Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Lucebert 1924-1994 Letters sneeuwen uit het gewonde boek

De ‘definitieve’ uitgave van de verzamelde gedichten (2002) van Lucebert is een monument voor de Bergense dichter en graficus. Een boek van liefst 912 pagina’s, met alle veertien bundels in één band, zesentwintig niet eerder gepubliceerde, nagelaten gedichten, en vijfenzestig niet eerder gepubliceerde tekeningen.

 

‘In het grote nest is er altijd wel geweld/ god die als goed gold bladert/ als een waanzinnige in zijn eigen boek/ en telt en telt de verminkten/ de oogst beschouwt men als verloren’. Nee, Lucebert zag het somber in, zoals blijkt uit ‘stand van zaken’. Zijn gedichten en beeldend werk zijn doortrokken van het menselijk tekort en het menselijk onvermogen. Ook al was hij zelf ongeneeslijk aan het leven verslaafd, want hij had nog ‘ontzettend veel willen zeggen’, zoals zijn weduwe zei.

 

Kunst was voor de dichter van regels als ‘Het lied/ heeft het eeuwige leven’ het ‘enige redmiddel, want voor de rest is de mens een secreet. Tegenover de vele mensen die bereid zijn om te vernietigen, kan de kunstenaar zijn vermogen stellen om te ontroeren.’

 

Voor Lucebert was dichten en schilderen de enige manier om te overleven. Lucebert, de Keizer der Vijftigers, de rebelse geest en flamboyante kunstenaar, was dan ook altíjd gedreven en bezeten aan het werk in zijn atelier in Bergen, waar hij sinds 1953 woonde, en dat nog in precies dezelfde staat verkeert als acht jaar geleden. Alsof de kunstenaar er elk moment kan binnenlopen om meteen weer aan de slag te gaan. ‘Als ik geen dichter was zou ik/ uit honderden woordwonden bloeden/ niets zou mij helpen geen gevleugeld/ geen hemels woord zou het bloeden stelpen’, schreef Lucebert in ‘dichter’. Het vers kan gelden als motto van zijn gehele oeuvre. Zijn familie liet het niet voor niets boven zijn rouwadvertentie in de krant zetten.

Lucebert stierf op 10 mei 1994 in een ziekenhuis te Alkmaar, nadat enkele jaren eerder bij hem de ziekte van Hodgkin, lymfklierkanker, was geconstateerd. Hij ligt begraven in Bergen. Maar dankzij de Dode Dichters Almanak, het enige programma (van nauwelijks vier minuten per week) over poëzie op de Nederlandse televisie, keert hij nog geregeld naar ons terug. In de marathonuitzending van de Dode Dichters Almanak , jaargang 2002, las hij ‘Het is de aarde die drijft’ voor, een opname uit 1983. Het was een kleine belevenis, want er is geen dichter die zo betoverend mooi kon voordragen als Lucebert. Fluisterend. Bezwerend. Hij bezat misschien wel de muzikaalste stem van de Nederlandse dichters. Ook nu weer liet hij de woorden zingen en dansen, en zinnen die op papier raadselachtig en duister zijn, wekte hij met zijn voordracht als bij toverslag tot leven.

 

Lubertus Jacobus (Bert of Bertus) Swaanswijk, zoals zijn familienaam luidt, werd in 1924 in Amsterdam geboren, in de Jordaan, waar zijn vader huisschilder was. Hij weigerde militaire dienst in Nederlands-Indië en belandde in de gevangenis. Het inspireerde hem tot wat een van zijn beroemdste gedichten zou worden: ‘Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia’. Hij vormde nadien met onder anderen Gerrit Kouwenaar en Remco Campert de Vijftigers, de dichtersbent die in de naoorlogse jaren een frisse wind door de verstarde naoorlogse Nederlandse poëzie blies. Hij werd de keizer van de club, en baarde van dit groepje experimentelen niet alleen het meeste opzien met zijn vernieuwende poëzie, die evenzeer werd bewonderd als verguisd, maar ook door zijn excentrieke optredens. Ver voor Wim T.Schippers een glas water in zee gooide en dit kunst noemde, goot Lucebert – in 1951 – een glas water boven zijn hoofd uit terwijl hij het gedicht ‘herfst’ voordroeg.

 

De jonge dichter las vervolgens schuttingwoorden voor uit een rood zakwoordenboekje en ontstak koudvuursterretjes. Vandaag de dag zou het verwende publiek er verveeld zijn schouders over ophalen, maar indertijd verliet het brave poëzieminnend volkje gechoqueerd de zaal. Sommige kranten schreven schande van deze ’obsceniteiten’.

