Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Laatbloeier D.Hooijer: ‘Sleur kan liefde kapotmaken’

D. Hooijer (Hilversum, 1939) vond zichzelf jarenlang een flop. Dat veranderde toen de schrijfster op latere leeftijd succes kreeg met haar verhalen. Daarvan raakte ze bijna in een depressie. Inmiddels is haar derde verhalenbundel ‘Sleur is een roofdier’ verschenen.

 

D. Hooijer is een laatbloeier die zichzelf een kasplantje noemt. Dat vraagt om een nadere verklaring. De verhalen van de 68-jarige auteur zouden immers net zo goed door een jonge vrouw geschreven kunnen zijn. De levenswijsheid die eruit spreekt verraadt de hand van een vrouw die door alle wateren gewassen is. ,,Toch is het zo’’, zegt ze op het achterplaatsje van haar huis in Hilversum. ,,Ik ben een zwakke vrouw. Er is iets met mijn lymfstelsel waardoor ik vroeg naar bed ga, niet te vroeg opsta en ’s middags moet rusten.’’

Voor wie met haar in de tuin praat is dat nauwelijks in te denken.

,,Ach, ik lach! En kom vitaler over dan ik in werkelijkheid ben. Ik had na de oorlog een soort tuberculose. Niemand wist aanvankelijk wat mij mankeerde. Ik ben een kasplant’’, zegt ze niet zonder zelfspot, ,,maar dat zijn dankbare types hoor.’’

 

RUYS, ZEG MAAR KITTY’

 

De schrijfster stelt zich voor als ‘Ruys, zeg maar Kitty’. D. Hooijer is haar pseudoniem die associaties oproept met de kunstenaar Hoyer uit de verhalen ‘De uitvreter’ en ‘Titaantjes’ van Nescio. ,,Onder die naam stuurde ik jarenlang gedichten naar uitgeverijen en literaire tijdschriften.’’ Die werden onveranderlijk geretourneerd. ,,Men zei steeds: Uw werk heeft beslist kwaliteit maar is niet publicabel of past niet in ons fonds.’’ Desondanks bleef ze insturen. ,,Ja, want ik kan niets anders hè?’’ Ze lacht, met twinkelende ogen.

 

Pas in 2000 – ze was de zestig gepasseerd – begon ze serieus verhalen te schrijven. ,,Een dichter is eigenwijs. Ik wist dat ik het kon, maar ik zag erg tegen het verhalenschrijven op, het is zo’n sleepnet van woorden. Ik dacht dat je beter een roman of lange verhalen kon maken dan korte. Je schrijft vijf bladzijden, dan is het af, moet je je opnieuw inleven in je personages. Maar ik heb me vergist. Ik heb er juist enorm veel plezier in. En toen ik een verhaal opstuurde, reageerde men tot mijn verbazing heel enthousiast.’’

 

Maar ze bleef argwanend. ,,Ik heb een tijdje niet durven zeggen wie ik was. Ik dacht dat ik te oud was of te burgerlijk. Dat ik eigenlijk een slank dichteresje zou moeten zijn. Of dat gevoel nu juist was of niet, er zijn uitgevers die openlijk zeggen: Ik kijk eerst of ze representatief zijn voordat ik ga uitgeven. Vandaar dat ik me aanvankelijk niet graag vertoonde. Totdat ik daar genoeg van had, want het is mijn stijl niet. Het bleek trouwens dat men bij mijn uitgeverij Van Oorschot wars is van uiterlijk vertoon. Daar hebben ze ook meer oudere schrijvers, onder wie Voskuil.’’

 

EEN GRILLIGE EIGENZINNIGE GEEST

 

Inmiddels heeft ze drie bundels gepubliceerd met verhalen die getuigen van een grillige, eigenzinnige geest: ‘Kruik en kling’ (2001), ‘Zuidwester meningen’ (2004) en recentelijk ‘Sleur is een roofdier’. De illustraties bij sommige verhalen zijn ook van haar hand. Haar personages zijn een beetje vreemd, soms lichtelijk onaangepast. Ze slepen hun verleden als een loden bal met zich mee. Maar geldt dat niet voor iedereen?

