Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Knuffelbohemien Ilja Leonard Pfeijffer: ‘Aan verzinsels hebben mensen niks’

Sommige dichters sidderen voor de zwier van zijn genadeloze pen. Anderen dragen de ‘literaire bullebak’ op handen. Ilja Leonard Pfeijffer (1968, Den Haag), de ‘schrik van dichtend Nederland’, grinnikt. ,,In het echt val ik best wel mee, toch?” zegt de schrijver retorisch. Een gesprek over diens literaire krachttoer ‘Het ware leven, een roman’.

 

Ilja Leonard Pfeijffer is een flamboyant dichter met wilde manen, snor, vrouwentreiteraar (sikje) en robuust postuur. Hij staat te boek als een letterkundige wildebras die zonder aanzien des persoons links en rechts ferme tikken uitdeelt aan collega’s. ,,Ach”, zegt hij met een ironisch trekje om de mond, ,,op papier ben ik soms weinig zachtzinnig. Dat geef ik toe, maar dat vind ik dan nodig. Poëzie is te belangrijk om er met een soort schouderophalende welwillendheid aan voorbij te gaan. Ik zeg waar het op staat. Dat vindt lang niet iedereen plezierig, maar dat gebeurt dan toch in dienst van de poëzie. Poëzie is daar meer mee gebaat dan met onverschilligheid. Maar als mensen alleen klagen en weigeren om het debat aan te gaan, moeten ze verder niet zeuren.”

 

,,Het gaat mij er niet om mijn collega-dichters te kleineren of het zwijgen op te leggen.”

 

Pfeijffer vestigde in één klap zijn reputatie als literaire scherpslijper met het geruchtmakende essay ‘De mythe van de verstaanbaarheid’ (2000). Hierin hekelde hij ‘verstaanbare gedichten’ die op papier vervluchtigen en hield hij een pleidooi voor ‘moeilijke’ poëzie. ,,Dat heeft een hausse aan antwoorden opgeleverd. Dat debat duurt nog steeds voort. Wat wil je nog meer? Dat is toch prachtig? Het gaat mij er niet om mijn collega-dichters te kleineren of het zwijgen op te leggen. Integendeel. Ik wil juist het debat aanwakkeren, en godzijdank zijn er veel dichtende collega’s die dat donders goed begrijpen. En hoezeer we elkaar soms op papier ook afslachten, in het café drinken we daarna gewoon een biertje. En zo hoort het. Wat oproer is goed. Poëzie is nooit slechter geworden van wat polemiek.”

 

,,Terwijl ik toch behoorlijk lui ben, schrijf ik tussen de bedrijven zo af en toe wel eens wat.”

 

Pfeijffer heeft inmiddels – het is 2006 – een waslijst publicaties (9) op zijn naam staan, waaronder drie dichtbundels en drie romans. ,,Terwijl ik toch behoorlijk lui ben, schrijf ik tussen de bedrijven zo af en toe wel eens wat”, zegt hij schalks. Hij ontving de belangrijkste debuutprijs voor zowel poëzie (‘Van de vierkante man’, 1998, C. Buddingh’-prijs 1999) als proza (‘Rupert, een bekentenis’, 2002, Anton Wachterprijs). De classicus Pfeijffer onderscheidde zich met het tegendraadse ‘De Antieken, een korte literatuurgeschiedenis’ (2000), de essayist met ’Het geheim van het vermoorde geneuzel’ (2003), waarin hij het werk van de ene dichter bewondert en van de andere vergruizelt.

Experiment

In ‘Het ware leven, een roman’ laat Pfeijffer zich na ‘Rupert, een bekentenis’ en ‘Het grote baggerboek’ opnieuw gelden als een begenadigd romancier die het experiment niet schuwt. In zijn veelgelaagde, veelstemmige boek lopen verschillende verhalen kriskras door elkaar. Die variëren van de ambitieuze hedendaagse schrijfster Eugenie van Zanten die in Napels het avontuur opzoekt en de machinaties van het Vaticaan tot het negentiende-eeuwse verhaal van een Russisch leger dat ten strijde trekt en een groepje Nederlandse kunstenaars dat zijn heil in Parijs beproeft. Al die verhaallijntjes worden uiteindelijk vernuftig aan elkaar geknoopt in een roman waarin volgens de auteur alles waar gebeurd is en alle personages echt bestaan. Ook de schrijver zelf komt voor in het boek. Hij wordt met aanstekelijke zelfspot beschreven: ‘Toch had hij op een bombastische manier wel iets schattigs. Een grote hulpeloze knuffelbohemien, die zo aandoenlijk onaangepast dacht te zijn. Maar een vrouw kon van honderd meter afstand ruiken dat hij eigenlijk gewoon een lief bangerdje was dat zich verlegen verschool achter het exuberante imago van zijn publieke rol.’

 

,,Het is logisch dat ik mezelf opvoer in een boek dat zegt dat de mensen zichzelf zien als een personage in hun eigen levensverhaal.”

