Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Marcel Möring: ‘De stad is een heel donkere put’

Bijna tien jaar achtereen werkte Marcel Möring (1957, Enschede) in stilte aan zijn grote roman ‘Dis’. De vrucht van die arbeid is een romaneske zwerftocht door ‘De hel van Assen’. Een gesprek, eind 2006, met de schrijver over zijn literaire huzarenstuk en de ‘Nederlandse Ulysses’.

 

Vooraf waren de verwachtingen over ‘Dis’ hooggespannen. Té hooggespannen misschien, want de verschijningsdatum werd voortdurend opgeschoven. Maar nu ‘Dis’ in de winkel ligt kunnen alle twijfels worden weggenomen, want deze lijvige roman behoort tot het beste wat Marcel Möring geschreven heeft.

,,Ach, die geruchten’’, reageert de ‘schrijvende monnik’ met milde glimlach in zijn ordentelijke werkkamer in zijn woonplaats Rotterdam. ,,Ik denk dat ik een type schrijver ben dat de tijd neemt. Ik wil het boek schrijven dat me voor ogen staat. Ik wil dat ik over twintig of dertig jaar kan zeggen: ik heb geen compromissen gesloten, ik heb precies gedaan wat ik wilde doen.’’

Was het een feest of een hel om dit boek te schrijven? ,,Het is zwaar geweest, omdat het een heel bewerkelijk boek is geweest. Ik ben er in 1997 mee begonnen, onmiddellijk nadat mijn roman ‘In Babylon’ klaar was. Maar ik heb er nooit met weerzin aan gewerkt, ik heb het juist heel prettig gevonden. Ik vond het jammer dat het af was.’’

Möring liet zich voor zijn roman inspireren door Dantes ‘Goddelijke komedie’ en door het werk van de door hem geadoreerde Ierse schrijvers Samuel Beckett en James Joyce. En zoals Joyce zijn ‘Ulysses’ op 16 juni 1904 in Dublin laat spelen, laat Möring zijn odyssee (grotendeels) spelen op 27 juni 1980, tijdens de nacht van de TT (Tourist Trophy), de motorraces die jaarlijks op de laatste zaterdag van juni bij Assen worden gehouden.

,,Dat is toeval. Ik woonde ongeveer van mijn elfde tot mijn 25ste in Assen. Begin jaren tachtig maakte ik zo’n lange TT-nacht mee, samen met een bevriende fotograaf. We zijn die nacht net als in het boek toen geëindigd in de biertent van een Molukse voetbalvereniging waar het op knokken uitliep. Ik herinner me dat ik daar stond en dacht: dit is de ideale setting voor een grote roman. Hier vind je het hele menselijke bedrijf met al zijn uitwassen. Je hoeft er niks voor te bedenken.’’

Waarom koos hij voor 1980? ,,Dan begint de naoorlogse Nederlandse geschiedenis te veranderen. In dat jaar treedt Beatrix aan en zijn de krakersrellen onder het motto: geen woning, geen kroning. In die periode betrad mijn generatie de maatschappij om aan de slag te gaan. Helaas waren er geen banen en huizen. Mijn generatie heeft in de maatschappij nooit een stevige vinger in de pap gehad. En zij werd onmiddellijk gevolgd door de neoliberalen die met de beurs rijk werden, zaken waarover wij nooit hadden nagedacht. Het is tegelijk de periode waarin we steeds verder van de Tweede Wereldoorlog komen af te staan. We houden op om jaarlijks massaal te herdenken en er verdwijnt een generatie uit het zicht.’’

Dat is de generatie van Jakob Noach, een van de twee belangrijkste personages uit ‘Dis’. De joodse Noach duikt na de Tweede Wereldoorlog op uit zijn ‘hol in het veen’. Hij ‘herverovert’ de winkel van zijn ouders op een NSB’er en werkt zich op van kleine middenstander tot onroerendgoedmagnaat. Zijn tegenpool in het boek is Markus Polka (eigenlijk Polak), een veelbelovende jonge intellectueel met ,,een geweldige toekomst achter zich’’.

,,Beide personages weerspiegelen het naoorlogse Nederland’’, zegt Möring. ,,Jakob Noach vertegenwoordigt de generatie die de oorlog heeft meegemaakt en overleefd, die niet veel tijd heeft gehad om te studeren omdat ze aan de slag moest. Noach is van het ongepolijste type, iemand die werkelijk iets groots en diepgaands heeft meegemaakt. Hij is een soort oudtestamentische figuur, een patriarch met drie dochters. Voor de generatie van Marcus Polka was het bedje min of meer gespreid. Hij is een cerebraal type met grote politieke theorieën.’’

,,Noach en Kolpa komen elkaar in het boek één keer tegen, als Kolpa Noachs jongste dochter bezoekt. Voor Noach is het bestaan leeg, het heeft geen doel. Hij neemt Kolpa, in wie hij een soort zoon ziet, apart en zegt: ‘Liefde is het enige wat telt’. Hij is erachter gekomen dat het daar om draait in het leven, niet om bezit of om status. Kolpa kijkt daar heel anders tegenaan, hij is een man van de theorie, van de hooggestemde idealen. Hij moet nog landen. Hij gaat uiteindelijk in Assen op zoek naar zijn jeugdliefde om de leegte in zijn bestaan te vullen.’’