 

,,Het leven deugt niet, dat is de ene kant. In de Griekse oudheid had je de doos van Pandora vol kwalen en rampspoed. Daar zat ook de valse hoop bij. Dat was een van allerergste dingen. Maar daardoor bleef de wereld draaien, want als je geen hoop meer hebt, houd je op met voortplanten. Aan de andere kant is het leven ook prachtig, zeker de eerste helft van je leven. Je geniet met volle teugen, je vindt alles mooi, je houdt van muziek, je kan heel blij zijn met een compliment, met nieuwe schoenen. In de tweede helft van je leven wordt dat aanzienlijk minder.’’

 

,,Neem de man in het verhaal ‘Bosgrond en peredrups’. Hij staat in het volle leven, wil seks. Als hij impotent wordt, vindt hij dat erg. Dat verandert na de confrontatie met zijn vrouw en viagra. Op den duur wil zijn lichaam niet meer. Het is op. Het leven verliest zijn waarde. Hij stapt eruit. Dat zou je dramatisch kunnen noemen. Maar zo vreemd is dat nu ook weer niet als je weet hoeveel goeroes in India zelfmoord plegen, weliswaar op een andere manier, maar ook die houden er soms ineens mee op.’’

 

Vanwaar de titel ‘Sleur is een roofdier’? ,,Ik houd van sleur omdat ik zoveel tijd voor mezelf nodig heb. Maar ik weet ook dat sleur de liefde kapot kan maken. In dat titelverhaal raken de mensen niet van elkaar af. Ze denken ten onrechte dat het als ze elkaar een tijdje niet zien daarna alles weer goed is.’’

 

EEN WERELDJE VAN CIRCUSARTIESTEN

 

Winterkwartier’ is een van haar weinige (deels) autobiografische verhalen. Het speelt halverwege de vorige eeuw in het wereldje van circusartiesten.

 

,,Dat heb ik van nabij meegemaakt. Die artiesten hadden het altijd over hun acrobatische sprongen of over seks. Ze vertelden elkaar net als in de bouw voortdurend schuine moppen. Dat weet ik nog goed omdat ik een ijzeren geheugen heb. Mijn vroegste herinnering, zo bleek uit een test, is dat ik in de box zit. Daar werd verrast op gereageerd, zeker als je weet dat mannen zich niet eens de kleuterschool kunnen herinneren. Ook van de Tweede Wereldoorlog weet ik nog veel. Toen die voorbij was, werd me gezegd dat het vrede was. Ik vroeg wat dat was, vrede. Ik dacht dat oorlog de situatie was en vrede een soort tussenpoos.’’

 

Het verhaal ‘Tweemaal tut-af’ speelt onder verpleegsters (er komen ook andere ‘zusters’ in voor, nonnen). Een van hen wordt steeds rijker doordat ze tot drie keer toe weduwe wordt van een bemiddelde patiënt. ,,Iedereen zoekt daar wat achter, dat kan niet pluis zijn. Maar het is gewoon een verpleegster in hart en nieren. Zieke mannen voelen zich nu eenmaal gezegend door een zorgende vrouw aan hun bed. Toch twijfelt ze aan zichzelf.’’

 

,,Die twee verpleegsters hebben stijl, vooral de hoofdpersoon. Daardoor is ze het mikpunt van spot. Ze vraagt zich af of ze een tut of een trut is. Een vrouw wordt maar al te gauw in die hoek gestopt. Als ze mooi is of zich te zwaar opmaakt, is ze een trut, al zouden ze tegenwoordig eerder kutwijf zeggen. En als ze te weinig van boven heeft of op te platte schoenen loopt, is ze dat ook, en niet alleen in de ogen van mannen. Ik geloof dat gebrek aan agressie een voorwaarde is. En als een vrouw wel van zich afbijt is ze een teef, een feeks. Een bitch.’’

 

D. Hooijer: ‘Sleur is een roofdier’. Uitgeverij G.A. van Oorschot, 176 blz.

 

Juli, 2007

UA-37394075-1