Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Max de Jong: ’Meisjes moeten mij niet en voor hoeren ben ik bang’

Een miskend genie is de jonggestorven dichter Max de Jong genoemd. Schrijver van een dagboek dat een literair monument is, maar waarvan de publicatie tot op de dag van vandaag door de familie wordt gedwarsboomd. Hij was een zonderling. Een dodelijk eenzame kamerbewoner, verliefd op vier zusjes die hij als een stalker avant la lettre achtervolgde. De Heilooër Nico Keuning schreef de biografie van dit enfant terrible.

 

,,Max de Jong was een gekke, moeilijke jongen. Hij was nog gekker dan Jan Arends, zei iemand die het werk van de laatste goed kent.’’ De dichter Max de Jong (1917-1951), over wie de Heiloose publicist Nico Keuning de biografie ’Altijd het tinnef om je heen’ schreef, is in meer opzichten verwant met de ’gekke’ dichter-schrijver Jan Arends. Beiden waren zonderlinge figuren, vrijgezellen op smoezelige kamers, die altijd problemen hadden met hun hospita. Ze waren poètes maudits, verdoemde dichters, wier werk pas na hun dood de erkenning kreeg die het verdient.

Arends, die regelmatig in een inrichting verbleef, pleegde op 48-jarige leeftijd zelfmoord door met zijn hoofd naar beneden uit het raam van zijn kamer te springen. De Jong stierf, niet minder tragisch, op 33-jarige leeftijd in een Amsterdams ziekenhuis aan een verwaarloosde tuberculeuze herseninfectie, waarbij volgens zijn biograaf Nico Keuning de betrokken medici niet vrijuit gingen.

 

,,Hij was in wezen een heel tragische figuur. Naar zijn idee was hij ook mislukt in het leven. Omdat hij geld moest verdienen, kon hij niet schrijven.”

 

Publicist Hans van Straten karakteriseerde zijn jeugdvriend als ’een van de wonderlijkste mensen die in de jaren na de bevrijding in Amsterdam rondliepen’ en ’vrijwel constant op de rand van suïcide leefde’. Max de Jong voerde in zijn leven een onophoudelijk gevecht met ’de muze en het meisje’. Nico Keuning: ,,Zijn leven lang leverde hij strijd met de literatuur en de onbereikbare geliefde, en dat gevecht heeft hij in beide gevallen verloren. Hij was in wezen een heel tragische figuur. Naar zijn idee was hij ook mislukt in het leven. Omdat hij geld moest verdienen, kon hij niet schrijven. Het waren altijd de anderen die hem daarvan afhielden. Zo ervoer hij dat tenminste.’’

Passie

Max de Jong is de dichter van ’Heet van de naald’, een autobiografische cyclus van 92 kwatrijnen, waarin hij zijn passies beschrijft: ’ik sluit me op in de grote stad/ en heb hier mijn kamer/ gemeubileerd met/ boeken boeken boeken boeken’. Niet altijd even mooie poëzie – het lijkt soms wel alsof De Jong zijn poëzie opzettelijk lelijk maakte – maar ze is wel dwingend en soms beklemmend.

Heet van de naald’ geniet in een kleine kring van vooral dichters nog altijd veel waardering. Zo noemde Remco Campert De Jongs poëem kort geleden nog een van zijn lievelingsgedichten. Er waren ook andere geluiden. Paul Rodenko, dichter en eens toonaangevend literair criticus, had een hekel aan de ’dweperige’ dichter De Jong en de poëzie van dit ’schizoïd mislukt genie’, ofschoon hij na diens dood een stuk milder over hem schreef.

 

,,Wat dat betreft is hij te vergelijken met iemand als Hans Lodeizen, wiens poëzie ook voortdurend nieuwe generaties weet aan te spreken.’’

 

 

Voor Nico Keuning is De Jong nog springlevend. ,,Zeker in het literaire circuit leeft hij voort, en dat zal zo blijven zolang er nog overal roofdrukken, her- en nadrukken van gedichten en bundels van De Jong verschijnen. Dit in tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten die in die jaren toch iets betekend hebben maar nu zijn vergeten. Dat is een mooie paradox. Wat dat betreft is hij te vergelijken met iemand als Hans Lodeizen, wiens poëzie ook voortdurend nieuwe generaties weet aan te spreken.’’