 

De Keizer der Vijftigers publiceerde vanaf het vijftig jaar geleden verschenen ‘Apocrief/De analphabetische naam’ in rap tempo een hele reeks dichtbundels, met als hoogtepunt ‘Val voor de vliegengod (1959). Tot hij 1965 droogviel en in een depressie verzonk. Lucebert, die veel van zijn gedichten vergezeld liet gaan van illustraties, legde zich vooral toe op zijn beeldend werk, met een onuitputtelijke productie als gevolg. Dat werk – tekeningen, aquarellen, etsen, gouaches en olieverven – onderscheidt zich door een overdadig palet van tinten, zwart-wit en grijs, kleurrijk en beeldend, waarop figuren die vooral wanhoop en ontreddering uitdrukken. Nee, niet alleen in zijn poëzie wist Lucebert de nietigheid van de ontredderde en redderende mens raak te treffen.

 

Vanaf de jaren tachtig begon Luceberts dichtader weer rijkelijk te vloeien, van ‘Oogsten in de dwaaltuin’ tot (het postuum verschenen) ‘Van de maltentige losbol’. Krachtiger dan ooit tevoren. De taal was directer en verstaanbaarder geworden, minder metaforisch misschien, maar niet minder groots en meeslepend, en soms even raadselachtig en nóg pessimistischer getoonzet dan ooit. En dat alles in bundels met veelzeggende titels als ‘Troost de hysterische robot’ en ‘Van de roerloze woelgeest’.

 

De poëzie van Lucebert – luce betekent licht in het Latijn, bert is licht in het oud-Germaans – heeft altijd de naam gehad moeilijk en ontoegankelijk te zijn. Hij schreef inderdaad niet de gemakkelijkste of direct aansprekende poëzie, al dacht hij daar zelfs soms anders over. ‘Poëzie is kinderspel’, heet een van zijn gedichten dan ook licht provocerend. Maar moeilijk? Sommige gedichten hoef je helemaal niet te begrijpen om ze toch mooi te vinden. Maar zelfs het meest raadselachtige gedicht van Lucebert biedt wel een houvast, een strohalm, een sterk beeld of heldere slogan, een fascinerende constructie, die de sleutel tot het gedicht is en verleidt tot verder lezen.

Prachtige, raadselachtige regels schreef Lucebert, zoals: ‘de oude meepse barg ligt nimmermeer in drab’. En: ‘over het krakende ei/ dwaalt een hemelse bode / op zoek naar zijn antipode / en dat zijt gij’. Lang kun je op deze regels broeden, hardop lezen, proeven, je kunt er van alles in zien, van metafysische metaforen tot verwijzingen naar de dichter J.A. Dèr Mouw en diens hang naar het brahmanisme. Maar je kunt er ook niets in zien, gewoon mooie regels die lekker bekken. Als een raptekst, want Lucebert kun je gerust beschouwen als een rapper avant-la-lettre: ‘dan wordt het tijd je lekker uit te rekken/ vet af te spekken met slaapstrekkebekken’.

 

Er is geen naoorlogse dichter die onze taal zozeer heeft verrijkt als Lucebert. Hij is de schepper van dichtregels die zich in een (collectief) geheugen hebben gegrift, zoals ‘een broodkruimel te zijn op de rok van het universum’, ‘overal zanikt bagger’, ‘onder het boze bed van de boeren knielen de dieren’, ‘alles van waarde is weerloos’, ‘een goed woord vindt steeds een goede plaats’, ‘ik ben geen lieflijke dichter/ ik ben de schielijke oplichter’. Hij is de maker van klassieke gedichten als het beroemde ‘Visser van ma yuan’: ‘golven worden hoge wolken/ wolken worden hoge golven/ maar intussen rust de visser’. En van ‘het einde’, waarvan de eerste strofe luidt: ‘oud de tijd en vele vogels sneeuwen/ in de leegte in de verte/ wordt men moe en de stemmen/ staan stijf om zelfs de zuiverste lippen’. Deze poëzie is rijk aan metaforen, paradoxen en neologismen, er spreekt een grote belezenheid uit. Zij fluistert en ritselt, schreeuwt en schalt. Er gaan grote raadsels en gruwelijke geheimen achter schuil, die soms even oplichten, zodat je een moment zicht krijgt op wat anders verborgen zou blijven, en dan weer worden toegedekt.

 

Lucebert schuwde in zowel zijn poëzie als zijn beeldend werk ook het engagement niet. In in de nagelaten gedichten zijn daar eveneens krasse staaltjes van terug te vinden. Een ervan is opgedragen aan Salman Rushdie, de geplaagde Brits-Indiase schrijver die vanwege de door wijlen de Iraanse geestelijk leider Khomeiny uitgevaardigde fatwa jarenlang moest onderduiken: ‘voor salman rushdie// in de schaduw van de grote Idee of grote God/ staan kleine maar venijnige fanaten/ die het ringeloren niet kunnen laten// oh Vrijheid hun haat moeten wij uit Uw naam haten/ zo dat zij de Geest geven aan wie die toebehoort/ aan allen die Waarheid vinden door het vrije Woord.’

