Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Karel van het Reve, ideale gids door Russische literatuur

Karel van het Reve (1921-1999) schreef boeken over de meest uiteenlopende onderwerpen, maar geen werk van zijn hand werd indertijd zo warm onthaald als zijn ‘Geschiedenis van Russische literatuur’ (1985). Het viel zo in de smaak, dat het weldra tot hét Nederlandse standaardwerk is uitgegroeid over de grote Russische literatuur uit de negentiende eeuw.

 

In 2002 verscheen na twaalf jaar de zesde, herziene druk van het boek waarin hij ons op aanstekelijke wijze gidst door de Russische literatuur, ruwweg te beginnen bij de kerstening van Rusland onder Vladimir de Heilige rond het jaar 1000 en eindigend in 1904 bij de dood van Anton Tsjechov.

 

Toen Kees Fens Karel van het Reve eens toevertrouwde dat hij diens prachtige biografische geschiedenis van de Russische literatuur niet durfde te bespreken omdat hij zich vanwege zijn gebrek aan kennis over het onderwerp niet capabel genoeg achtte, antwoordde de slavist spontaan: ‘Ik weet er ook niets van.’

Het is Van het Reve, die in 1981 de P.C.Hooftprijs voor zijn literatuur ontving, ten voeten uit. Bescheiden, zakelijk, nuchter en tegelijk gevat en speels. Zo sprak hij. En zo schreef hij in een bedrieglijk eenvoudige, achteloze stijl zijn boeken die hun grote kracht ontlenen aan een grote feitelijke kennis.

Karel van het Reve, de Geleerde Broer van Gerard Reve in wiens boek ‘De avonden’ hij voorkomt als Joop, bezat de gave om ingewikkelde zaken op een eenvoudige en heldere manier te zeggen, al bleek dat in de praktijk minder gemakkelijk te gaan dan wel eens werd gedacht. ‘Je hebt zo’n vlotte pen, zeggen collega’s wel eens tegen mij. Alsof het dan ook snel geschreven is! Het was vaak een heel geworstel om een soepel en elegant betoog te maken.’

Gortdroog schreef hij zelden, meestal lichtvoetig, geestig, tegendraads, eigenwijs, soms provocerend. Zo merkte Van het Reve, die van zijn student en vriend de schrijver Maarten Biesheuvel ooit de aanspreektitel God meekreeg, eens op dat de gelovige er verstandiger aan doet zijn hersenen te gebruiken in plaats van zijn handen te vouwen. De koppige, recalcitrante gebroeders Van het Reve hadden ook veel meer met elkaar gemeen dan beiden durfden toe te geven.

Karel van het Reve had al vroeg, van huis uit eigenlijk, een passie voor de Russische literatuur van de negentiende eeuw. Hij was ooit bibliothecaris van het Rusland-Instituut van de Amsterdamse universiteit en eind jaren zestig werkzaam als correspondent voor Het Parool in Moskou. Verder was hij hoogleraar Russisch in Leiden, waar hij volgens zijn studenten plezierig college gaf, en hij nam het op voor vervolgde schrijvers en intellectuelen, onder wie Solzjenitsjin, in een tijd dat dit allerminst in de mode was.

Zijn ‘Geschiedenis van de Russische literatuur’ is een echt ‘leesboek’, er wordt geen uitputtende literatuurhistorie in bedreven. Van het Reve beperkt zich grotendeels tot de grote namen, tot de schrijvers die er toe doen, hij wilde ook nadrukkelijk geen boek of naslagwerk schrijven waarin het je op elke bladzijde duizelt van de stoet auteurs die worden doorgelicht. Van het Reve wilde zijn liefde voor de Russische literatuur op de lezer overbrengen, of die met hem delen.

En dat is hem in die vijfhonderd bladzijden grotendeels gelukt. Je proeft het plezier dat hij aan het schrijven ervan moet hebben beleefd. ‘Een goede schrijver en een literatuurgeschiedenis gaan nu eenmaal vooral over schrijvers die de moeite van het lezen waard zijn, die stijgt eigenlijk boven alle invloed uit’, schrijft hij. ‘Zeker, het proza van Poesjkin is beïnvloed door Voltaire, Chamford, Karzamzin, Walter Scott, Marlinski, maar uit die invloeden is iets ontstaan dat geheel uniek is.’