Hospita

Keuning kwam met het werk van De Jong in aanraking toen hij studeerde, eerst rechten, later Nederlands. Hij las in de Haagse Post een artikel van schrijver-dichter K.Schippers over de jonggestorven dichter, en raakte in de ban van diens leven en werk. Hij voelde een zekere verwantschap: ,,Max en zijn geworstel, daar herkende ik veel in. Max zat op kamers in Amsterdam. Hij leefde eenzaam en half vervuild op een zolderkamer. Er was altijd hommeles met de hospita. Als student zat ik zelf ook op kamers in Amsterdam, dus ik kende die wereld wel. In ’Heet van de naald’ was het net alsof de dichter tot mij sprak.’’

Keuning schreef een doctoraalscriptie over De Jong om het werk van de veronachtzaamde dichter aan de ’vergetelheid te ontrukken’. Na zijn studie volgden vele publicaties die tot een tiental bibliofiele uitgaven van ’nagelaten’ en ’gevonden’ gedichten leidden. Wijlen de dichter Bert Voeten vroeg hem wanneer zijn biografie van De Jong zou volgen. De vraag overviel hem, maar gaandeweg rijpte het plan.

Hel

Max de Jong woonde tot aan zijn zeventiende in Wageningen bij zijn ouders thuis – zijn vader was leraar aan de plaatselijke ambachtsschool -, waar het leven, in zijn woorden, ’de hel van de adolescentie’ was. Na de hbs ging hij in Utrecht Nederlands studeren. Hij schreef gedichten en publiceerde in De Schone Zakdoek, een tijdschrift en een kring rond dichters als C.Buddingh’, Chris van Geel en Theo van Baaren. Hij raakte bevriend met onder anderen het (dichters)echtpaar Leo en Tineke Vroman, van wie de laatste onder de naam Georgine Sanders de poëziecyclus ’Het onvoltooid verleden’ (1990) aan Max de Jong wijdde.

 

,,Zijn moeder noemde hij ’mijn eerste hospita’. Hij voelde zich voortdurend getergd door zijn hospita’s met hun radiolawaai en loeiende stofzuigers.”

 

In de Tweede Wereldoorlog dook De Jong, zoon van een joodse moeder, onder bij Leo Vromans ouders in Gouda. In het najaar van 1944 kwam hij in Amsterdam terecht, waar hij tot zijn dood op diverse adressen woont. De Jong leefde zijn leven lang onder de ’terreur’ van hospita’s. Keuning: ,,Zijn moeder noemde hij ’mijn eerste hospita’. Hij voelde zich voortdurend getergd door zijn hospita’s met hun radiolawaai en loeiende stofzuigers. Álles wat hem afleidde, noemde hij trouwens radiolawaai. Hij was een drammerige, cynische figuur. Niks en niemand deugde. Hij had altijd last van mensen. Altijd het tinnef om je heen, zei hij. En die ergernis was tegelijk een deel van zijn inspiratie.’’

Hoofdpijn

,,Hij was voortdurend op zoek naar ’een stille bovenkamer’. Dat was dubbelzinnig. Want hij had altíjd hoofdpijn. ’Dodelijke hoofdpijn’ schreef hij. ’Die bovenkamer is één gistende pot.’ Hij wist niet waar die pijn door kwam. Hij leefde ook wel héél ongezond. Als ie op zijn kamer een boek onder bed pakte, krulde meteen een hele laag stof mee.’’

,,Hij had een baantje voor halve dagen als corrector bij de Wereldbibliotheek om daarnaast tijd te hebben voor het wezenlijke werk, het schrijven. Later kon hij dat correctiewerk thuis doen. Maar hij had een slechte zelfdiscipline.’’

Hij zat vaak in eetcafé De Nieuwe Biekorf, dat vlak na zijn dood is opgeheven. Dat etablissement werd voornamelijk bezocht door studenten, journalisten, halve artiesten en aankomende kunstenaars en schrijvers, onder wie de gebroeders Van het Reve, Corneille, Karel Appel en Hanny Michaelis. De laatste noemde De Jong een aartsquerulant, die ’uit God weet uit welk principe van burgermansverachting nooit anders dan met een lepel at, wát er ook op zijn bord lag’.

Gerard (toen nog Simon van het) Reve noemde De Jong, die was geboren op 25 december, gekscherend ’de nieuwe Jezus’. De Jong liep ook geregeld W.F.Hermans tegen het lijf. Reve en Hermans – ze waren een obsessie voor De Jong, omdat zij als schrijver al vroeg succes hadden. Hermans met ’De tranen der acacia’s’ en Reve met ’De avonden’. ,,De Jong had de pech dat hij zich tussen jongens bewoog die lange tijd de Nederlandse literatuur zouden gaan bepalen. Die Reve was ook knettergek, die liep in het openbaar maar gekke bekken te trekken en van alles te roepen. In ’De avonden’ komt Max niet voor, maar ik denk dat als Reve zijn boek enkele jaren later had geschreven, dat wel het geval zou zijn geweest.’’

