Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

M. Vasalis: Het werd, het was, het is gedaan

Het was misschien wel dé literaire sensatie van het voorjaar van 2002: de ‘nieuwe’ dichtbundel van M. Vasalis (1909-1998), postuum verschenen in een voor poëzie ongekend hoge oplage van bijna 10.000. Sensationeel was de verschijning ervan zeker omdat tot voor kort vrijwel niemand wist of verwacht had dat de dichteres van drie klassieke bundels ooit nog eens met ‘nieuw’ werk zou komen.

Sensationeel blijkt de poëzie zelf uiteindelijk niet. Dat is voor de liefhebber van Vasalis, die lange tijd een van ’s lands geliefdste dichters was, misschien lichtelijk teleurstellend. Maar tussen de drieënvijftig gedichten die de bundel telt, en waardoor haar bescheiden oeuvre in één klap met een derde is uitgebreid, zitten wél enkele juweeltjes.

In 1954 publiceerde M. Vasalis haar derde bundel ‘Vergezichten en gezichten’ publiceerde. Het bleek haar ‘laatste’, daarna besloot de dichteres er het zwijgen toe te doen. Waarom – dat bleef lange tijd onduidelijk. Was ze drooggevallen? Was haar poëtisch oeuvre voltooid? Vond ze haar werk toen ongeschikt in een literair klimaat dat werd gedomineerd door de Vijftigers? Het bleek allemaal een beetje waar, zo kunnen we achteraf constateren.

De drie bundels die ze had gepubliceerd bleken inderdaad alles te bevatten wat Vasalis bij haar leven al klassiek maakte. Maar ze viel niet droog. Ze bleef wel degelijk schrijven, in de laatste jaren van haar leven bleek ze bovendien productiever te zijn dan lang daarvoor. Maar publiceren deed ze niet (meer), op een paar losse gedichten na. De nieuwe wind die de dichtersbent de Vijftigers, aangevuurd door Lucebert en Kouwenaar, door de naoorlogse letteren liet waaien, was daar grotendeels debet aan. Haar stem paste niet meer in die nieuwe tijd, haar tijd was geweest.

Bij het in ontvangst nemen in 1974 van de Constantijn Huygens-prijs lichtte Vasalis voor het eerst een tipje van de sluier: ‘Ik moest voortdurend tot de conclusie komen dat mijn commentaar volstrekt overbodig was en dat het geen zin had mijn lucifertje bij de brand af te strijken.’ Dat vond zij, maar dat vonden ook de jonge dichters en de nieuwe lichting literaire critici die haar werk grotendeels negeerden, al ontbrak ze in geen enkele deugdelijke bloemlezing van de moderne Nederlandse poëzie. In Komrij’s standaardwerk ‘De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten’ is zij dan ook vertegenwoordigd met het maximum van tien gedichten. Wel ontstond er nog een polemiek rond haar gedicht ‘Tijd’:

 

‘Ik droomde, dat ik langzaam leefde…

langzamer dan de oudste steen.’

 

Dat de lezers er al die tijd heel anders over dachten, bleek wel over de hoge oplagen van haar bundels. Ze beleefden druk op druk. Inmiddels zijn van haar bundels – die enkele jaren geleden in één band verschenen, met hier en daar nog kleine correcties van de dichteres zelf – zo’n 200.000 exemplaren verkocht, een ongekend hoge oplage voor poëzie.

M. Vasalis, pseudoniem voor Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans, roepnaam Kik, van beroep kinderpsychiater, publiceerde tussen 1940 en 1954 drie bundels: ‘Parken en woestijnen’ (1940), een van de meest verkochte dichtbundels uit de Nederlandse literatuur, ‘De vogel Phoenix’ (1947) en ‘Vergezichten en gezichten’ (1954). Een klein oeuvre van grote poëzie, waaronder klassiek geworden verzen als ‘Afsluitdijk’, ‘De idioot in het bad’ (met de freudiaanse verwijzing naar het water waarin de idioot zich net zo geborgen voelt als in de moederschoot), ‘Tijd’, ‘Het ezeltje’ en ‘Fanfare-corps’. Ze worden nog dikwijls aangehaald en vertonen in tegenstelling tot veel andere klassieke gedichten (zoals het grijs gedraaide ‘Herinnering aan Holland’ van H.Marsman – met de beginzin ‘Denkend aan Holland – of ‘Zwerversliefde’ van Roland Holst – Laten wij zacht zijn voor elkander, kind -, die door de tijd aan kracht en zeggenschap hebben verloren) nog weinig tekenen van sleetsheid. Zelfs wie nog nooit van Vasalis heeft gehoord, zal vast deze regels wel eens hebben gehoord of gelezen:

 

‘Zoveel soorten van verdriet,

ik noem ze niet.

maar één, het afstand doen en scheiden.