Het plezierige van dit boek is de prettige, onverstoorbare eigengereidheid waarmee de auteur de stof te lijf is gegaan. Zonder zich van zijn voorgangers of andere hooggeleerde slavisten, literaire historici en deskundigen iets aan te trekken, trekt hij zijn spoor. Literaire vooruitgang? Bestaat niet! Van het Reve schrijft: ‘De techniek van een land ontwikkelt zich nogal eens, de productie per hoofd der bevolking kan een eeuw, twee eeuwen stijgen, het aantal boeken, schouwburgen, universiteiten in een land kan groter worden, maar de kunst trekt zich van dit alles niets aan. Na Sappho ‘ontwikkelt de lyrische poëzie zich wel in die zin, dat er steeds nieuwe en steeds andere lyriek geschreven wordt, maar er is geen sprake van vooruitgang’.

Natuurlijk wordt er steeds ándere poëzie geschreven, losser en vrijer in de vorm, dan volgt weer een terugkeer naar traditionelere lyriek, maar elke vernieuwing of experimenteerdrift levert niet per se betere poëzie op. De gedichten van Sappho zijn duizenden jaren oud en die van Poesjkin twee eeuwen geleden geschreven, maar ze blijven, hoeveel er daarna ook geschreven is en hoe hoog ook de kwaliteit, op zeldzame hoogte staan.

Hetzelfde geldt voor het werk van Homerus, Shakespeare en Proust – hun werk is de maat. Over muziek of schilderkunst zou je hetzelfde kunnen beweren. Wat Van het Reve in het geval van de Russische literatuur bovendien frappeert is de omstandigheid dat een ‘arm, primitief, analfabeet, onderontwikkeld land, door geborneerde tirannen geregeerd, in enkele tientallen jaren een onsterfelijke literatuur kan voortbrengen’.

Van het Reve houdt van ontmythologiseren. Zo is hij uitgesproken over Dostojevski. Deze Grote Rus is hem te pathetisch en te larmoyant. Had Dostojevski de keukenmeidenroman immers niet tot Literatuur verheven? Staat ‘De gebroeders Karamazov’ bij menigeen op eenzame, duizelingwekkende hoogte in de wereldliteratuur, Van het Reve vindt het boek maar zozo. Met een van de Karamazovs zou hij geen minuut alleen in een vertrek willen doorbrengen. Hij vindt de schrijver zelf ook een beetje een aansteller. Van het Reve was lid van ‘de anti-Dostojevski-club’, maar, zo moest hij ruiterlijk erkennen, ‘Misdaad en staf’ (ook wel ‘Schuld en boete’), het autobiografische ‘Dodenhuis’ en ‘Boze geesten’ zijn meesterwerken.

Van het Reve hield zelf meer van Toergenjev en Tsjechov. De laatste, de (toneel)schrijver, is met zijn welhaast filmische aanpak van grote invloed geweest op de theatervernieuwing van de twintigste eeuw. Tsjechov toont zowel in zijn toneelstukken als in zijn honderden prachtverhalen de worsteling van de hedendaagse mens. Weinig schrijvers tonen zoveel compassie met hun naar liefde en geluk hunkerende antihelden als Tsjechov. En tegelijkertijd laten weinigen ze zo onbarmhartig met lege handen staan.

Er valt soms ook wel iets af te dingen op Van het Reves beweringen. Zo zou in de verhalen van Gogol steevast een plot ontbreken, terwijl ze toch wel degelijk een soort kop-staart-constructie hebben; je zou menig slot met een beetje goede wil een ontknoping kunnen noemen.

Over de Grote Russen zijn boekenplanken vol geschreven. Daar zitten knappe, goed leesbare studies tussen. Volgens Karel van het Reve – en daarmee relativeerde hij tegelijk zijn eigen boek, ook al is het zijn eigen magnum opus – kun je je de moeite van het doorworstelen van al die doorwrochte werken beter besparen door het enige te doen wat je behoort te doen bij Poesjkin, Lermontov, Gogol, Gontsjarov, Toergenjev, Dostojevski, Tolstoj, Leskov en Tsjechov. En dat is hun boeken lezen. Of, wat Tsjechov betreft, in de schouwburg naar zijn toneelstukken komen kijken. Elk seizoen is er wel ergens een voorstelling van ‘De meeuw’, ‘Drie zusters’ of ‘De kersentuin’ te zien.

 

Karel van het Reve: Geschiedenis van de Russische literatuur. Van Vladimir de Heilige tot Anton Tsjechov. 523 blz, uitgeverij G.A.van Oorschot, Amsterdam. Dezelfde uitgeverij geeft de Russische Bibliotheek uit, waarin het verzameld werk is opgenomen van onder anderen Tsjechov, Tolstoj, Dostojevski, Gogol, Toergenjev en Poesjkin.

 

Juni, 2002

UA-37394075-1