Zomerkamp

,,Begin jaren dertig ontmoette Max – op afstand – meisjes die hem zijn verdere leven zouden blijven fascineren: de gezusters Wibaut – Constance, Jet, Neel en Lien. Hij had ze tijdens een zomerkamp van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie leren kennen. Ze bezorgden hem een levenslang complex. Hij is ze ook daadwerkelijk achterna gereisd. Hij leed aan een manische achtervolgingswaan. Hij wilde wonen waar die meisjes woonden, ook al waren ze getrouwd of hadden ze een verhouding met een ander. Hij ging op straat posten waar een van de gezusters Wibaut woonde. Hij is daarvoor door de politie ook eens opgepakt.’’

 

,,Hij schreef veel aforismen tégen de vrouw en het huwelijk. Uit rancune. Hij noemde zichzelf een polygaam asceet.”

 

,,In 1946 hoorde hij dat Neel Wibaut, die getrouwd was en kinderen had, naar Amerika zou vertrekken. Hij was ten einde raad. Zijn onbereikbare liefde ging nu dus écht weg. Dat heeft hij zo ook echt ervaren. Hij schreef daarna in één keer de 91 kwatrijnen van ’Heet van de naald’. In het licht van deze ervaringen moet je ook zijn verhouding tegenover vrouwen zien. Hij schreef veel aforismen tégen de vrouw en het huwelijk. Uit rancune. Hij noemde zichzelf een polygaam asceet. Hij had nog nooit een meisje gehad. Meisjes moeten mij niet, zei hij, en voor hoeren ben ik bang.’’

Vaderfiguur

Een belangrijke, zo niet onmisbare bron bij het schrijven van de biografie was voor Keuning de in 1990 clandestien uitgegeven dagboeken van Max de Jong, een roofdruk waarvan 51 genummerde exemplaren rouleren. Hierin schrijft de dichter over de moeizame jaren van november 1947 tot zijn dood in 1951. K.Schippers typeerde het dagboek eens als een ’schitterende ets van de naoorlogse dalles der Amsterdamse studenten, schrijvers en intellectuelen, het zelfportret van een schrijver, die zonder welke illusie dan ook elke nieuwe tegenslag waardig incasseert en noteert’.

Herhaaldelijk stuit de Nederlandse literatuur op onwillige weduwen, nieuw is de weerstand van onverzettelijke zusters. Zo houdt De Jongs inmiddels hoogbejaarde zus de publicatie van de dagboeken nog altijd halsstarrig tegen. ,,Nee’’, verzucht Keuning diplomatiek, ,,van de familie moet ik het niet hebben. Zijn zus die in Zutphen woont, schijnt zich voor haar broer nogal te generen.’’

 

,,In die dagboeken is hij een tobber en schaamteloos oprecht. Het is, tussen de regels door, soms hartverscheurend.”

 

Uitgever Geert van Oorschot, die voor Max de Jong een soort vaderfiguur was, moet indertijd ziedend gereageerd hebben op de starre houding van De Jongs zuster. Een schande vond hij het. Niet onbegrijpelijk, want Van Oorschot noemde De Jongs dagboeken – ’niet zonder overdrijving en met veel gevoel voor pathos’ – met ’De avonden’ van Gerard Reve en ’Bij nader inzien’ van J.J.Voskuil de belangrijkste Nederlandse literaire werken van halverwege de vorige eeuw.

Aangrijpend in de dagboeken vindt Keuning vooral Max’ manische verliefdheid: ,,Een geliefde die dus alleen in zijn hoofd bestond. In die dagboeken is hij een tobber en schaamteloos oprecht. Het is, tussen de regels door, soms hartverscheurend. In zijn brieven daarentegen toont hij veel meer zelfspot en bluf.’’

,,Op het eind van zijn leven was De Jong een erg eenzame figuur. Men trouwde in die tijd tamelijk jong, en ook al bleven zijn vrienden in Amsterdam wonen, zij hadden toen hun eigen leven. Hij ging toen op dansles. Hij kocht een fiets, want die moest hij hebben om met het meisje mee op te kunnen fietsen. Maar in 1949 had hij zó’n buik van het vele frites eten dat de meisjes ook niet meer met hem wilden dansen.’’

 

Nico Keuning: ’Altijd het tinnef om je heen’ biografie van Max de Jong, 260 pag., uitgeverij Bas Lubberhuizen, Amsterdam.

 

januari, 2000

UA-37394075-1