 

Dat klinkt verbluffend openhartig. Pfeijffer, lachend: ,,Ach, zo denk ik niet precies over mezelf, maar ik stel me voor dat een personage als Eugenie van Zanten zo over mij zou kúnnen denken. Het is logisch dat ik mezelf opvoer in een boek dat zegt dat de mensen zichzelf zien als een personage in hun eigen levensverhaal. Daarin kan ik mezelf natuurlijk niet sparen. Al is het natuurlijk wel een onwaarschijnlijke naam voor een personage…”

Zijn vorige roman, ‘Het grote baggerboek’, over een aan lager wal geraakte, woorddronken baggeraar, wordt wel het ‘smerigste’ boek uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis genoemd. Hiermee vergeleken valt in ‘Het ware leven’ geen onvertogen woord. ,,Klopt”, zegt de schrijver met een brede grijns. ,,Dat heb ik deze keer bewust niet gedaan. De seks vindt hier plaats tussen de hoofdstukken. Ja, je kunt het boek gerust als een cadeautje aan je oma geven.”

Hoe verschillend de personages in ‘Het ware leven, een roman’ ook zijn, ze zoeken allen ‘het verhaal van hun leven’. ,,De 19de-eeuwer Ferdinand Boeb die als leider van de troepen naar de Krim trekt, wordt door zijn manschappen uitgeroepen tot held. Zijn definitie van het ware leven is helemaal niet zo heldhaftig. Hij neemt het liefst in alle rust zijn toevlucht tot zijn verloofde. Tegelijkertijd zie je dat iemand die zo’n leven wél leidt – zoals Eugenie van Zanten – niets liever wil dan avontuur. Barman Jimmy is daarnaast een voorbeeld van iemand die denkt dat alles vanzelf goed komt als hij beroemd wordt. Op hun manier proberen ze in een bijna wanhopige poging iets te maken van hun leven, er een verhaal van te maken. Tegelijkertijd worden ze allen in hoge mate gemanipuleerd.”

 

,,Geef de mens de vrijheid om zelf iets te verzinnen en hij raakt in pure paniek.”

 

Voor de personages in ‘Het ware leven’ is de tijd van ‘de grote verhalen’ aangebroken. Maar ‘het grote verhaal’ is toch achterhaald? ,,De algemeen heersende opvatting is dat sinds de val van de Muur in 1989 ideologieën uit de mode zijn geraakt. De mens heeft zich in zekere zin bevrijd van de grote verhalen. Maar ik denk, en in die opvatting sta ik niet alleen, dat de mensen de grootst mogelijke moeite hebben met dat type vrijheid. Het feit dat ze verlost zijn van de grote verhalen heeft als resultaat dat mensen juist aan niets anders een grotere behoefte hebben dan aan grote verhalen. Doordat richting gevende ideologieën niet meer bestaan, moet je alles zelf verzinnen. Maar geef de mens de vrijheid om zelf iets te verzinnen en hij raakt in pure paniek. Hij gaat dan bijvoorbeeld mensen nadoen, zoals de Elvis-imitators in mijn boek.”

Gokken

In de roman wordt als in een repeterend motief veelvuldig gevarieerd op ‘het ware leven’: ‘Het ware leven is net als gokken: vroeg of laat valt de kleur die je wenst’, staat ergens. En: ‘Het ware leven is de ideale roman omdat men het eindeloos kan herschrijven.’ En: ‘Het ware leven is een kwestie van berekening, maar tegen waanzin is geen waarheid opgewassen.’ En: ‘Het leven dat u denkt te leven buiten de kaften van dit boek, heeft hier geen enkele betekenis.’

 

,,Maar als de lezer op het eind van mijn boek niet meer zo precies weet wat ‘het ware leven’ is, heb ik mijn doel bereikt.”

 

De schrijver draait een sjekkie en zegt: ,,Als je nu de straat opgaat om mensen te vragen wat volgens hen ‘het ware leven’ is, zullen ze dat waarschijnlijk raar vinden. Natuurlijk weten ze wat het ware leven is. Dat is boodschappen doen, winkelen en daarna met de bus naar huis. Maar als de lezer op het eind van mijn boek niet meer zo precies weet wat ‘het ware leven’ is, heb ik mijn doel bereikt.”

In het café dat een belangrijke rol speelt in de roman nipt Pfeijffer beschaafd aan een espresso. Wie het proeflokaal bezoekt na lezing van de feilloze beschrijving ervan waant zichzelf even een personage in het boek: ‘Het heet Burgerzaken en is in Leiden, tegenover het stadhuis op Breestraat 123. Het interieur wordt gedomineerd door drie reproducties van muurschilderingen die Charles Rennie Mackintosh heeft ontworpen voor de Buchanan Street Tea Rooms in Glasgow, drie rijzige vrouwen zonder borsten, volgens de smaak van de art nouveau omwoekerd met seringen en bekranst met een aureool van lelies. Langs de muren lopen koperen stangen als relingen van een kalm schip op de baren van de namiddag. In de middeleeuwse kelder woont een monster dat kinderen eet.’

 

,,Dan Brown wordt bestolen van zijn tas, maar dat is niet zo erg. Er zat gelukkig alleen maar een manuscript in, verder geen waardevolle spullen.”