De titel ‘Dis’ verwijst naar Dantes ‘Goddelijke komedie’. Het is de naam van de stad in de hel, waar de ongelovigen en geweldplegers moeten boeten voor hun zonden. ,,Alle zwaktes komen hier bijeen, een getrouwere afspiegeling van de wereld is er niet’’, staat er in het boek. Möring: ,,Het is de stad als een hele donkere put. In het inferno van Dante zijn de verschillende zondaren keurig gerubriceerd. Wij denken zo allang niet meer over zonde of straf. Er is wel een ander soort straf. Dat is de hel die de tijd voor mensen kan zijn of mensen voor elkaar kunnen zijn. Zoals degenen op een TT-nacht vechtend, slempend en neukend het publieke domein tot hun particuliere domein maken. En de mens die zich uitleeft in het publieke domein is angstaanjagend omdat iemand anders daarvoor een stap terug moet doen.’’

Voor in het boek staat nadrukkelijk: ‘Dit is een roman. Niets in dit boek is waar.’ ,,Dat heeft een banale aanleiding. Ik weet dat er in Assen al jarenlang gehuiverd wordt omdat men denkt dat ‘Dis’ een soort sleutelroman is. Dat is absoluut niet het geval. Dit is míjn Assen. Er zijn ook al allerlei theorieën ontvouwd over wie wie is in het boek. Ik kan ontkennen wat ik wil, het maakt toch niet uit. Al een jaar geleden ben ik door mensen gebeld die dachten dat ze erin voorkwamen.’’

,,Ik heb niemand voor ogen gehad, alleen de fotograaf, dat is Harry Cock, mijn jeugdvriend. Ik ben er wel achtergekomen dat de twee hoofdpersonen twee kanten van dezelfde medaille zijn en die medaille, dat ben ik. Ik ben in deze roman verder gegaan dan ik ooit ben gegaan. Ach, er wordt door heel veel figuren in het boek ontzettend gekankerd op Assen. Tegelijkertijd is het een soort liefdesverklaring. (Lachend) Het zal Assen nog een boel bezoekers opleveren.’’

In het werk van de vrijzinnig joods opgevoede Möring speelt zijn achtergrond een belangrijke rol. ,,Ik ben niet religieus. Toch ben ik hevig beïnvloed door de joodse cultuur en geschiedenis. Op de een of andere manier laat dat me niet los. In Assen woonden in 1939 zo’n 22.000 inwoners; er was een joodse buurt van 6 à 700 zielen, dat was een grote gemeenschap. Daar zijn er vijftig tot zestig van teruggekomen. De joden in ‘Dis’ staan voor al die mensen die er net even buiten vallen. Joden, besefte ik tijdens het schrijven aan ‘Dis’, zijn de lakmoesproef voor de samenleving. In Nederland wonen al ongeveer 400 jaar joden. Toch spreken joden onder elkaar nog vaak over wij en zij, de Nederlanders en wij.’’

,,Jaren geleden zei ik tegen Abdelkader Benali en Hafid Bouazza, schrijvers van islamitische afkomst: jullie denken wel dat het ontzettend goed gaat. Maar alles wat er met de joden is gebeurd in Nederland, en dan heb ik het niet over de Tweede Wereldoorlog, zal ook jullie nog overkomen. Nu zie je dat gebeuren. De integratie verloopt minder voorspoedig dan gedacht. Het is een langdurig proces, met pijn van beide kanten.’’

Möring trekt in ‘Dis’ alle registers open om de Nederlandse taal te laten zingen. ,,Meanderende zinnen stromen als rivieren door het landschap’’. ,,Vraag aan Nederlanders wat ze een mooie taal vinden en ze zeggen: Frans, Italiaans. Nederlands hoor je daar nooit bij, terwijl Nederlands een taal is die prachtig zingt… Maar het is toch echt niet een soort gehandicapt broertje van een Arische taalstam. Kom op zeg, het is wél de taal van Van Schendel. Al mijn collega’s houden van Van Schendel. Hij leeft helaas niet meer hè, ik bedoel, zijn werk leeft niet meer. Maar als ‘Het fregatschip Johanna Maria’ (1930, red.) door een Engelsman was geschreven, was het wereldberoemd.’’

Dis’ zit vol grafische grapjes en zelfs een strip. ,,Ja, hoor eens, het is 2006! Om mij heen zie ik zoveel brave romans verschijnen, alsof anderhalve eeuw romangeschiedenis met al zijn vernieuwingen er niet toedoet. Alsof de medische wetenschap zegt: laten we na tachtig jaar maar met penicilline stoppen. Dat zou toch raar zijn? Waarom zouden we ineens die typografische fratsen à la Schierbeek en Van Ostaijen niet meer gebruiken? Ik wil de nieuwe generatie lezers laten zien dat een boek ook vrij en wild kan zijn.’’

 

Marcel Möring: ‘Dis’, roman, uitgeverij De Bezige Bij, 506 blz.

 

November, 2006

UA-37394075-1