Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

K.Schippers: ‘Het boek zal nooit het loodje leggen’

In ‘De hoedenwinkel’ van K.Schippers (1936) valt de taal uit zoals het licht in een hele wijk kan uitvallen. Gesprek met een literaire eenling die onverstoorbaar verder schrijft. ,,Geloof me, het boek zal nooit het loodje leggen. Daar is de vorm te goed voor.’’

 

In K.Schippers’ ‘De hoedenwinkel’ (2008) valt de taal uit. Letters in de publieke ruimte vallen weg, woorden vervagen. ,,Maar zoals dat meestal gaat willen mensen daar niet aan,’’ zegt Schippers, die praat zoals hij schrijft, associatief en met oog voor details. ,,Ze proberen het gewoon te maken. Het zal wel een studentengrap zijn of een kwajongensstreek. Maar de taal is hier echt op drift, hij is niet meer in de hand te houden, misschien valt ie wel echt uit.’’

Centraal in ‘De hoedenwinkel’ staat Sonja, een verkoopster in een warenhuis die voor zichzelf begint. Haar hoedenzaak loopt meteen goed, maar haar hoofd staat meer bij het verzoek om straatnamen te bedenken voor een naburig nieuw dorp. Deze Sonja zou best de mysterieuze vrouw met broeierige oogopslag kunnen zijn die het boekomslag siert.

Schippers, verrast: ,,Dat heeft niemand me nog gezegd, maar het zou kunnen. Ik had een foto van de beroemde Amerikaanse fotografe Lee Miller, iets met hoeden. Maar die was me te druk. Toen vond ik de foto die nu op de omslag staat, van de Amerikaanse fotograaf Edward Steichen. Deze vrouw, zo blijkt nu, ís Lee Miller. De vrouw die Hitler fotografeerde en de eerste fotografe in Dachau was.’’

 

Rake observaties in even

lichtvoetig als precies proza

 

De hoedenwinkel’, die ook een liefdesgeschiedenis is, is illustratief voor de werkwijze van K.Schippers. Het boek treft door de rake observaties en het even lichtvoetige als precieze proza waarmee Schippers zich sinds jaar en dag onderscheidt. De schrijver, dichter en essayist heeft intussen meer dan vijfentwintig titels op zijn naam staan. Hij ontving in 1996 de P.C.Hooftprijs en in 2005 de Libris Literatuur Prijs voor zijn roman ‘Waar was je nou?’ Zijn twee kinderboeken werden bekroond met een Zilveren Griffel. Hij beoefent vrijwel alle literaire genres, met de nadruk op romans en beschouwingen over beeldende kunst en film.

Voor het decor van zijn roman is Schippers dicht bij huis gebleven, Oud-Zuid, de Amsterdamse buurt waar hij meer dan veertig jaar woont. ,,Die hoedenwinkel zat hier vroeger op de hoek. Het is nu een vrij chique kapper. Ik keek daar vaak naar binnen. Mooi, die frêle hoeden op die standaards. Ik heb het altijd wel in mijn hoofd gehad om daar eens iets mee doen. En zo zoek je overal locaties voor een boek, al komen ze er nooit letterlijk in.’’

,,Ik ben geboren en opgegroeid in Amsterdam, in West. Dat waren toen eigenlijk een soort dorpen. Die zijn meer naar elkaar toegegroeid, al blijven het verschillende buurten. West is wel wat veranderd, maar ik meen het altijd nog te kunnen horen, zeker aan de stem van een vrouw. Die is lik-op-stuk, van ‘had je wat!’en ‘moet je wat?’ Niet agressief, maar wel behoorlijk aan de bak. De Jordaan was altijd een beetje opera. Noord, dat waren meer boeren. Zuid was een beetje deftig. Ik denk dat het nog altijd verschilt. Waar je vandaan komt blijf je min of meer. Dat gevoel heb ik nog altijd, hoezeer het ook veranderd is. Als ik naar het Centrum ga heb ik nog altijd het gevoel dat ik in het buitenland kom.’’

 

‘Welke naam geef je aan je kind?

Dat zijn toch dingen die ertoe doen.’

 

De stof voor zijn boeken ontleent hij aan de werkelijkheid. ,,Mij werd eens gevraagd of ik de straatnamen wilde bedenken voor een buurt nabij Arnhem. Ik dacht, ik doe het niet, misschien bevalt het dorp mij niet, maar ik dacht wel, ik kan er misschien iets mee doen voor een verhaal. Welke naam geef je aan een straat? Welke naam geef je aan je kind? Dat zijn toch dingen die ertoe doen. En dat klitte aan de hoedenwinkel.’’

Schippers werkt niet met een vooraf bedacht plot. ,,Sonja komt in een gebied waar ze nooit eerder is geweest, en dan ben ik net zo nieuwsgierig als de lezer hoe het verder zal gaan. Het is als in die beroemde cartoon van een jongen op een kar die de hond die ‘m trekt een worst voorhoudt.’’

In zijn werk toont hij zich een haarscherp observator. Hij vatte dat zelf eens kernachtig samen in een kwatrijn:

,,Als je goed

om je heen kijkt,

zie je dat alles

gekleurd is.’’