 

In de roman wordt overvloedig gegeten en erudiet bespiegeld. Deze hoofdstukken worden afgewisseld met thrillerachtige en hilarische, zoals die wanneer zich onder de troepen in Rusland kannibalisme voordoet en soldaten vanwege de kou buitgemaakte baljurken over hun uniform dragen. Spannend zijn de scènes over de herdenking van Leidens ontzet (3 oktober 1574) en het op drift geslagen supporterslegioen in Napels.

,,Het thrillerelement had ik nodig, net als de antieken voor het plot waarin de gordel van Hippolyta (koningin der Amazonen, red.) een rol speelt. Ik kon het ook niet laten om in mijn boek hier en daar een verwijzinkje in te lassen naar ‘De Da Vinci Code’ van Dan Brown. Die duikt zelf ook op als personage. Hij wordt bestolen van zijn tas, maar dat is niet zo erg. Er zat gelukkig alleen maar een manuscript in, verder geen waardevolle spullen.”

,,Ach, de hedendaagse literaire modes, de complottheorieën à la ‘De Da Vinci Code’ en autobiografisch getinte romans hebben allemaal erg te maken met de zoektocht naar zingeving. Het idee dat het allemaal één groot complot is, dat vinden de mensen fijn. Dan is het niet allemaal willekeurig, zit er tenminste een verhaal in. Aan verzinsels hebben mensen nu even niks.”

 

,,Alleen daarom al is het buitengewoon waarschijnlijk dat over tweeduizend jaar historici onze huidige geschiedschrijving net zo fictief vinden als wij die van twee, drieduizend jaar geleden.”

 

Professor Moretti van de Universiteit van Napels zegt in de roman dat hij ‘niet bereid (is) de moderne vorm van geschiedschrijving a priori superieur te achten aan de antieke’. ,,Daar zit natuurlijk wel een grond van waarheid in. In het boek gaat het bij voortduring over de verhouding tussen feit en fictie, tussen waar en verzonnen. Velen hebben de illusie dat geschiedschrijving zich bezighoudt met datgene wat waar gebeurd is, het reconstrueren van feiten. De antieke geschiedschrijvers die schreven over de Trojaanse Oorlog, klappende rotsen en sprekende paarden, hadden evenzeer de illusie dat ze bezig waren met de reconstructie van feiten, van iets wat waar gebeurd was. En toch geloven wij dat nu niet meer. Alleen daarom al is het buitengewoon waarschijnlijk dat over tweeduizend jaar historici onze huidige geschiedschrijving net zo fictief vinden als wij die van twee, drieduizend jaar geleden. Daarbij komt dat geschiedschrijving nooit uit is op reconstructie van feiten, dan krijg je hele hoop feiten zonder enige vorm van samenhang. De enige manier om aan geschiedschrijving te doen is er een verhaal van te maken. En daarmee verschilt geschiedschrijving niet zo heel erg veel van het schrijven van fictie.”

Oorlog

Pfeijffer strooit met gulle hand aforistische uitspraken door zijn boek. Zoals: ‘In Nederland hebben wij elke vorm van geloof al lang laten verwateren, zoals wij alles laten verwateren, tot onverschilligheid en cynisme.’ En: ‘De cinema levert helden zoals de Kerk voorheen heiligen leverde.’ Maar ook: ‘Wie elke vorm van geloof miskent, kan nimmer in zichzelf geloven.’ En: ‘Niets versterkt identiteit zozeer als oorlog. Een vijand geeft mannen een gezicht.’

,,Ik geloof dat dit laatste echt zo is ”, zegt hij terwijl hij een slok neemt van zijn La Chouffe, zijn favoriete Belgische bier. ,,Daarmee wil ik niet zeggen dat ik oorlog wenselijk vind. Maar het is een van de mogelijke antwoorden op de situatie waarin mensen zozeer bevrijd zijn van de grote verhalen en de vrijheid hebben om van hun leven te maken wat ze willen, dat ze geen flauw idee meer hebben wat ze met hun leven aanmoeten. Dan ben je eindelijk verlost van die ellendige vrijheid, is het volslagen duidelijk wat je moet doen, want er is een vijand.”

Ondanks het virtuoze literaire spel en de lichte, speelse toon is ‘Het ware leven’ een tamelijk pessimistisch boek. ,,Ja, hoewel ik dat er niet al te dik bovenop wilde leggen. Een zinnetje wordt een aantal keer herhaald: ‘Straks komt de grote oorlog.’ Dat is niet alleen een vooruitwijzing naar de veldslag op de Krim. Ik heb soms echt een beetje een 1914 gevoel. Er hoeft maar iets te gebeuren of de vlam slaat in de pan. In 1914 wist ook niemand precies meer hoe het moest. Toen die oorlog eindelijk losbarstte was dat een opluchting. Er gingen zelfs officieren in gala-uniform naar het front. Vijf jaar later was de wereld onherkenbaar veranderd.”

 

Ilja Leonard Pfeijffer: ‘Het ware leven, een roman’, 320 blz, uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam.

 

September, 2006

UA-37394075-1