Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Louis Paul Boon, de ontgoochelde ‘viezentist’

Tijdens zijn leven stond de Vlaamse ‘volksschrijver’ Louis Paul Boon (1912-1979) in Aalst bij het volk vooral te boek als een nihilist en ‘viezentist’.

 

Meneer Boon, ook wel kortweg Boontje genoemd, had misschien grote boeken geschreven als ‘De Kapellekensbaan’, ‘Mijn kleine oorlog’ en ‘Pieter Daens’, maar hij was in zijn geboorteplaats Aalst, die in het werk van de grote zoon welhaast mythische trekjes heeft, toch vooral de man van die ‘vieze boekjes’ als ‘Mieke Maaike’s obscene jeugd’, waarbij Boon ongetwijfeld te rade was gegaan bij markies de Sade. Voor Boon was seksualiteit de drijfveer van zo’n beetje alles.

 

In 1999, twintig jaar na zijn dood, is het Oost©Vlaamse industriestadje Aalst opnieuw van Boon vergeven. Nu niet om kwaad over hem te spreken, maar om hem uitbundig te herdenken. Hij is populairder dan ooit, de schrijver die bij leven en lang nog daarna werd beschimpt en verguisd, miskend en vooral op veel onbegrip stuitte.

 

HET LEVEN VAN ALLEDAG VAN DE KLEINE MAN

De schrijver die altijd schreef (meer dan 30.000 bladzijden, zo is berekend), zelfs onder de meest beroerde omstandigheden, beschreef en becommentarieerde de sociale geschiedenis van zijn stad en de ingrijpende veranderingen in het naoorlogse Belgie in romans als ‘Menuet’, ‘Zomer te Ter-Muren’, ‘De bende van Jan de Lichte’ en natuurlijk in zijn Boontjes, de columns, cursiefjes vol kleine historietjes en het leven van alledag van de kleine man, die hij ruim zestien jaar lang schreef in het Gentse socialistische dagblad Vooruit.

 

DE TEDERE ANARCHIST

Boon was de geëngageerde schrijver en dichter, hij was de ‘tedere anarchist’, zoals Hubert Lampo hem noemde, de collega-schrijver die, hoe anders geaard ook, Boons boeken altijd door dik en dun heeft verdedigd. Boon werkte op zijn vijftiende al bij zijn vader, een rijtuigschilder. In de jaren dertig werkte hij in de

vrieskelders van een brouwerij (waarin hij later de roman ‘Menuet’ zou situeren). Aan het front werd hij op 10 mei 1940 door de Duitsers gevangen genomen en naar Duitsland gedeporteerd.

 

Hij kwam als een ‘gebroken man’ uit de oorlog. Hij was geen onverdienstelijk maar geen bijzondere schilder, waarmee hij zijn artistieke carrière was begonnen. Maar omdat hij met schilderen geen rooie cent verdiende, zag hij zich gedwongen het als schrijver te proberen. Als schilder gaf hij trouwens nooit de hoop op:

 

Eenmaal moet ik toch de plaats terugvinden waar ik als schilder ontspoorde en schrijver werd.’

 

Boon werd journalist, schreef voor het communistische partijblad De Roode Vaan, maar de sfeer van de bekrompen partijstructuur benauwde hem. Het strookte niet met zijn idealen en ideeën over een betere naoorlogse samenleving Vlaanderen. ‘Het ergste was,’ zegt zijn alter ego en journalist Johan Janssens in ‘De Kapellekensbaan’, ‘dat ik tot de ontstellende ontdekking kwam geen marxist te zijn gelijk de anderen, doch integendeel een anarchist, een nihilist, een viezentist.’

 

BOON WILDE MENSEN ‘EEN GEWETEN SCHOPPEN’

Boon wilde de mensen – het is een van zijn bekendste ‘uitspraken’, afkomstig uit ‘Mijn kleine oorlog’ – ‘een geweten schoppen’. Niet aan de hand van politieke revolutionairen maar langs de weg van ‘bevrijde moderne kunst’. Hij debuteerde met de roman ‘De voorstad groeit’, waarna hij begon te schrijven alsof de duvel hem op de hielen zat. Zijn grote roman, zijn magnus opus ‘De Kapellekensbaan’ uit 1949, waarin het futiele, het triviale en alledaagse is vervlochten met de grote ambitie, was zijn eerste meesterproef.