En niet het snijden doet zo’n pijn,

maar het afgesneden zijn.’

 

Regels uit ‘Sotto voce’, een gedicht dat veelvuldig opduikt in rouwannonces. Slechts incidenteel trad Vasalis nog in de openbaarheid. In 1982 nam ze de P.C. Hooftprijs voor poëzie in ontvangst.

Dat Vasalis, die naar horen zeggen een scherpzinnig en warm mens was (‘een geweldig mens’, aldus haar uitgevers), in al die jaren in haar huis bij het Drentse Roden was blijven schrijven, zij het mondjesmaat, wisten alleen haar drie kinderen aan wie ze nu en dan iets voorlas. Dichten was een levensbehoefte voor hun moeder.

Vlak voor haar dood instrueerde ze haar kinderen om uit al het nagelaten materiaal de bundel samen te stellen. De samenstellers hebben de chronologie in de volgorde van ontstaan als uitgangspunt genomen, van vroege poëzie, waarvan sommige verzen van voor de Tweede Wereldoorlog, tot werk dat ze vlak voor haar dood schreef.

De titel heeft Vasalis nog zelf gekozen. Toen ze nog een jong meisje was, zei haar vader, wijzend naar de vogels die boven de vloedlijn vlogen: ‘Die vogels daar volgen de oude kustlijn.’ Zij gaan hun eigen weg, zoals de dichteres zelf ook haar eigen koers bepaalt, als het moet tegen de stroom in. Hierop sluit het volgende (titelloze) vers aan:

 

‘De tijd, het stromende getij

gaat nu zo snel en het verval

zo steil, alles werd weggespoeld.

Kom nu forellen, mijn herinneringen

spring met de verse krachten

en met de eerste wilde geuren

tegen de stroom.’

 

In ‘De oude kustlijn’ is een dichteres aan het woord die we kennen uit haar drie klassiek bundels. Het is de Vasalis van voor Vijftig, wier heldere, toegankelijke poëzie, die balanceert tussen realisme en surrealisme in, soms iets wegheeft van die van Ida Gerhardt en Gerrit Achterberg, maar toch onmiskenbaar over een eigen stem beschikt, die soms wat ouderwets en archaïsch aandoet maar vaak ook modern zonder modieus te zijn of te willen doen. Het overgrote deel van de gedichten zijn nieuw, doen tegelijk vertrouwd aan en zijn eenvoudig inpasbaar in het bestaande en bekende oeuvre van de dichteres.

Of deze bundel dezelfde uitwerking zal hebben als indertijd de andere drie, valt te bezien. De kans daarop lijkt me gering. Er staan in deze bundel geen gedichten die kunnen wedijveren met Vasalis’ mooiste verzen of die het in zich hebben om klassiek te worden. Er is vooral veel van hetzelfde, af en toe een mooie regel, soms een geslaagd gedicht, soms een prachtig vers. De dichteres is wel persoonlijker geworden, ze stelt zich soms kwetsbaar op.

Zoals in een mooi titelloos zelfportret, dat begint met de woorden ‘Wat gaf ik vroeger veel om zuiverheid’. Het is op te vatten als een commentaar van Vasalis op de dichteres die ze is, op haar oeuvre en, voor wie dit erin lezen wil, op de kritiek die zij te verduren kreeg toen een nieuwe wind in de poëzie opstak. En tegelijk is het een bekentenis, een belijdenis aan de geliefde.

