Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Mark Boog: ‘Je moet het wel mooi zeggen’

,,Als iets net af is vind ik het eigenlijk altijd niks’’, zegt Mark Boog die in korte tijd naam maakte als dichter en romanschrijver. Op verzoek van Poetry International schreef hij ter ere van de negende Nationale Gedichtendag in Vlaanderen en Nederland (editie 2007) het kleinood ‘Alle dagen zijn van liefde’. Verderop in het jaar verschijnt zijn vierde roman ‘Ik begrijp de moordenaar’.

 

Met ‘Alle dagen zijn van liefde’ treedt Mark Boog toe tot het keurkorps van dichters die eerder tekenden voor de speciale gedichtendagbundel: Judith Herzberg, Eva Gerlach, Gerrit Kouwenaar, Hugo Claus, Rutger Kopland, Toon Tellegen, Menno Wigman en Leonard Nolens.

Boog, geboren te Utrecht in 1970, is de jongste in de rij. Kwam het verzoek als een verrassing? ,,Ja, zeker’’, zegt hij in zijn ruime huis in Nieuwegein waar hij met vrouw en vier kinderen woont. ,,Voor het schrijven ervan worden doorgaans toch oudere, meer gevestigde dichters gevraagd. De enige uitzondering tot dusver was Menno Wigman, die wel gevestigd is maar niet oud.’’

 

,,Grote woorden… dat mag eigenlijk niet, hè?’’

 

Mark Boog schrijft poëzie die op het oog kristalhelder is en tegelijk raadselachtig, en waarin rede en gevoel een mooie symbiose vormen. Hij schrijft over ‘alledaagse’ dingen die hij verbindt met het bezweren van chaos, dreiging en wanhoop. De grondtoon is somber maar relativerend.

 

In 2000 verscheen zijn eerste bundel ‘Alsof er iets gebeurt’, waarvoor hij de C.Buddingh’-prijs ontving voor het beste debuut van dat jaar. Als dichter schuwt hij allerminst het gebruik van ‘grote woorden’, zoals in ‘De encyclopedie van grote woorden’, waarvoor hij opnieuw een belangrijke literatuurprijs kreeg, de VSB Poëzieprijs 2006. In dit boek, dat hem een plaats bezorgde in de voorhoede van de hedendaagse Nederlandse dichtkunst, blaast hij het stof van ‘grote’ woorden als Dood, Geluk, Schoonheid, Haat, Eenzaamheid, Rechtvaardigheid, Eeuwigheid, Ziel en Waarheid. Hij poetst ze op waardoor ze als nieuw gaan glanzen.

,,Grote woorden… dat mag eigenlijk niet, hè’’, reageert hij na enige aarzeling, want de bedachtzame Boog praat niet graag over zijn eigen werk. Laat dat een ander maar doen. Maar een klassiek dichter als J.C. Bloem is toch ook niet bang voor grote woorden? Boog, peinzend: ,,Bij Bloem gaat het meestal goed, maar in zijn latere gedichten zijn er momenten waarop het plat wordt. Dan staat er simpelweg: ,,we gaan toch allemaal dood’’. Als dat er voor de derde keer staat is het niet interessant meer. Je moet het wel mooi zeggen, vind ik.’’

 

Liefde

 

Waarom rust er zo’n taboe op ‘grote woorden’? Volgens Boog is het candlelightgedicht – een eenvoudig rijmend vers dat een directe gevoelsuitstorting bevat – daar mede schuldig aan. ,,Daarin hoor je goed wat er gebeurt als het fout gaat. Maar om daarop vervolgens te reageren door te zeggen dat je een woord als Liefde niet meer in poëzie mag gebruiken gaat wat ver. Ik vind wel dat er goede redenen zijn om er voorzichtig mee om te springen. Dat is wat anders. Het kan wel, maar je moet weten wat je doet. Het moet bij je passen.’’

 

En in Mark Boogs poëzie past het. Boog verstaat de kunst om de zwaarte van grote woorden in de context van het gedicht een zekere lichtheid mee te geven. Zo schrijft hij in zijn debuutbundel over ,,een Groot Vertrouwen In De/ Zinloosheid Van Alle Dingen’’. ,,Die ’zinloosheid’ zal voor mij wel belangrijk blijven, maar ik denk niet dat ik het zo expliciet zal blijven benoemen. Met ‘De encyclopedie van de grote woorden’ heb ik dat wel afgesloten, denk ik. Je moet ervoor oppassen dat het een trucje gaat worden.’’

 

De Nationale Gedichtendag staat in het teken van de relatie tussen poëzie en gewone ‘dingen’. Geen thema dat Boog inspireerde voor zijn bundel. ,,Een dag nadat ik de opdracht kreeg reisde ik bij toeval naar Berlijn. Ik maakte tijdens de reis veel aantekeningen die ik naderhand bij elkaar heb gelegd. Twee zaken waarover ik wilde schrijven zijn daardoor samengekomen: een reeks liefdesgedichten en een reeks over treinen en steden. Wat sfeer betreft vond ik ze erg goed bij elkaar passen.’’

