Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Louis Couperus in brieven – De geldduivel overheerst

In ‘De correspondentie’ zijn voor het eerst vrijwel alle brieven bijeengebracht van Louis Couperus (1863-1923), wiens honderdvijftigste geboortedag dit jaar uitbundig wordt gevierd. En hoe spaarzaam de schrijver in die brieven ook schreef over zijn leven, ze geven wel een goed beeld van zijn dagelijkse sores.

 

De oogstrelende tweedelige cassette met Couperus’ correspondentie (veertienhonderd brieven), bezorgd door Couperus-kenner H.T.M. van Vliet, bevat alle ‘overgeleverde’ brieven van de schrijver, want lang niet alles is bewaard. Bovendien hechtte de schrijver zelf niet zoveel aan de briefjes, kattenbelletjes en schrijfsels die hij dagelijks schreef aan uiteenlopende mensen.

 

‘VERGEEF MIJ’

Herhaaldelijk verontschuldigde hij zich in zijn brieven, zoals in deze uit 1915 (in aangepaste spelling): ‘Vergeef mij, die een zeer slechte ‘briefjesschrijver’ ben, dat ik U nog niet antwoordde op Uw vriendelijk schrijven.’

Voor Couperus was schrijven als ademen en de causeur, flaneur, amuseur en poseur die hij was, schreef veel, heel veel: uiteenlopende romans, sprookjes, essays, reisverhalen, krantenartikelen, feuilletons. Maar de schrijver van de roman ‘Eline Vere’ (‘Eline Vere en ik – wij waren een’) was geen bevlogen briefschrijver zoals de door hem bewonderde Gustave Flaubert (‘Madame Bovary, c’est moi’) die zijn stilistische brille juist in zijn brieven de vrije teugels liet. Couperus deed dat al in zijn werk. In zijn brieven aan uitgevers, familie, vrienden, collega’s, critici, vertalers en bewonderaars hield hij zich meestal op de vlakte, gaf hij niet al teveel van zichzelf prijs.

 

‘Eline is in mijn leven veel geweest en dikwijls ben ik haarzelf geweest en waren wij een.’

 

Ook op de inhoud van zijn werk gaat hij in de brieven zelden dieper in. Incidenteel is hij onverbloemd en openhartig en vallen er uit de plooien onverhoedse pareltjes van briefschrijfkunst. Zo laat hij zich in 1890, in een brief aan schrijver en criticus Lodewijk van Deyssel, ontvallen hoe dierbaar zijn romandebuut ‘Eline Vere’ hem was. En vooral hoe hij zich met zijn hoofdpersoon had vereenzelvigd: ‘Want Eline is in mijn leven veel geweest en dikwijls ben ik haarzelf geweest en waren wij een.’

 

Jaren later bekent hij in een vileine brief aan zijn jeugdvriend en publicist Frans Netscher dat hij ‘Eline Vere’ in ‘een onartistieke bui’ geschreven had, ‘in een wanhoop over mijn poëzie, die ik voelde sombreren en toch zo liefhad, in een bui van het kan-me-niet-bommen om eens een lange roman te schrijven – lang à la Tolstoi – voor het grote publiek, en die de jonge meisjes, waarmee ik flirtte, aardig zouden vinden! Dat is de geschiedenis van Eline Vere.’

 

AMBTENAREN, SUIKER- EN KOFFIEPLANTERS ETC.!

In dezelfde brief geeft hij in één adem af op de Nederlandse literaire kritiek, die ‘troep anonymi zonder de minste geest des onderscheids’. In zijn brieven uit zijn Indië-jaren lezen we evenmin veel over zijn ervaringen in Nederlands-Indië, op terloopse zinnetjes na, zoals deze uit 1899: ‘Trouwens, in Indië klaagt iedereen: ambtenaren, suiker- en koffieplanters etc!’

 

‘Ik heb er meer dan genoeg van, van die eeuwige klachten, dat ik niet verkocht word, en mijn besluit staat vast.’

 

Soms kan hij als een verwend kind klagen, zoals in 1904, nadat zijn uitgever L.J. Veen hem over de teleurstellende verkoop van zijn boeken had bericht. ‘Je brief is niet zeer opwekkend’, moppert Couperus dan. ‘Ik heb er ook genoeg van en schei er mee uit. Daar ik geen lust heb mijzelf en jou te ruïneren door boeken, die niet verkocht worden, heb ik de eer je vaarwel te zeggen. Beleef nog plezier, zo mogelijk, van Oude Mensen, en laat het daarmee gedaan zijn. Ik schrijf, of liever geef voortaan geen letter meer uit in het Hollands. Ik schrijf in het Hollands, maar laat me dadelijk vertalen in het Frans, en ga eens mijn succes in het Frans proberen. Mijn Hollandse manuscripten leg ik verzegeld weg. Na mijn dood kunnen ze ermee doen wat ze willen, meebegraven misschien. Maar ik heb er meer dan genoeg van, van die eeuwige klachten, dat ik niet verkocht word, en mijn besluit staat vast.’ Om er verder geen woord meer over vuil te maken.

