Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Leo Vroman had ‘liever heimwee dan Holland’

Leo Vroman (1915-2014) was een van Nederlands grootste dichters. Geen geringe prestatie voor iemand die het grootste deel van zijn leven buiten zijn (eerste) vaderland sleet en zichzelf daarom wel gekscherend ‘de dichter des buitenlands’ noemde. 

 

Vroman was tot op hoge leeftijd dartel van geest, de dichtregels vloeiden nog moeiteloos uit zijn pen. Hij was door de jaren heen ook weinig veranderd. Hij was onmiddellijk herkenbaar met zijn markante kop, met dat smalle gezicht, de kale schedel, de peinzende en alerte blik, en natuurlijk de ferme neus, waarover hij zelf vaak met lichte spot schreef. Voor Leo Vroman was poëzie een vorm van communicatie, waarin hij in gesprek was met de lezer. De dichter leerde ons dat de liefde zelfs in rode en witte bloedcellen zit, ja, in alles wat leeft.

De in 1915 in Gouda geboren Leo Vroman – dichter, schrijver, tekenaar, bloedonderzoeker – was een bijzondere figuur in de Nederlandse literatuur. Hij was een eenling onder de dichters, ook al omdat hij in New York woonde. Ver van het literaire gekonkel kon hij rustig zijn eigen gang gaan.

Vroman ontving voor zijn poëzie al in 1964 de P.C.Hooftprijs, de belangrijkste letterkundige onderscheiding van het land. Achteraf bleek dat de bekroning te zijn geweest van een groot en veelzijdig oeuvre dat toen nog grotendeels geschreven moest worden. Hij was toen al beroemd door één klassiek anti-oorlogsgedicht, ‘Vrede’, met de beroemde regels:

 

,,Kom vanavond met verhalen

hoe de oorlog is verdwenen,

en herhaal ze honderd malen:

alle malen zal ik wenen.’’

 

De dichter las dat gedicht steevast met fluisterzachte stem indringend voor, als een niet mis te verstane smeekbede aan zijn medemens, waardoor de knetterende vloek halverwege des te harder aankwam:

 

,,Liefde is een stinkend wonder

van onthoofde wulpsigheden

als ik voort moet leven zonder

vrede, godverdomme, vrede.’’

 

KRIJGSGEVANGEN

 

Leo Vroman, die Joodse ouders had, was getekend door de Tweede Wereldoorlog. Na zijn studie biologie in Utrecht deed hij in 1940 dienst als soldaat-wielrijder op de Grebbeberg. Kort na de inval van de Duitsers ontkwam hij met een zeilboot naar Engeland. Hij reisde van daaruit naar Nederlands-Indië om zijn studie af te maken. Hier werd hij krijgsgevangen gemaakt en overleefde vier kampen. ,,Soms droom ik dat ik nog in het kamp ben”, zei hij over zijn ontberingen in de jappenkampen. ,,Eigenlijk ben ik nog steeds krijgsgevangene. Het is niet de werkelijkheid van het kamp die ik dan weer beleef, maar het gevoel van niet vrij zijn.’’

Via de Indonesische kampen Tjilatjap en Tjimahi werd hij in 1943 verscheept naar het Japanse Osaka, waar hij te werk werd gesteld in de droogdokken. Hij kreeg er een zware longontsteking. Een Schotse medegevangene zorgde ervoor dat hij werd opgenomen in het hospitaal. Het was niet de enige keer dat zijn leven aan een zijden draadje hing. Zonder zijn vrienden, zei hij, had hij het kamp niet overleefd. En hij maakte veel vrienden. In het kamp was hij een rustpunt – iemand die voortdurend tekende en schreef.

Graag gezien is hij altijd gebleven. Zijn vrouw Tineke, zijn muze, steun en toeverlaat, bij wie hij twee dochters kreeg, zei: ,,Mensen praten graag met hem, hij is een plezierig mens, met gevoel voor humor. De eerste keer dat ik bij Leo op visite kwam was hij voortdurend grapjes aan het maken met z’n vader. Als hij iets zei was het op rijm of een woordspeling. Leo heeft een bijna pathologische behoefte om grapjes te maken.’’

Tineke Vroman, eveneens biologe die onder het pseudoniem Georgine Sanders gedichten publiceerde, is waarschijnlijk de meest bezongen vrouw in de Nederlandse literatuur. Zij is aanwezig in zowat een kwart van zijn gedichten.

 

ONTDEKKING

 

In 1945 werd Leo Vroman uit Japanse gevangenschap bevrijd. Hij vestigde zich met zijn vrouw in de Verenigde Staten, waar een oom hem een baantje als bloedonderzoeker in een ziekenhuis bezorgde. Hij verkreeg in 1951 de Amerikaanse nationaliteit en verrichtte als bioloog baanbrekend onderzoek in de hematologie. Wetenschappelijk aanzien verwierf hij door zijn ontdekking van bepaalde stollingsverschijnselen van het bloed die nu bekend staan als het Vromaneffect.

Hij schiep naast zijn wetenschappelijk werk een indrukwekkend (poëtisch) oeuvre van meer dan vijftig boeken, waaronder ook romans, verhalenbundels en toneelstukken. Zijn memoires verschenen onder de titel ‘Warm, rood, nat en lief’ (1994), een titel die verwijst naar het bloedonderzoek waaraan hij zich jarenlang wijdde.

Juist omdat hij zowel zijn werk als zijn dichterschap met evenveel hartstocht beoefende, vervagen in Vromans poëzie de grenzen tussen kunst en wetenschap. In zijn gedichten wisselt de knusheid van het gezinsleven (Tineke, zijn dochters, vrienden, huisdieren) zich af met koele wetenschappelijke zaken. ,,Ik ben geïnteresseerd in moleculen en knusser kan het niet,” zei hij.

 

PSALMEN

 

Opvallend is dat Vroman zijn beste en krachtigste werk na zijn tachtigste schreef, in meesterlijke en overvloedige bundels als ‘Psalmen en andere gedichten’ (1995) en ‘De roomborst van Klaas Vaak’. De uitdrukking ’Scheppen riep hij gaat van au’ kwam uit zíjn pen, maar dichten ging Vroman af zonder een centje pijn. Zijn wetenschappelijke artikelen schreef Vroman in het Engels, zijn gedichten bleef hij publiceren in zijn moedertaal. Zijn Nederlands is soms archaïsch, maar wonderlijk genoeg na meer dan een halve eeuw in Amerika tegelijk verrassend zuiver en toegankelijk. De liefde voor Nederland bleef. ,,Holland is een land om van te houden”, zei Vroman, ,,niet meer om te wonen. Ik heb toch liever heimwee dan Holland.”

Na vijftig jaar in en rond New York te hebben gewoond, verhuisden de Vromans in 1997 naar een verzorgingshuis in Fort Worth, Texas, om zich voor te bereiden op het onafwendbare einde. ,,Nu ik steeds dichter bij de dood ben”, zei hij enkele jaren geleden, ,,ben ik er steeds minder bang voor. Ik weet niet wat er is na de dood. Het enige wat ik kan zeggen is: we weten er niets van. We begrijpen van het leven nog maar een heel klein beetje en van de dood begrijpen we helemaal niets.”

 

Februari 2014

 

Een bekorte versie verscheen in de provinciale kranten die zijn aangesloten bij De Persdienst van Wegener.

 

UA-37394075-1