Boon was tegelijk ook een experimentele pseudo-volksschrijver die het ‘leven’ en de literatuur met elkaar probeerde te verzoenen. Hij koos daarbij voor een vorm en stijl die nogal afweken van wat in die dagen gebruikelijk was in de Vlaamse én Nederlandse literatuur. Aan mooischrijverij had hij lak. Zijn proza is een stortvloed van woorden en beelden, die soms doet denken aan de omstreden Franse grootmeester Céline.

 

HET KLEINE VOLK VLOEKTE EN WAS MISKONTENT

Boon schreef boeken ‘waarin het arme kleine volk aan bod kwam dat vloekte en miskontent was’, en ‘waarin over kak en pis en miserie werd geschreven’. Succes bleef de eerste jaren echter uit, al zijn boeken werden verramsjt. Zijn bijnaam ‘viezentist’ had niet alléén met zijn (scabreuze) boeken te maken.

 

PIKANTE PLAATJES IN FENOMENALE FEMINATHEEK

Boon, die in de hoogtijdagen van zijn roem graag poseerde als een ‘viezentist’, was ook een verwoed verzamelaar van pikante plaatjes – liefst van blote meisjes van omstreeks zestien jaar – die hij op papier plakte en in mappen rangschikte. De collectie erotica dijde uiteindelijk uit tot de door Boon gedoopte Fenomenale Feminatheek: een honderdvierenveertig hoofdstukken tellende verzameling van ruim 24.000 gerubriceerde foto’s van schaars geklede schonen.

 

 

In 1979, op de ochtend van de 10de mei, lag de toen nog vooral bij de noorderburen (Nederland) geprezen en in eigen land (België) omstreden schrijver ‘achter zijn schrijftafel te sterven, met zijn linkerzij op de koude vloertegels, zijn rechterbeen rustend op de poten van zijn gekantelde stoel en zijn gezicht licht paars aangelopen van ademnood. Zo trof zijn vrouw hem aan’, schrijft Kris Humbeeck in ‘Onder de giftige rook van Chipka – Louis Paul Boon en de fabrieksstad Aalst’, een prachtig geïllustreerde monografie. Humbeeck is de biograaf van ‘Vlaanderens meest levende dode schrijver’.

 

HET SOCIALE GEWETEN VAN VLAANDEREN’

Nog geen drie uur nadat zijn vrouw Jeanneke hem had aangetroffen – hij was overleden aan een hartaanval – was de dood van de bekende schrijver op de radio. Nog eens vijf dagen later werd hij ter aarde besteld. De lange rouwstoet trok, begeleid door jazzdeuntjes uit geluidsboxen, door de stad. Aalst was zich zelf die dag niet. Geen Aalster waagde het om in het uur van het afscheid ‘voil lewieken’ te prevelen. Wolken van gewijde plechtigheid hingen boven de stad die in zichzelf verzonken behalve van een ‘onbetwist’ groot schrijver afscheid nam van het ‘sociale geweten van Vlaanderen’.

 

Even wilde men in Aalst en wijde omstreken geen kwaad woord meer horen over Boon. Een groot schrijver was hij immers, een Vlaamse reus, een sociaal mens, het hart op de juiste plaats, en zo verder. Aalst, onderwerp van veel uitgesponnen jeugdherinnering van Boon (zoals beschreven in ‘Verscheurd jeugdportret’), was trots op hem.

 

 

EEN WANHOPIG EENZAME MAN

Toch zou de ‘rust’ niet lang daarna weer verstoord worden. Dat gebeurde toen de roman ‘Eros en de eenzame man’ verscheen, die Boon vlak voor zijn dood had voltooid en waarin min of meer alle thema’s uit Boons werk samenkomen. Dit ‘Boonste’ boek, door de Gazet van Vlaanderen destijds bij het afval gezet als ‘mensonwaardige bladvulling’, is de smartelijke biecht van een door zijn driften opgejaagde wanhopige en eenzame man (en schilder), die hunkert naar meisjes van vijftien wier ongenaakbare schoonheid hem doet duizelen van begeerte en ook aanrander van die meisjes is.

De ondertitel, ‘een droefgeestig en schandelijk pornoverhaal’ is veelzeggend, met het boek deed Boon postuum zijn kwalijke bijnaam alle eer aan. Boon had in het voorwoord van zijn boek, dat ook bij de geoefende lezer een onbehaaglijke kriebel veroorzaakt, al gewaarschuwd. Vooral lezers met lange tenen, die met preutsheid zijn gezegend en zondige dagdromen verketteren, zijn gewaarschuwd. Boon smeekte bij voorbaat ‘vergiffenis’ af:

 

‘Wij zijn goed voor de dieren, laat ons ook goed zijn voor hen die leven als beesten.’