 

‘De wereld is zo afschuwelijk als zij nooit nog was en onze oude, oude taal mist de woorden deze nieuwe afschuw te zeggen.’

 

Vanwege de Eerste Wereldoorlog keerde het echtpaar Couperus, dat jarenlang in het buitenland verbleef (vooral Frankrijk en Italië), terug naar Nederland, waar de schrijver intussen tot een publieke figuur was uitgegroeid. Op 10 november 1914 schreef hij aan zijn vriend en Vlaamse collega-schrijver Cyriel Buysse dat de toestand hem zeer aangreep: ‘Wij denken vaak en veel aan arm België, aan al de ellende, die ook jij, beste vriend, om je vaderland, om je huis, dat wij zo vreedzaam gekend hebben, moet lijden. De wereld is zo afschuwelijk als zij nooit nog was en onze oude, oude taal mist de woorden deze nieuwe afschuw te zeggen.’

KOSMOPOLIET

Even maakte de schrijver een verslagen indruk. De oorlog zorgde ervoor dat de kosmopoliet Couperus zich weer Nederlander voelde. Hij somberde: ‘Toch voel ik vreselijk deze dagen, dat ik geen Italiaan, geen Duitser, geen kosmopoliet, maar eenvoudig Hollander ben.’ Maar ook de oorlog sijpelt weer weg uit de brieven. De gevierde schrijver is (te) druk met zijn eigen sores en reist voor lezingen het hele land door.

 

Couperus had een gat in zijn hand en dat gaf hij grif toe.

 

Heel veel – en vaak pijnlijke – brieven gaan over geldzaken. Maar de bewering dat Couperus daaruit tevoorschijn komt als een geldwolf, behoeft enige nuance. Couperus was van huis uit een man van stand die een zekere levensstandaard gewend was en die hij koste wat koste wilde handhaven. Couperus had zo zijn onhebbelijke en onaangename kanten. Hij had een gat in zijn hand, iets wat hij zelf grif toegaf. Het was zijn vrouw (en vertaalster) Elisabeth Couperus-Baud (1867-1960), die de financiële huishouding bestierde, zoals ze in alles meer als een moeder dan echtgenote over haar man waakte, als een kloek over haar jong.

 

Couperus’ uitgever L.J. Veen was een genereuze man, maar ook een pragmaticus.

 

Maar Couperus had ook een ‘winkeltje’, hij was een broodschrijver die veel op reis was en een karig gevulde huishoudpot niet kon verdragen. ‘De geldduivel overheerst dikwijls in ’s mensen hart’, schreef hij in 1902 aan zijn uitgever Lambertus Jacobus Veen, met wie hij ruim een kwart eeuw correspondeerde – terwijl ze elkaar maar een paar keren hebben ontmoet. Hun briefwisseling is sec, zakelijk, zonder enige franje. Veen kon weliswaar niet altijd aan de wensen van zijn belangrijkste auteur voldoen, maar hij kwam hem als het even kon tegemoet en hield hem, als de nood aan de man kwam, de hand boven het hoofd. Veen was een genereuze man maar ook een pragmaticus. Nadat Veen de hand meer op de knip hield en de verhoudingen bekoelden, zocht Couperus zijn heil bij Nijgh & Van Ditmar, in het interbellum de belangrijkste uitgeverij van het land. Dat Couperus naar verluidt niets van zich liet horen toen Veen in 1919 stierf, pleit niet voor hem.

GRASDUINEN

Het literair-historische belang van het door H.T.M. van Vliet met grote vlijt en zorg samengestelde en geannoteerde brievenboek zit ‘m vooral in de manier waarop aan de hand van de brieven de levensloop, de reizen en het schrijverschap van een van ’s lands grootste auteurs ooit stap voor stap te volgen is. Daarnaast is het heerlijk grasduinen in dit boek, niet alleen voor Couperus-bewonderaars. De hele correspondentie geeft niet zozeer een ander beeld van de schrijver, ze maakt het beeld wel completer.

 

Louis Couperus: ‘De correspondentie’, uitgeverij Athenaeum. Bezorgd door H.T.M. van Vliet. Gebonden, 1400 bladzijden. € 59,95. e-book € 29,99.

 

Juni, 2013

 

Een bekorte versie verscheen in kranten van De Persdienst.

UA-37394075-1