Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Marek van der Jagt en ‘De geschiedenis van mijn kaalheid’

Dit is de geschiedenis van mijn kaalheid, en ik ben niet van plan hierna ooit nog één woord op papier te zetten.’ Klare taal, en zelden zal men die op deze manier bij een debutant aantreffen. Maar Marek van der Jagt (1967) is een uitzondering, zoals hij ook met ’De geschiedenis van mijn kaalheid’ een uitzonderlijke roman schreef.

 

Het stel ’kleefde aan elkaar als kauwgum aan een schoen’

 

Tenminste, als we Van der Jagts boek vergelijken met al die andere prozadebuten waarmee we om de oren worden geslagen. Elke week verschijnt wel ergens een debuut dat met veel tamtam en niet zelden als een nieuw meesterwerk wordt aangekondigd dat net zo snel als de auteur weer in de vergetelheid verzinkt.

 

Sommige schrijvers’, schrijft hij, ’hebben maar één boek in zich (…). De geschiedenis van mijn kaalheid steekt daar povertjes bij af. Maar ook kleine geschiedenissen kunnen belangrijk zijn.’

 

Van der Jagts boek is anders. De titel is al veelbelovend, al zal het kale of kalende heren op zoek naar (h)erkenning misschien teleurstellen omdat die kaalheid vooral terloops ter sprake komt. Nieuwsgierig maakt de flaptekst die – met zinnen die ook op de eerste bladzijde te vinden zijn – meldt dat ’De geschiedenis van mijn kaalheid’ Van der Jagts eerste en tevens laatste boek zal zijn: ’Sommige schrijvers’, schrijft hij, ’hebben maar één boek in zich, en die schrijven dan over een oorlog, een gruwelijke ziekte, een verdwenen dochter die na vier jaar in een waterput wordt teruggevonden. De geschiedenis van mijn kaalheid steekt daar povertjes bij af. Maar ook kleine geschiedenissen kunnen belangrijk zijn.’ Deze schrijver zal er na dit boek dus verder het zwijgen toe doen, een volgend boek zou er maar bleek bij afsteken.

 

Het boek maakt de verwarring, en de fascinatie, er alleen maar groter op.

 

Beweert hij. Want is ’De geschiedenis van mijn kaalheid’ wel een zuivere autobiografische roman? Schrijver en hoofdpersoon van het boek vallen weliswaar samen, beiden heten immers Marek van der Jagt. Maar wie naar het bijgaande schrijversportret kijkt, ziet geen vroeg kale(nde) dertiger. Hebben we hier te maken met een gimmick? Een slimme verkooptruc? Om het mysterie te vergroten?

Van de informatie die de uitgeverij verstrekt, word je niet veel wijzer. Marek van der Jagt is volgens die gegevens geboren in Wenen, als zoon van een Nederlandse vader en een Duitstalige moeder. Van der Jagt studeerde filosofie en werkt nu in een drogisterij in Wenen. Een Oostenrijker dus die schrijft in het Nederlands? Het maakt de verwarring, en de fascinatie, alleen maar groter.

 

De jonge Marek zoekt liefde ’die niet tot geluk leidt, die niets met geluk te maken wil hebben en die toch de moeite waard is’.

 

Maar het enige wat telt is het boek. Hierin vertelt filosofiestudent Marek van der Jagt over zijn zoektocht in zijn geboortestad Wenen naar de ’amour fou’, die als een rode draad door het verhaal is gevlochten. De jonge Marek zoekt liefde ’die niet tot geluk leidt, die niets met geluk te maken wil hebben en die toch de moeite waard is’. Hij is een jongen ’gezegend met een uiterlijk waar mensen blijkbaar graag naar kijken’, die indruk maakt ’omdat ik zo weinig zei. Zelfs de kleuterjuffrouw had mijn verlegenheid voor wijsheid aangezien’. Hij is de jongste telg van een rijkeluisgezin, een gezin van snobs. Het huwelijk van zijn ouders is liefdeloos. Zijn vader doet in verzekeringen, hij is een man wiens ’genegenheid’ beperkt blijft tot het verkopen van oorvijgen. De moeder, die zwelgt in de aandacht van haar talrijke minnaars, flaneert door het leven ’alsof het een stuk was dat te min was voor haar acteerkwaliteiten’.