,,Ik wil graag iets doen met de elementaire dingen van het bestaan: taal, ruimte, licht, schaduwen. En dat allemaal ingebed in een leuk, fijn verhaal. Je moet het allemaal in een zo realistisch mogelijk verhaal verankeren. Dan krijg je een mooie spanning en een mooi contrast, dan wordt het geloofd. Het amusement is van belang. Ik word zelf ook graag geamuseerd. Ik wil dat het je aan het denken zet en tegelijkertijd een lach opwekt.’’

Op dat moment verspringt het zonlicht op de tafel waaraan we zitten. Het vlamt in de leesbril en in het blauw van een pen. De zwarte letters van de romantitel op het omslag flakkeren rood op. ,,Ziet u, het licht wijzigt zich voortdurend.’’ Hij staat op en wijst naar de lege ruimte naast een zitbank. ,,Daar stond het bed waarin mijn moeder is gestorven. Die was op hoge leeftijd nog heel goed, maar kreeg op het laatst toch kanker. Ik loop er altijd in een boogje omheen, alsof haar bed er nog staat.’’

 

‘Ook al heeft niemand het ooit over

de ruimte, je banjert er maar doorheen.’

 

De ruimte krijgt bij Schippers een gezicht. Hij maakt er in ‘De hoedenwinkel’ zelfs een personage van. ,,De verpleegster in het boek loopt op zeker moment door een ziekenzaal naar het raam. Ze zet een voet op de vensterbank, kijkt naar buiten, naar de sterren, er is een beetje nevel. Ze heeft gaandeweg een idee gekregen van de ruimte. Ze zal er nooit meer zomaar doorheen lopen, zoals mensen met pleinvrees. De ruimte weet van wanten. Ook al heeft niemand het er ooit over, je banjert er maar doorheen. En die ruimte zegt hier: kom op zeg, nou ben ik aan de beurt.’’

 

‘De K., een mooie letter, die staat nergens voor.’

 

Lange tijd werd K.Schippers in één adem genoemd met (J.) Bernlef. Ze schreven eenzelfde soort poëzie en vormden een halve eeuw geleden de motor van het avant-gardistische tijdschrift Barbarber, vol dadaïstische ideeën en met baldadige kantjes. In die tijd nam Gerard Stigter, zoals hij bij de burgerlijke stand staat ingeschreven, het pseudoniem K.Schippers aan. ,,We begonnen met zijn vieren. Toen een van ons ermee stopte, besloten we net te doen alsof we er alle vier mee ophielden en namen een pseudoniem aan. Bernlef koos voor de blinde Friese bard. Ik werkte als vertegenwoordiger bij Ditmar, een boekimportmaatschappij. Daarvoor reisde ik het land af om te kijken of ze genoeg in voorraad hadden.”

,,Ik kreeg ruzie met een boekhandelaar, die zich tegenover mijn baas beklaagde. Die heer Schippers van u… Hij had mijn naam blijkbaar niet goed verstaan of ik had het niet duidelijk gezegd. Ik besloot die naam aan te nemen. Er moest nog een letter voor, dat werd de K., een mooie letter. Die staat nergens voor. Later is de naam volkomen ingeburgerd. Het is een soort practical joke geworden. We waren jongens, gewone jongens die grappen maakten, en ik voel me eigenlijk nog net zo.’’

In zijn vorige roman, ‘Waar was je nou’, dat na bekroning met de Libris Literatuurprijs 2006 een bescheiden bestseller werd, ruimt de hoofdpersoon het huis van zijn overleden moeder op. Aan de hand van de foto’s die hij opdiept maakt hij een soort reis door het verleden. ,,Als je zo’n prijs krijgt, komt er wel iets op je af. Overal word je voor gevraagd en ik sta op het standpunt dat je je publiek moet bedienen. Ik gaf lezingen van Heerenveen tot Bergen op Zoom. Dat was ontzettend leuk. Soms zaten er vijf mensen. Bij Eindhoven stond ik tegenover vijfhonderd man. In ‘Waar was je nou?’ is er sprake van een broche, die de hoofdpersoon zo mooi vindt. Een man in een boekhandel in Breda vroeg me, waar is die broche nou? Ik zei, die heb ik thuis. Toen zei hij, de valse of de echte? Het was helemaal realiteit voor hem. Dat is waar je het voor doet.’’

K.Schippers is ervan overtuigd dat de moderne media het boek er nooit onder zullen krijgen. ,,Hoe vaak wordt niet beweerd dat het boek het loodje zal leggen ten opzichte van televisie en internet? Geloof me, dat zal nooit gebeuren. De vorm is te goed. Je zou het zelfs kunnen omdraaien. Stel dat we met internet waren begonnen en dat dan iemand zei: ‘Het is wel ingewikkeld, dat lezen. Is er niet iets kleiners? Je zou een kartonnetje kunnen nemen en daar papier in doen.’ Nee, ik ben optimistisch. De toekomst is aan het boek.’’

 

K.Schippers: ‘De hoedenwinkel’, roman. Uitgeverij Querido, 213 blz.

 

November, 2008

UA-37394075-1