 

Je kunt de trein zien als het beeld van de reis die een relatie is.’

 

Elk afzonderlijk gedicht bevat mooie of pregnante regels als ,,De trein is een lange regel die zijn rijm zoekt/ te ontwijken’’ of een trefzeker beeld als ,,elk voorbijgesneld station een verbaasd kind’’. Toch spreekt Boog liever van liefdes- dan treingedichten. ,,Het gaat niet over een ontluikende liefde maar over een die al een tijdje loopt. Je kunt de trein zien als het beeld van de reis die een relatie is.’’

De gedichtendagbundel verschijnt in een oplage van 15.000 exemplaren. Dat is veel voor een poëziebundel. Daarom, vindt de dichter, ,,moet het goed zijn’’. Tijdens het schrijven had hij er een goed gevoel over. ,,Dat blijkt achteraf meestal wel te kloppen. Maar als iets net af is vind ik het eigenlijk altijd niks. Dan staat het nog zo dichtbij, ik heb zoveel gecorrigeerd. Je kunt het dan zelf niet meer onbevangen lezen. Als ik het twee maanden laat liggen en daarna weer inkijk, komt dat gevoel wel weer terug.’’

 

Onlangs verscheen de bloemlezing ‘Het eigen oor’, waarvoor Boog een keuze maakte uit zijn oeuvre tot nu toe. Op de toegevoegde cd leest de dichter voor uit eigen werk, voor de helft begeleid door zijn rockband Poetry in Motion. En ook voor wie niet direct in poëzie geïnteresseerd is, is de muziek de moeite waard. ,,Die driekwartier muziek wordt net zo serieus genomen als de poëzie. En als je het niet verstaat of kunt volgen, is dat niet erg. Net als bij songteksten.’’

 

Openingszin

 

Behalve poëzie heeft Mark Boog intussen drie romans gepubliceerd. Zijn vierde roman ‘Ik begrijp de moordenaar’ verkeert in de afrondende fase. De titel is de openingszin. Is het een monoloog? ,,Bijna. Het is opgesteld als een politierapport, maar dan een dat nogal afwijkt. Een politieman krijgt een oude moordzaak op zijn bord geschoven, naar hij aanneemt om van hem af te zijn omdat hij bijna met pensioen gaat. Hij is zo’n man die na een lange carrière denkt dat hij moordenaars kan begrijpen en bereiken. Maar deze keer gaat hij te ver.’’

 

Zelfbedrog

 

In ‘Ik begrijp de moordenaar’ probeert Boog de sterke kanten van zijn vorige romans samen te brengen. ,,Er zijn nogal wat mensen die ‘De vuistslag’ (2001) erg goed vonden. Zelf vind ik het de minste van de drie. Mensen hebben er heel veel in gelezen dat ik er helemaal niet in gestopt heb. Ik ben daarna veel beter gaan schrijven. Ik vind zelf mijn tweede roman (‘De warmte van het zelfbedrog’, 2002) mijn beste. Daarin zit juist weer veel meer dan er door de lezers uitgehaald is.’’

 

Mark Boog: ‘Alle dagen van liefde’. Speciale bundel ter gelegenheid van de Nationale Gedichtendag 2007. Uitgave: Poetry International in samenwerking met uitgeverij Cossee. ‘Het eigen oor – Een keuze uit de gedichten’, 208 blz, uitgeverij Cossee.

 

 

 

4. De trein is een lange regel…

 

De trein is een lange regel die zijn rijm

zoekt te ontwijken, die zich proza waant

 

of zelfs een trein. Maar de velden liggen

in verwondering uiteen, de onverschilligheid

geketend aan hun oppervlak, de lucht

 

een wijd en blauw verlangen, bijna opgegeven,

elk voorbijgesneld station een verbaasd kind.

 

Aan het einde wacht het punt. Het ongeloof,

loerend op een kans om groter terug te keren,

 

zit zich op zijn plastic kuipstoel te verbijten,

vervloekt het achteloze razen, mompelt,

 

raadpleegt de tabellen in zijn winderige hoofd.

 

Mark Boog

 

(Uit: ‘Alle dagen zijn van liefde’)

 

5. Volg het spoor…

 

Volg het spoor dat logisch werd zodra het was gelegd,

kom aan in deze stad. Neem het heft in handen,

 

volg. De doolhof doet zich kaarsrecht aan ons voor,

wij kennen niets dan vooruitgang. De spanning

 

op de draden, kwetsbaar en dodelijk, trekt ons aan

als een magneet en stoot ons af als een magneet.

 

Het besturende is een gekweld dier, dat leiding zoekt.

 

Het gaat om de nachten, om het inslapen en ontwaken,

de rest gaat vanzelf. We slapen niet en doen dat

welbewust. Vermoeidheid is een reisdoel dat te vaak

 

over het hoofd gezien wordt in de folders.

Geloof of sterf. Geloof én sterf. De afkeer in je ogen.

 

Mark Boog

 

(uit ‘Alle dagen zijn van liefde’)

 

Januari, 2007

UA-37394075-1