 

Op zoek naar ‘amour fou’.

 

Toch koestert de jongen een grote genegenheid voor zijn buitenissige en overspelige moeder wier amoureuze leven in Wenen ’op straat lag’. Op zoek naar ’amour fou’ ontmoet Marek onder anderen twee Luxemburgse meisjes met wie hij, samen met zijn oudere broer Pavel, een tumultueuze nacht doorbrengt. Zij bezorgen hem, in weergaloos geestige scènes, een nieuwe obsessie, wanneer hij beseft dat zijn geslacht van een dwergachtige kleinheid is, een ’visgraat ter grootte van een teen’.

Het verhaal wordt opgediend als een terugblik, nadat de moeder is gestorven. De verteller bekijkt zijn jeugd van een afstand, zodat hij er tegen kan schoppen zonder dat het al te veel pijn doet. Hij is een antiheld, die zich in alles mislukt voelt, hij is een charmante schlemiel, maar dan wel een onweerstaanbaar geestige. Want geestig ís ’De geschiedenis van mijn kaalheid’ beslist.

 

Van der Jagts wereldbeeld is minder pessimistisch en hopelozer dan dat van Grunberg.

 

Dat Van der Jagt de boeken van Arnon Grunberg kent, staat buiten kijf. Wie zinnen leest als ’De tomatensoep was al opgediend. Wij aten drie keer per week tomatensoep, want papa hield van tomatensoep’, vreest even met een epigoon van Grunberg, een generatiegenoot van Van der Jagt, van doen te hebben. Zelfs hun thematiek stemt overeen, ofschoon Van der Jagts wereldbeeld minder pessimistisch en hopelozer is dan dat van Grunberg, en zeker niet minder vrolijk. Maar Grunberg is niet te imiteren, en Van der Jagt een Grunberg-kloon noemen lijkt me onzin. Van der Jagt beschikt wel degelijk over een eigen toon.

Van der Jagt worstelt niet met de taal zoals zoveel schrijvers, hij spéélt ermee. Het boek staat vol mooie zinnen en verfrissende vergelijkingen, die je net even anders tegen het vanzelfsprekende, tegen het alledaagse laten aankijken. Bijna op elke bladzijde valt wel een treffende uitspraak op te tekenen. Zo schrijft hij over de vrouw aan wier zoon hij bijles geeft: ’God zegen je,’zei ze en weer kwam de lucht van oude wijn uit haar mond. Sinds die dag zijn god en de adem van mevrouw Blumenthal onlosmakelijk met elkaar verbonden.’

 

Hij heeft het over mensen ’die hun hele leven op applaus wachten en pas vlak voor hun dood tot de ontdekking komen dat ze voor een lege zaal hebben staan spelen’.

 

Na de volledig mislukte vrijage met het Luxemburgse meisje ’stonden wij in de salon als feestgangers die te laat hadden gemerkt dat het feest was afgelopen’. Zijn oudere broer Pavel vergelijkt hij met mensen ’die hun hele leven op applaus wachten en pas vlak voor hun dood tot de ontdekking komen dat ze voor een lege zaal hebben staan spelen’. En zijn broer en zijn vriendin-voor-een-nacht ’kleefden aan elkaar als kauwgum aan een schoen’. Ronduit flauw daarentegen, op het melige af, is het hoofdstuk waarin de verteller de hurkloop beoefent om zich beter te kunnen inleven in het leven van een dwerg.

Mooi is weer de (zelf)ironie, die soms reviaanse trekjes heeft – een groter compliment kun je een debutant toch nauwelijks maken. Of ’De geschiedenis van mijn kaalheid’ het enige boek van Van der Jagt zal blijven of niet, hij schreef met zijn roman in elk geval een van de verrassendste en leukste boeken van het jaar.

 

Marek van der Jagt: ‘De geschiedenis van mijn kaalheid’, 254 pag., uitgeverij De Geus, Breda.

 

April, 2001

UA-37394075-1