Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Khaled Hosseini’s Afghaanse heldinnen

Afghanistan staat in de ogen van westerlingen voor oorlog en (religieus) barbarisme. Maar wie echt iets van het land, zijn cultuur, geschiedenis en bewoners wil begrijpen, leze ‘Duizend schitterende zonnen’ van Khaled Hosseini.

 

Hosseini (1965, Kabul) groeide in korte tijd uit tot een fenomeen. De zoon van een diplomaat vluchtte met zijn familie in 1980 na de Russische inval naar de Verenigde Staten. Hij werd arts en was afgezant van de VS voor de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de VN. Zijn debuutroman ‘De vliegeraar’ verscheen in 2003 en vond wereldwijd een miljoenenpubliek. Alleen al in Nederland zijn meer dan 500.000 exemplaren verkocht van dit boek over een vluchtend Afghaans gezin. En als de voortekenen niet bedriegen, gaat ‘Duizend schitterende zonnen’ dezelfde weg.

Hosseini reist in deze roman door de afgelopen halve eeuw van zijn vaderland aan de hand van de lotgevallen van twee vrouwen. De ene vrouw is de ongeschoolde Mariam die op haar vijftiende wordt uitgehuwelijkt aan de dertig jaar oudere schoenverkoper Rasheed in Kabul. Hoe hardvochtig haar jeugd als bastaardkind op het onherbergzame platteland ook is, het is bijna idyllisch vergeleken met alles wat haar nog te wachten staat.

 

,,Ze hoefde niet de verrassing in hun ogen te zien of het medelijden of de vreugde over hoe diep ze gevallen was.’’

 

Hosseini’s andere hoofdpersoon is de veel jongere en mooiere Laila. Zij wordt door Rasheed na een raketaanval uit het puin gered. Hij hoopt dat zij hem in tegenstelling tot Mariam wél een zoon kan schenken. Hij dwingt zijn vrouwen een burka te dragen, dat alles bedekkende gewaad dat in het westen de islamitische onderdrukking van de vrouw symboliseert. Hosseini laat echter ook de ‘andere kant’ van deze religieuze dwangbuis zien: ,,Ze vond wel enig genoegen in de anonimiteit die de burka haar gaf. Ze zou zo niet worden herkend als ze oude kennissen tegen zou komen. Ze hoefde niet de verrassing in hun ogen te zien of het medelijden of de vreugde over hoe diep ze gevallen was.’’

De vrouwen zijn aanvankelijk elkaars rivalen. Gaandeweg komen ze tot elkaar in hun weerzin tegen de tirannieke man die hen als zijn slavinnen behandelt. De vrouwen worden hartsvriendinnen, keren zich tegen hun ‘verachtelijke heer’. Laila vlucht met haar jeugdliefde en twee kinderen naar Pakistan. Mariam valt in handen van de taliban die de sharia, de islamitische wetgeving, strikt naar de letter opvatten.

 

,,Elk Afghaans verhaal wordt gekenmerkt door dood en verlies en onvoorstelbaar verdriet. En toch vinden de mensen een weg om te overleven, om door te gaan.’’

 

Duizend schitterende zonnen’ – de titel is ontleend aan een gedicht van de 17de-eeuwse Perzische dichter Saib-e-Tabrizi – geeft in de eerste plaats een goed beeld van een verscheurd land. Keer op keer valt het ten prooi aan nieuwe machthebbers. Eerst is er de stammenstrijd tussen de Pashtun, Tajik en Hazara, dan wordt het land bezet door de Sovjets, en na de burgeroorlog volgt de religieuze terreur van de taliban. ,,Elk Afghaans verhaal wordt gekenmerkt door dood en verlies en onvoorstelbaar verdriet. En toch vinden de mensen een weg om te overleven, om door te gaan’’, zegt Laila ergens.

Maar het boek is vooral het portret van sterke vrouwen die de rampspoed die hen treft keer op keer te boven weten te komen. Vrouwen die door de mannen worden geknecht, want ,,net als de naald van het kompas die naar het noorden wijst, vindt de beschuldigende vinger van een man altijd een vrouw’’. In hun overlevingsdrift, het incasseren van tegenslagen en vernederingen en het verdragen van pijn zijn de vrouwen de mannen echter verreweg de baas. De Afghaanse vrouwen zijn dan ook de ware heldinnen van ‘Duizend schitterende zonnen’. Op hen is alle hoop gevestigd.

 

,,Mammies hart was als een leeg strand, waar Laila’s voetafdrukken voorgoed weggespoeld zouden worden onder de golven van verdriet die aanzwollen en te pletter sloegen, aanzwollen en te pletter sloegen.’’

 

Hosseini vertelt het allemaal meeslepend. Zijn proza is opvallend onopgesmukt, zeker vergeleken bij de exotische taal waarvan andere Afghaanse schrijvers zich bedienen. Vreemd is dat niet, Hosseini leerde het schrijven in zijn tweede vaderland, de VS. Slechts mondjesmaat veroorlooft hij zich een pathetische zin als deze: ,,Mammies hart was als een leeg strand, waar Laila’s voetafdrukken voorgoed weggespoeld zouden worden onder de golven van verdriet die aanzwollen en te pletter sloegen, aanzwollen en te pletter sloegen’’.

IJzingwekkend is de Gárcia Márquez-achtige scène waarin Mariam naar de executieplaats wordt gevoerd. Ze heeft vrede met haar gruwelijke lot, al slaat in haar laatste twintig passen, als ze haar leven overdenkt, toch nog de twijfel toe: ,,Ze wilde Laila’s opklinkende lach weer horen. Ze betreurde het dat ze Aziza nooit zou zien opgroeien, nooit de prachtige jonge vrouw zou zien die ze ooit zou worden. (…) Dat zou ze dolgraag hebben gewild, oud zijn en met Aziza’s kinderen spelen.’’

Aan het einde gloort hoop. Het is inmiddels 2003 en in het boek is dan bijna een halve eeuw verstreken. Het zoetgevooisde slot is een stijlbreuk, maar dat vergeef je de schrijver van dit epos onmiddellijk.

 

Khaled Hosseini: ‘Duizend schitterende zonnen’. Vertaald uit het Engels door Wil Hansen. Uitgeverij De Bezige Bij, 397 blz.

 

Juni, 2007

UA-37394075-1