1994, ,,misschien vooral over hoe stom alles in de wereld is geregeld, hoeveel misverstanden er bestaan, hoe verkeerd alles altijd weer uitpakt, maar ook hoe grappig alles is. Hoe goed bedoeld het vaak ook is, mensen doen elkaar toch maar de raarste dingen aan. Het is als bij Jan Klaassen en Katrijn: Kijk uit! Achter je.’’

 

Leedvermaak’ ging in première bij toneelgroep Baal, maar werd vooral bekend dankzij de verfilming in 1989 door Weisz. De filmversie van ‘Rijgdraad’, ‘Qui Vive’ (2002) gedoopt, werd door Herzberg en Weisz ingrijpend herschreven. Daarna schreef ze toneelstukken als ‘En/Of’ (1985), ‘Kras’ (1989), ‘Een goed hoofd’ (1991) en ‘Een golem’ (1998): verraderlijk losse stukken die toch een hechte dramatische structuur bezitten en waarin de dialogen het midden houden tussen poëzie en rafelige, springerige conversatie. Voor Herzberg bestaat er ook niet zo’n wezenlijk verschil tussen het schrijven van een toneelstuk en dat van een gedicht: ,,De woorden moeten precies zijn en de klank is belangrijk. De functie is natuurlijk anders. Bij toneel hoort elk woord een mozaïeksteentje te zijn van het zelfportret van het personage. En het moet kunnen worden gespeeld. Gedichten moeten het kunnen doen zonder de bemiddeling van de acteur.’’

Dat scenischein haar poëzie spreekt Weisz aan: ,,Haar gedicht ‘Ik fint’ (uit de bundel ‘Wat zij wilde schilderen’, 1996) stuur ik vaak naar acteurs om ze te troosten als ze na de première de recensie onder ogen hebben gekregen. De eerste zin luidt: ‘Je werkt er jaren aan en dan komt iedereen vertellen wat hij fint.’’ Als ík poëzie kon schrijven, had ik willen dichten als Remco (Campert) of Judith. Op een bepaalde manier heb ik ook het idee dat die twee familie van elkaar zijn. Dat ligt aan hun licht ironische, soms melancholieke toon, aan het impliciete. Tussen de regels doorlezend vind je goud. Het ontwijkt als het ware het drama dat niet ín maar tússen de regels zit.’’

Alexandra Koch: ,,Spannend aan haar werk zijn de vele tegenstellingen. Enerzijds is het heel alledaags, anderzijds gaat het over grote thema’s. Maar die worden licht verteld. Het is een vorm van minimalisme. Dat vermengt ze met iets heel zachts. Er zit veel mededogen in de manier waarop ze naar mensen kijkt.’’

Herzbergs werk bleef ook buiten onze taalgrenzen niet onopgemerkt. Haar toneelstukken staan op het repertoire van theatergezelschappen in Israël en Duitsland. Volgens Alexandra Koch beantwoordt Herzberg aan het beeld dat nog veel Duitsers van een Nederlander hebben: ,,Dat van een gecultiveerde persoon. Iemand die niet met elke rage meegaat, maar dicht bij zichzelf blijft, veel kan relativeren en een genuanceerde mening heeft.’’

 

Herzberg is nog steeds actief. Weliswaar bereikt haar poëzie, zoals in de bundel ‘Zoals vaak’ (2004), niet meer het niveau van het vroegere werk, het behoudt ondanks de zware thematiek de vertrouwde lichte toets. Ze las in 2006 uit eigen werk tijdens het feest dat Jan Eijkelboom vanwege diens tachtigste verjaardag was aangeboden. Hij zei daarover: ,,Dat vond ik heel mooi.’’ Dat de dichteres bij derden afstandelijk overkomt, verbaasde hem niet: ,,Op dat feestje was ze er op tegen dat ze werd gefotografeerd. Toen ze voorlas, stokte ze even. Er was teveel lawaai. Ergens ver weg oefende een band. Als je goed kon luisteren, kon je dat horen. Ach, ze wordt wel eens lastig genoemd, maar de reden daarvan kan ik meestal goed begrijpen.’’

Voor Koch blijft Herzberg een ongrijpbare figuur. ,,Ze is iemand bij wie je je de hele tijd afvraagt: wat denkt zij nu? De eerste keer dat ik haar ontmoette, dronken we thee bij haar in de keuken. Ik vertelde over het project waarmee ik bezig was en vroeg om haar medewerking. Zij luisterde geïnteresseerd en zei aan het einde heel vriendelijk: ‘Nee’. Iemand bij wie je dus absoluut niet kunt peilen welke kant het zal opgaan.’’

,,Ja,’’ zegt Weisz, ,,ze kan streng zijn. Onbekenden die haar meteen beginnen te tutoyeren, straft ze onmiddellijk af. Met haar werken is uiterst arbeidsintensief. Ik bedenk het liefst vier shots door elkaar heen. Zij gaat heel doelgericht te werk, bij haar geen uitwassen, geen scheve uitstapjes. Zij verwijt mij ook vaak dat ik de dingen opleuk. En op mijn beurt verwijt ik haar dat ze soms te weinig van het leven geniet.’’

 

Juni, 2007

UA-37394075-1