 

In het gedicht ‘woede’ proef je de mengeling van wanhoop, razernij en radeloosheid van de dichter in het besef van het naderende einde. Toch blijft er ruimte voor lichtheid, voor speelse ironie:

 

woede

 

vanochtend heb ik het rambam gekregen

 

uit de spiegel viel het met irriterend gegiechel

 

op mijn gezicht rambam en meteen was er uitslag

 

ik werd een meisje knijpend voor de spiegel

 

 

 

– oud mal gaat boven al – stampvoetend dus

 

rambam rambam florentijnse nachtenlang

 

flamencolang voor de gebroken spiegel

 

waarin ik niets meer zie geen meid geen man

 

alleen wat crème als aura op mijn kalende pruik’

 

De ik in het gedicht durft nauwelijks nog in de spiegel te kijken. Zodra hij wordt geconfronteerd met zijn spiegelbeeld wordt hij als door een vuistslag getroffen: rambam! Er is de even herkenbare als rake observatie van een vertwijfeld pubermeisje dat in de spiegel puistjes uitknijpt. De ik kruipt even in haar huid, hij weet wat ze moet voelen, maar de man die zichzelf in de spiegel ziet veranderen, kijkt tegelijk in het gezicht van de dood. Van enige jeugdigheid of van de ooit zo energieke en vitale man die hij ooit was, is geen glimp meer over (‘zie geen meid geen man’). Er rest alleen ontluistering, de aftakeling van de zieke, van de ouder wordende mens (‘op mijn kalende pruik’), die er slechts met wat cosmetische kunstgrepen nog enigszins toonbaar weet uit te zien.

 

De nagelaten gedichten zijn niet alle even sterk. Maar een aantal bezit dezelfde overrompelende kracht als de verzen in ‘van de maltentige losbol’. Zoals ‘vrede’ (‘letters sneeuwen uit het gewonde boek’) en ‘zielsverhuizing’. Ze kunnen wedijveren met het beste van wat hij ooit schreef. ‘Zielsverhuizing’ was Luceberts zwanenzang. Hij voltooide het vlak voor zijn dood. Het lijkt alsof de dichter in dit vers al zijn thema’s en obsessies – de mengeling van het aardse en het verhevene, de dood, de (wan)hoop en de ontluistering van de sterfelijke mens – nog één keer wilde samenballen:

zielsverhuizing

 

stram strompelt bij van knooppunt naar knooppunt

 

de eens zo bekoorlijke zondenbok

 

je mag hem aanlachen als je kunt

 

hij grijnst maar trekt het zich niet aan

 

aangebrand niet maar afgebrand een flauwte

 

dat gaat weer over hij zal wel weer opstaan

 

plooiend zijn broek zijn rok het ouwe rund

 

 

 

dra staat hij lang en breed tussen de pilaren

 

door schaduwen bestormd het marmer van zijn kaken

 

de zweep spelemeiend met de laars

 

aldoordringend de blik gericht op de dreigende maan

 

 

 

langzaam daalt hij af men juicht

 

pondereus buiten alle proportie daalt hij af

 

en plaatst zich naast de labbekak de losplaats

 

onveranderd niet met verlossing als poetslap’

 

 

 

vrede

 

 

 

na de grote slag eten we gehakt

 

gekscherende de schedel afgezet en in de jonge schoten

 

gezet gelijk de geest met de broek open

 

en we stromen vol bier dat schuimt op de lippen

 

denken er niet aan een brief te schrijven naar moeder

 

naar heeroom naar de kardinaal generaal geen kettingbrief

 

op kringlooppapier waarin woorden ons doodsteken

 

in de rug ons ombrengen met bananen en badkuipen

 

waaruit kathedralen kruipen en we trappen die uit

 

de wereldbrand heeft lang genoeg geduurd verzengd

 

de meterslang dikke wenkbrauwen van de gebedsgenezers

 

die we om zeep brachten in de stad van de zwarte pest

 

rivieren moederbruin de rotsen kardinaalpaars

 

zo alle letters sneeuwen uit het gewonde boek het witboek

 

van de slachtveldenarchitekt waarin alles aangekruisd

 

wat niet meer bestaat het gehijg het kapotte vlees

 

het bestraalde oog de pornograaf van de booby-trap

 

een boek opgeblazen en vervangen door geschut van roezemoes

 

deze eeuw vol wetenschap zonder geweten

 

het kanon van bombarie cancan van castraten

 

Lucebert: ‘Verzamelde gedichten’, gedichten en tekeningen, De Bezige Bij.

 

2002

 

 

UA-37394075-1