 

Boon voert een vieze man op die begrip probeert te wekken voor zijn blinde mannelijke begeerte waarvan hij weet dat het niet door de beugel kan, maar die het toch niet kan laten, alsof het buiten hem om gebeurt. En dat doet hij zo oprecht, daarbij geeft hij zo’n inkijkje in de mannelijke geest en diens blinde obsessies, dat je beseft hoe verslavend en gevaarlijk de macht van Eros is op deze dodelijk eenzame man die niet in staat is tot ‘normaal’ menselijk contact.

 

In de jaren tachtig lag het boek in Vlaanderen gevoelig, dat zal nu niet anders zijn, gezien de schokkende affaires met kinderen. Na die publicatie trad een lange stilte in, alsof Aalst zijn beroemde zoon liefst wilde vergeten, in elk geval niet wilde onthouden. Want veel sporen van Boons leven en arbeidersverleden waren gewist of zijn nauwelijks meer na te trekken.

 

ONTGOOCHELD EN GEKWELD

Boon zelf was een ontgoocheld en gekweld man, wanhopig maar niet geheel zonder hoop. Wijlen de schrijver Alfred Kossmann zocht de kleine grote Vlaming in de jaren zeventig eens op voor een tv-documentaire, in Erembodegem. Aan de bosrijke rand van de vuilgrauwe fabrieksstad Aalst bewoonde Boon in de laatste jaren van zijn leven een eigenhandig gebouwde bungalow met een grote tuin. Kossmann schreef een mooie karakteristiek van Boon:

 

In een grote kamer zat hij aan zijn bureau, omringd door boeken, een bescheiden man, zacht, somber, met humoristische uitspraken die zijn ogen waarlijk deden twinkelen.’

 

De laatste jaren van zijn leven ging Boon gebukt onder een wankele gezondheid. Dankzij medicatie en de therapie van een arts uit Knokke hield hij zich op de been, ofschoon na zijn dood allerlei wilde geruchten werden verspreid over ondeugdelijke medicijnen die hem zouden zijn voorgeschreven. Ondanks zijn slechte gezondheid en belabberde geestelijke toestand bleef Boon tot op het laatst scherp.

 

In zijn dagboek noteerde hij op 24 februari 1978:

 

‘Ik weet nu, de vergankelijkheid van alles en waar juist dat mijn wanhoop was heb ik het gevoel me eindelijk erbij neergelegd te hebben. Ik ben ene beroemd oud mannetje. Meneerke Bointje leeft nog en zal straks, door iedereen gegroet, in zijn tuin rondwandelen. Het is bespottelijk, het is afschuwelijk. Maar dit is de rol die ik nu spelen moet.’

 

In 1999, twintig jaar na zijn dood, werd Boon in zijn land, in zijn stad, herdacht op een wijze die de schrijver zelf vermoedelijk ook versteld had doen staan. De schepen van cultuur van Aalst noemde hem zelfs ‘een te groot schrijver voor een te kleine stad’. Zijn stad had hem dus, eindelijk, in het hart gesloten.

 

VISIONAIR BEELD VAN ONZE WANKELE WERELD

Niet minder opvallend is dat Boons eens zo heftig gehekelde nihilistische cultuurkritiek, die hem bij leven zoveel weerstand en weerzin opleverde, allerminst aan actualiteit heeft ingeboet. Integendeel. Boon schopt de lezer nog steeds een geweten. Zijn beste werk grijpt je nog steeds bij de keel. Zijn biograaf

Humbeeck wijst er dan ook op dat de tijd rijp is om Boon, zijn werk en zijn gedachtegoed, te herdenken en vooral te lezen omdat hij in zijn boeken als ‘De Kapellekensbaan’, ‘De paradijsvogel’ en ‘Mijn kleine oorlog’ een vlijmscherp en welhaast visionair beeld schildert van de wankele wereld waarin we nu leven:

 

‘De desintegratie van de burgerlijke samenleving, het kwaadaardig woekerende cynisme en de crisis van overgeërfde waarden, de technologische hybris en de als modern fatum ontmaskerde idee van eeuwige vooruitgang, de neergang van het socialisme… wie zou durven ontkennen dat Louis Paul Boon een schrijver van en voor deze ontwrichte tijd is?’

 

Kris Humbeeck: ‘Onder de giftige rook van Chipka – Louis Paul Boon en de fabrieksstad Aalst’, 312 pag., geïllustreerd, uitgeverij Ludion/Querido.

 

1999

UA-37394075-1