In ‘De oude kustlijn’ varieert Vasalis op de thema’s die we van haar kennen: de hedendaagse mens, zijn kleine geluk, zijn wanhoop en angsten, het kwetsbare en weerloze individu dat schippert tussen het aardse, de natuur en de beschaving. Een van de mooiste gedichten van Vasalis is ‘Afsluitdijk’, waarin de dichteres de wereld waarneemt vanuit een autobus die ‘als een kamer door de nacht’ rijdt. In ‘De oude kustlijn’ keert die bus terug, in ‘Rebus in de bus’ en ‘Aesthetische problemen in de bus’. En het levert opnieuw fascinerende gedichten op, waarin de ‘ik’ een moment verwacht dat door wat zij ziet – gewone reizigers die in haar beleving ineens niet meer zo gewoon zijn – haar ‘de zin’ of het levensraadsel zal worden geopenbaard. Een vergeefse hoop, natuurlijk, het leven blijft een onverklaarbaar en onbegrijpelijk wonder. Deze ‘busgedichten’ bezitten weliswaar niet de klassieke grandeur van ‘Afsluitdijk’, ze bevatten wel prachtige regels:

 

Een woeste oude ober met grijze ogen

en zijn gezicht in aanslag, en een woelig kind

doofstom, dat met zijn eigen dunne vingers praatte’.

 

En:

 

Voor mij, breder en korter dan ik ben

een oude boer, zonder een enkle haar

zijn schedelhuid asgrauw, zichtbaar

de naden. ’t Was een kopje dat ik niet

bewaren zou als ik het had gevonden tussen ’t riet

een vloeibare, oranjegele avondzon

en nam het schedeltje, dat kostbaar werd

van binnen uit, naar ’t scheen, verlicht

zo’n geheimzinnig, veelbetekenend gezicht’.

 

De dichteres, die negentig werd, schreef veel over de dood, en ook hier is hij alomtegenwoordig. In het eerste vers onder de titel ‘Sub finem’ (aan, tegen het eind) is het leven nog in volle gang, al is het einde reeds nakende:

 

Boven je ogen zie ik weer de kleine kuil

van smartelijke inspanning, alsof

je op het laatst noodzakelijk nog dat

ontraadselen moet – wat toch je mond

horizontale accolade – allang

begrepen heeft en samenvat.’

 

In het tweede vers met dezelfde titel staat de dood voor de deur. Dit gedicht besluit de bundel als een hamerslag:

 

En nu nog maar alleen

het lichaam los te laten –

de liefste en kinderen te laten gaan

alleen nog maar het sterke licht

het rode, zuivere van de late zon

te zien, te volgen – en de eigen weg te gaan.

Het werd, het was, het is gedaan.’

 

Overrompelend direct, zoals zoveel gedichten van de ‘oude’ Vasalis dat waren. Het zou me niet verbazen wanneer deze versregels binnen afzienbare tijd zullen opduiken in de rouwberichten.

Maar de dichteres kon zichzelf niet meer overtreffen. Dat wist ze. Daarom weifelde ze vermoedelijk zo lang met het publiceren van nieuw werk. Soms bevatten de verzen ook wel erg ouderwetse regels die misschien mooi poëtisch klinken maar inhoudelijk leeg en clichématig, hol en pathetisch zijn, tegen het kitscherige aan:

 

Wanneer je hand beweegt beweegt mijn ziel –

als je je ogen openslaat stroomt zij vol met licht’

(uit ‘Afscheid’).

 

Nee, lang niet alle poëzie in deze bundel is even sterk, maar wat zou het, alle matige verzen en zwakke regels zijn in een oogwenk vergeten en vergeven als je nu en dan stuit op de vele mooie en sterke regels of op een welhaast volmaakt gedicht. Zoals dat korte, titelloze vers dat in 1993 al eens een ‘poëziewaaier’ sierde, indertijd uitgebracht door uitgeverij Thomas Rap. Het is een blijmoedig zomers gedicht met een religieuze inslag, dat tegelijk blijk geeft van een pessimistische, zo niet zwarte visie op de mens:

 

‘De zomerwei, des ochtends vroeg.

En op een zuchtje dat hem droeg

vliegt een geel vlindertje voorbij.

 

Heer, had het hierbij maar gelaten.’

 

M. Vasalis: ‘De oude kustlijn’, gedichten, 72 blz, uitgeverij G.A.van Oorschot.

 

Wat gaf ik vroeger veel om zuiverheid.

Wat dacht ik dat het was?

Nuchter, met blote voeten waden door fris gras.

Strandwandelingen. Mager zijn. En politiek

zeer links. Verboden was lyriek.

Toekomstgedachten had ik niet

en heb ik sindsdien nooit gekregen

goddank, en had ik geen herinnering

dan was ik nog zo schoon als regen

en even drinkbaar, lieveling.’

 

M. Vasalis

 

2002

UA-37394075-1